ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
5 april 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening — Dumping — Uitvoeringsverordening (EU) nr. 924/2012 — Invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China — Verordening (EG) nr. 1225/2009 — Artikel 2, leden 10 en 11 — Uitsluiting van bepaalde uitvoertransacties ten behoeve van de berekening van de dumpingmarge — Billijke vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde in geval van invoer uit een land zonder markteconomie”
In de gevoegde zaken C‑376/15 P en C‑377/15 P,
betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 juli 2015,
Changshu City Standard Parts Factory, gevestigd te Changshu City (China),
Ningbo Jinding Fastener Co. Ltd, gevestigd te Ningbo (China),
vertegenwoordigd door R. Antonini en E. Monard, avocats,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Driessen en S. Boelaert als gemachtigden, bijgestaan door N. Tuominen, avocat,
verweerder in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en M. França als gemachtigden,
European Industrial Fasteners Institute AISBL (EIFI), gevestigd te Brussel (België),
interveniënten in eerste aanleg,
wijst HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 juni 2016,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 december 2016,
het navolgende
Arrest
1
De hogere voorzieningen van Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener Co. Ltd strekken tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 april 2015, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad (T‑558/12 en T‑559/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:237; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 924/2012 van de Raad van 4 oktober 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 91/2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2012, L 275, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”).
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
2
Bij besluit 94/800/EG van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1), heeft de Raad van de Europese Unie de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994, alsmede de in de bijlagen 1, 2 en 3 bij deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten goedgekeurd, waaronder de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de algemene overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”).
3
Artikel 2 van de antidumpingovereenkomst heeft het opschrift „Vaststelling van dumping”. In artikel 2.4 is het volgende bepaald:
„De exportprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt op hetzelfde handelsniveau, gewoonlijk het stadium af fabriek, en voor zo dicht mogelijk bij elkaar liggende verkoopdata. Voor elk geval wordt, naargelang de bijzondere kenmerken van de zaak, rekening gehouden met verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen, waaronder verschillen op het gebied van verkoopvoorwaarden en ‑omstandigheden, belastingen en heffingen, handelsniveau, hoeveelheden, fysieke kenmerken en alle andere verschillen waarvan wordt aangetoond dat zij eveneens van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. In de in lid [3] bedoelde gevallen worden correcties toegepast voor de kosten tussen invoer en wederverkoop, met inbegrip van de rechten, heffingen en winst. Indien in deze gevallen de prijzen niet geheel vergelijkbaar zijn, stellen de autoriteiten de normale waarde vast in een handelsstadium dat gelijkwaardig is aan het handelsstadium waarin de exportprijs werd geconstrueerd of passen zij de krachtens dit lid toegestane correctie toe. De autoriteiten delen de belanghebbenden mede welke gegevens zij voor een billijke vergelijking nodig hebben en leggen deze belanghebbenden geen onredelijke bewijslast op.”
4
Artikel 2.4.2 van deze overeenkomst luidt:
„Onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4 betreffende de billijke vergelijking, wordt het bestaan van dumpingmarges in de onderzoekfase normaliter vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle vergelijkbare uitvoertransacties of door vergelijking van de normale waarde en de exportprijs van afzonderlijke transacties. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag met de prijzen van individuele exporttransacties vergeleken worden indien de autoriteiten constateren dat de exportprijzen voor de verschillende afnemers, regio’s en tijdvakken sterk uiteenlopen en op voorwaarde dat verklaard wordt waarom met dergelijke verschillen niet naar behoren rekening kan worden gehouden door het vergelijken van gewogen gemiddelden of van transacties.”
Unierecht
5
Op de datum van vaststelling van de litigieuze verordening waren de regels inzake de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Europese Unie vervat in verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 765/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 (PB 2012, L 237, blz. 1; hierna: „basisverordening”).
6
In artikel 1, leden 2 en 4, van deze verordening is het volgende bepaald:
„2. Ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld.
[…]
4. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚soortgelijk product’ verstaan een product dat identiek is, dat wil zeggen in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product of, bij gebrek aan een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product.”
7
Artikel 2 van diezelfde verordening, met het opschrift „Vaststelling van dumping”, is als volgt verwoord:
„[…]
C. Vergelijking
10.
De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hierna volgende factoren:
[…]
D. Dumpingmarge
11.
Onder voorbehoud van de relevante bepalingen betreffende de billijke vergelijking, wordt het bestaan van dumpingmarges in het onderzoektijdvak normaal vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde prijs van alle vergelijkbare exporttransacties naar de Gemeenschap of door vergelijking, per transactie, van de afzonderlijke normale waarden en de afzonderlijke prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag evenwel met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties naar de Gemeenschap worden vergeleken indien de uitvoerprijzen voor de verschillende afnemers, gebieden of tijdvakken sterk uiteenlopen en de in de voorgaande zin omschreven methoden ontoereikend zouden zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen. De bepalingen van dit lid vormen geen beletsel voor het gebruik van de steekproefmethode overeenkomstig artikel 17.
[…]”
8
Artikel 3, leden 2, 3 en 8, van genoemde verordening voorziet in het volgende:
„2. De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van:
a)
de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Gemeenschap en
b)
de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.
3. Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Gemeenschap, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn.
[…]
8. De gevolgen van de invoer met dumping worden beoordeeld met betrekking tot de productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap, mits de beschikbare gegevens een duidelijk onderscheid van deze productie aan de hand van criteria zoals het productieproces, de omzet en de winst van de producenten, mogelijk maken. Is deze productie niet op bovenomschreven wijze te onderscheiden, dan worden de gevolgen van de invoer met dumping beoordeeld aan de hand van een onderzoek van de kleinste groep of het kleinste assortiment producten waartoe het soortgelijke product behoort en waarover de nodige gegevens kunnen worden verkregen.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze verordening
9
Rekwirantes zijn in China gevestigde vennootschappen die actief zijn op het gebied van de productie van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen voor afzet op de nationale markt of de export, onder meer naar de Europese Unie (hierna: „betrokken product”).
10
Bij verordening (EG) nr. 91/2009 van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 29, blz. 1), heeft de Raad een antidumpingrecht ingesteld op de invoer van het betrokken product.
11
Op 28 juli 2011 heeft het orgaan voor geschillenbeslechting (DSB) van de WTO het rapport van de beroepsinstantie binnen die organisatie en het rapport van het panel, zoals gewijzigd bij het rapport van deze beroepsinstantie, in de zaak „European Communities – Definitive Anti-Dumping Measures on Certain Iron or Steel Fasteners from China” (Europese Gemeenschappen – Definitieve antidumpingmaatregelen voor bepaalde ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China) (WT/DS397) goedgekeurd. In deze rapporten is vastgesteld dat de Unie een aantal WTO-voorschriften heeft geschonden.
12
Op 6 maart 2012 heeft de Europese Commissie overeenkomstig verordening (EG) nr. 1515/2001 van de Raad van 23 juli 2001 inzake de maatregelen die de Gemeenschap kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping‑ en antisubsidiemaatregelen (PB 2001, L 201, blz. 10), een bericht bekendgemaakt over de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op bepaalde ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van de aanbevelingen en uitspraken van het DSB van de WTO van 28 juli 2011 in het geschil met de EG over bevestigingsmiddelen (DS397) (PB 2012, C 66, blz. 29).
13
Volgens dit bericht heeft de Commissie een nieuw onderzoek op basis van verordening nr. 1515/2001 naar de antidumpingmaatregelen ingesteld, om te achterhalen hoe verordening nr. 91/2009 moest worden gewijzigd om te voldoen aan voornoemde aanbevelingen en uitspraken van het DSB. Na afronding van dit nieuwe onderzoek heeft de Raad op 4 oktober 2012 de litigieuze verordening vastgesteld.
14
Op het punt van de vergelijking tussen de exportprijs en de normale waarde heeft de Raad de correctieverzoeken afgewezen die sommige van de belanghebbenden op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening hadden ingediend omdat er verschillen in productiekosten en in efficiency en productiviteit waren.
15
Op het punt van de berekening van de dumpingmarge heeft de Raad in de punten 82, 102 en 109 van de litigieuze verordening in wezen aangegeven dat, aangezien de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening was bepaald op basis van de gegevens over een derde land met een markteconomie, namelijk India, en meer bepaald de gegevens die door een Indiase producent (hierna: „Indiase producent”) waren verstrekt, bij de vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs de transacties waren uitgesloten die betrekking hadden op bepaalde soorten van het betrokken product die door de Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd waarvoor geen overeenkomstige soort door de Indiase producent werd geproduceerd of verkocht. De Raad heeft verduidelijkt dat die methode was beschouwd als de betrouwbaarste om de omvang van de dumping vast te stellen. Een poging om voor alle soorten van het betrokken product die door de Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd, zo veel mogelijk gelijkende soorten producten te vinden die door de Indiase producent werden geproduceerd en verkocht, zou immers tot onnauwkeurige bevindingen hebben geleid. Verder heeft de Raad toegelicht dat hij meende dat de voor de dumpingberekening gebruikte uitvoertransacties representatief zijn voor alle door de Chinese producenten-exporteurs uitgevoerde soorten van het betrokken product.
16
Het bij verordening nr. 91/2009 ingestelde antidumpingrecht is bij artikel 1 van de litigieuze verordening voor Changshu City Standard Parts Factory verlaagd naar 38,3 % en voor Ningbo Jinding Fastener gehandhaafd op 64,3 %.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
17
Bij op 24 december 2012 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben rekwirantes bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening ingesteld.
18
Bij beschikking van de president van de Vierde kamer van het Gerecht van 6 mei 2014 zijn de zaken T‑558/12 en T‑559/12 voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
19
Ter onderbouwing van hun beroepen bij het Gerecht hebben rekwirantes twee middelen aangevoerd.
20
Het eerste middel was ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, onder a), en leden 8, 9 en 11, en artikel 9, lid 5, van de basisverordening, het discriminatieverbod en artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst. In het kader van dit middel verweten rekwirantes de Raad en de Commissie dat zij de transacties inzake door de Chinese producenten-exporteurs uitgevoerde soorten van het betrokken product waarvoor de Indiase producent geen overeenkomstige productsoort produceerde en verkocht, ten onrechte hadden uitgesloten van de berekening van de dumpingmarge. Daardoor waren 38 % van de exportverkopen van Changshu City Standard Parts Factory en 43 % van die van Ningbo Jinding Fastener van de berekening van de dumpingmarge uitgesloten.
21
Het tweede middel was primair ontleend aan schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening en artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst en subsidiair aan schending van artikel 296 VWEU. Dit middel zag op de afwijzing van de door rekwirantes ingediende correctieverzoeken.
22
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht beide middelen van rekwirantes afgewezen en hun beroepen in hun geheel verworpen.
Conclusies van partijen en procesverloop voor het Hof
23
Rekwirantes verzoeken het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen;
—
het door hen in het kader van hun beroep bij het Gerecht gevorderde toe te wijzen en de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover deze op hen betrekking heeft, en
—
de Raad te verwijzen in de kosten die zij hebben gemaakt in het kader van de procedure bij het Gerecht en het Hof, en de interveniënten te verwijzen in hun eigen kosten.
24
De Raad concludeert tot afwijzing van de hogere voorzieningen en tot verwijzing van rekwirantes in de kosten van de hogere voorzieningen en de procedure bij het Gerecht.
25
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, de hogere voorzieningen ongegrond te verklaren, en
—
rekwirantes te verwijzen in de kosten.
26
Bij beschikking van de president van het Hof van 22 september 2015 zijn de zaken C‑376/15 P en C‑377/15 P voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.
Hogere voorzieningen
27
Rekwirantes voeren ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen twee middelen aan. Het eerste middel betreft de uitsluiting van bepaalde exporttransacties ten behoeve van de berekening van de dumpingmarge. Het tweede middel heeft betrekking op de weigering van de instellingen van de Unie om bepaalde correcties toe te passen in het kader van de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs.
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening in zaak C‑377/15 P
28
De Commissie werpt de niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening in zaak C‑377/15 P op, omdat die identiek is aan de hogere voorziening in zaak C‑376/15 P. Zo zijn de partijen, de bestreden handelingen, het bestreden arrest en de argumenten identiek. De hogere voorziening in zaak C‑377/15 P, die als laatste is ingesteld, is dus niet-ontvankelijk wegens aanhangigheid.
29
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een later ingediend beroep, tussen dezelfde partijen, dat strekt tot nietigverklaring van dezelfde rechtshandeling op grond van dezelfde middelen, niet-ontvankelijk worden verklaard wegens aanhangigheid (arrest van 9 juni 2011, Diputación Foral de Vizcaya e.a./Commissie, C‑465/09 P–C‑470/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:372, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat in de hogere voorzieningen in de zaken C‑376/15 P en C‑377/15 P dezelfde partijen tegenover elkaar staan. Daarnaast is de hogere voorziening in zaak C‑377/15 P een letterlijke herhaling van de hogere voorziening in zaak C‑376/15 P. Deze beide hogere voorzieningen zijn dus gegrond op dezelfde middelen en strekken tot vernietiging van hetzelfde arrest van het Gerecht en nietigverklaring van dezelfde rechtshandeling.
31
Aangezien de hogere voorziening in zaak C‑377/15 P later is ingesteld dan die in zaak C‑376/15 P, is zij dus niet-ontvankelijk wegens aanhangigheid.
Eerste middel in zaak C‑376/15 P
Argumenten van partijen
32
Het eerste middel ziet op de redenering van het Gerecht in de punten 61 tot en met 90 van het bestreden arrest. Het valt in drie onderdelen uiteen.
33
In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel betogen rekwirantes dat het Gerecht een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan de verplichting op grond van artikel 2, lid 11, van de basisverordening en artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst om alle uitvoertransacties te vergelijken. Volgens hen moeten deze twee bepalingen zo worden uitgelegd dat alle uitvoer van het betrokken product, zoals gedefinieerd bij de opening van het onderzoek, moet worden opgenomen in de vergelijking ten behoeve van de berekening van de dumpingmarge. Deze uitlegging volgt uit de bewoordingen van die bepalingen en uit het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale (C‑351/04, EU:C:2007:547). Eventuele bijkomende problemen in verband met de toepassing van de zogenoemde methode van het „referentieland” mogen geen reden zijn om van de regels inzake de bepaling van de dumpingmarge af te wijken.
34
In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel stellen rekwirantes dat het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door geen onderscheid te maken tussen de verplichtingen in artikel 2, lid 11, van de basisverordening en artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst, enerzijds, en de verplichtingen op het gebied van de vergelijkbaarheid van de prijzen in artikel 2, lid 10, van deze verordening en artikel 2.4 van die overeenkomst, anderzijds. Zij voeren in dat verband nader aan dat de beoordeling of de berekening van de dumpingmarge verenigbaar is met artikel 2, lid 11, van de basisverordening en met artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst, niet, zoals het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest heeft beslist, op basis van het begrip „vergelijkbare prijzen” dient te worden verricht, maar op basis van het begrip „vergelijkbare transacties”. Voor alle vergelijkbare transacties moeten de prijzen vergelijkbaar worden gemaakt, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening en artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst, wat in de onderhavige zaak mogelijk zou zijn geweest.
35
In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel voeren rekwirantes subsidiair aan dat de analyse van de „billijke vergelijking” die het Gerecht heeft verricht, niet in overeenstemming is met de vereisten van artikel 2, leden 10 en 11, van de basisverordening en de artikelen 2.4 en 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst. Zo heeft het Gerecht ten eerste ten onrechte onderzocht of het gebruik van andere methoden voor de bepaling van de normale waarde had kunnen leiden tot een „billijkere” vergelijking dan die welke door de instellingen van de Unie is verricht. Ten tweede bevestigt de analyse van het Gerecht dat het voor de instellingen van de Unie niet onmogelijk maar alleen moeilijker zou zijn geweest om overeenkomstig artikel 2, leden 10 en 11, van de basisverordening te handelen. Ten derde heeft het Gerecht ten onrechte belang gehecht aan de vraag of rekwirantes al of niet hadden meegewerkt met de instellingen van de Unie toen zij aan hen te kennen hadden gegeven hoe zij de hun bij artikel 2, leden 10 en 11, van de basisverordening en de artikelen 2.4 en 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst opgelegde verplichtingen zouden kunnen naleven. Ten vierde is het begrip „representativiteit” van de transacties dat het Gerecht in de punten 81 en 83 van het bestreden arrest heeft onderzocht, irrelevant.
36
De Raad en de Commissie bestrijden rekwirantes’ argumenten. Om te beginnen betoogt de Commissie dat het eerste middel niet-ontvankelijk is omdat rekwirantes daarmee tegen de beoordeling van de feiten door het Gerecht opkomen en zij niet de onjuiste rechtsopvatting waarvan het blijk zou hebben gegeven benoemen. Voorts meent de Commissie dat dit middel niet ter zake dienend is.
37
Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, geven de Raad en de Commissie primair te kennen dat het Gerecht terecht heeft geweigerd om het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale (C‑351/04, EU:C:2007:547), op de onderhavige zaak toe te passen en dat voor de door rekwirantes voorgestane uitlegging geen bevestiging kan worden gevonden in de rapporten van het DSB. De Commissie wijst er ook op dat de artikelen 2.4 en 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst zijn doordrongen van het beginsel van de „billijke vergelijking”. Artikel 2, leden 10 en 11, van de basisverordening strekt ertoe artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst in Unierecht om te zetten en geeft dus voorrang aan genoemd beginsel.
38
Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, betogen de Raad en de Commissie in essentie dat uit de bewoordingen van de basisverordening en van de antidumpingovereenkomst volgt dat het vereiste van de „billijke vergelijking” voorrang dient te hebben op de verplichting om de dumpingmarge te berekenen op basis van alle uitvoertransacties. Voorts zijn in artikel 2, lid 11, van de basisverordening dan wel de specifieke methoden voor de berekening van de dumpingmarge uiteengezet, maar die treden niet in de plaats van het algemene vereiste van de billijke vergelijking in artikel 2, lid 10, van deze verordening.
39
Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, wijzen de Raad en de Commissie er in de eerste plaats op dat rekwirantes te verstaan lijken te geven dat de instellingen van de Unie „de billijkste” benadering hadden moeten kiezen, wat juridisch onjuist is. In de tweede plaats was de door de instellingen van de Unie gekozen benadering billijk, gezien het ontbreken van inlichtingen over de prijzen voor de producten die niet door de Indiase producent werden verkocht. In de derde plaats heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat rekwirantes hun vorderingen moesten en konden onderbouwen. In de vierde plaats is het begrip „representativiteit” volgens de Commissie relevant en moet dit niet op het niveau van elke producent-exporteur maar voor alle transacties betreffende het betrokken product worden beoordeeld. Bovendien berust de uitsluiting van de uitvoertransacties geheel op toeval en had deze niet tot doel om het resultaat van de analyse van de instellingen van de Unie te beïnvloeden.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
40
Er zij aan herinnerd dat het Hof volgens zijn vaste rechtspraak niet bevoegd is om de feiten vast te stellen en in beginsel evenmin om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht voor deze feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Die beoordeling vormt dus, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van die bewijzen, geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.
41
Met de argumenten die zij ter ondersteuning van het onderhavige middel aanvoeren, verwijten rekwirantes het Gerecht in wezen, primair, dat het artikel 2, lid 11, van de basisverordening en artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst onjuist heeft uitgelegd en, subsidiair, dat het een analyse heeft verricht die met artikel 2, leden 10 en 11, van deze verordening en de artikelen 2.4 en 2.4.2 van die overeenkomst in strijd is. Anders dan de Commissie stelt, wordt met die argumenten niet opgekomen tegen de door het Gerecht verrichte beoordeling van de feiten, maar de uitlegging die het Gerecht aan rechtsregels heeft gegeven. Rekwirantes benoemen dus blijken van een onjuiste rechtsopvatting die het bestreden arrest volgens hen bevat. Deze argumenten zien derhalve op rechtsvragen die ter beoordeling aan het Hof kunnen worden voorgelegd in het kader van een hogere voorziening.
42
Bijgevolg kan het argument van de Commissie inzake de niet-ontvankelijkheid van het onderhavige middel niet worden aanvaard.
– Vraag of het eerste middel niet ter zake dienend is
43
De Commissie is van oordeel dat het eerste middel niet ter zake dienend is.
44
Zoals de advocaat-generaal evenwel duidelijk heeft gemaakt in punt 56 van zijn conclusie, zou het bestreden arrest, mocht het Hof dit middel aanvaarden en oordelen dat de uitlegging die het Gerecht aan artikel 2, lid 11, van de basisverordening en artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst heeft gegeven onjuist is, op een onjuiste rechtsopvatting berusten die tot de vernietiging ervan leidt.
45
Bijgevolg kan het argument van de Commissie dat het onderhavige middel niet ter zake dienend is, niet worden aanvaard.
– Ten gronde
46
Rekwirantes komen op tegen de redenering van het Gerecht in de punten 61 tot en met 90 van het bestreden arrest. Deze redenering berust volgens hen op een onjuiste rechtsopvatting, omdat zij is gebaseerd op een onjuiste uitlegging van met name artikel 2, lid 11, van de basisverordening.
47
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, volgens vaste rechtspraak van het Hof over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Aangezien de toepassing van artikel 2, lid 11, van de basisverordening de beoordeling van ingewikkelde economische situaties impliceert, dient de rechterlijke toetsing van die beoordeling zich te beperken tot de vraag of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn vastgesteld, en of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, EU:C:2007:547, punten 40 en 41, en van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 63).
48
Om tot de conclusie in punt 90 van het bestreden arrest te komen, namelijk dat de Raad geen beoordelingsfout had gemaakt door de soorten producten waarvoor de Indiase producent geen overeenkomstige producten produceerde of verkocht, van de berekening van de dumpingmarge uit te sluiten, zodat de litigieuze verordening noch met artikel 2, lid 11, van de basisverordening noch met artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst in strijd was, heeft het Gerecht, zoals blijkt uit punt 61 van het bestreden arrest, onderzocht of een dergelijke benadering mogelijk was op basis van artikel 2, lid 11, van de basisverordening en artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst, waarin is bepaald dat de instellingen van de Unie rekening moeten houden met de prijzen van alle uitvoertransacties die met de normale waarde vergelijkbaar zijn en waarin wordt verwezen naar de relevante bepalingen waarin de billijke vergelijking is geregeld.
49
Het Gerecht heeft om te beginnen in punt 63 van dat arrest geoordeeld dat de soorten van het betrokken product weliswaar als vergelijkbaar konden worden beschouwd, maar dat dit niet geval was voor de prijzen van de productsoorten die niet door deze producent werden geproduceerd of verkocht. Omdat er geen prijs voorhanden was van bepaalde soorten van het betrokken product, hoewel die vergelijkbaar waren, kon volgens het Gerecht geen vergelijking worden gemaakt tussen de normale waarden en de uitvoerprijs. Vervolgens heeft het in de punten 71, 80 en 84 van genoemd arrest beslist dat de instellingen van de Unie, gelet op het gevaar van onnauwkeurigheid indien gebruik zou worden gemaakt van methoden voor de berekening van de normale waarde van de producten die de Indiase producent niet verkocht, terecht tot de conclusie konden komen dat de door hen voorgestelde benadering billijk was en dat het gebruik van dergelijke methoden niet voor een nauwkeurigere of billijkere vergelijking zou hebben gezorgd. Tot slot heeft het in punt 85 van datzelfde arrest het belang van het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale (C‑351/04, EU:C:2007:547), uitgesloten omdat in de zaak die aanleiding tot dat arrest had gegeven, anders dan de onderhavige zaak, de dumpingmarge niet was berekend aan de hand van een relevante selectie van de soorten van het betrokken product.
50
Daarmee was het Gerecht van oordeel dat de instellingen van de Unie in het kader van de berekening van de dumpingmarge overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening, op goede gronden bepaalde uitvoertransacties van die berekening konden uitsluiten, gezien het feit dat er geen „vergelijkbare prijzen” waren en er geen andere berekeningsmethode was waarmee een „billijkere vergelijking” had kunnen worden gemaakt, aangezien die berekening aan de hand van een „relevante selectie” van de soorten van het betrokken product was gemaakt.
51
Nagegaan moet dus worden of deze redenering van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting berust, zoals rekwirantes betogen.
52
Om in de eerste plaats te bepalen of de instellingen van de Unie op grond van artikel 2, lid 11, van de basisverordening verplicht zijn om rekening te houden met alle uitvoertransacties of dat zij bepaalde van die transacties mogen uitsluiten ten behoeve van de berekening van de dumpingmarge, moet een analyse worden gemaakt van de bewoordingen, de context en de doelstellingen van die bepaling (arrest van 16 april 2015, Angerer, C‑477/13, EU:C:2015:239, punt 26en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Wat om te beginnen de bewoordingen van die bepaling betreft, moet erop worden gewezen dat daarin is voorzien in twee methoden voor de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs: een zogenoemde „symmetrische” methode, gebaseerd op hetzij een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde prijs van alle uitvoer naar de Unie hetzij een vergelijking per transactie, en een zogenoemde „asymmetrische” methode, gebaseerd op een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties naar de Unie. Ongeacht de vergelijkingsmethode verwijst artikel 2, lid 11, van de basisverordening naar „alle uitvoertransacties naar de [Unie]”. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 71 van zijn conclusie, kan op basis van die formulering worden overwogen dat de instellingen van de Unie de uitvoertransacties betreffende bepaalde soorten van het betrokken product niet van de berekening van de dumpingmarge mogen uitsluiten.
54
Wat vervolgens de door artikel 2, lid 11, van de basisverordening nagestreefde doelstelling betreft, volgt uit die bepaling dat zowel de symmetrische als de asymmetrische methode voor de berekening van de dumpingmarge het mogelijk moet maken om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen.
55
Zoals de advocaat-generaal heeft onderstreept in punt 67 van zijn conclusie, gaat de uitsluiting door de instellingen van de Unie van de uitvoertransacties betreffende bepaalde soorten van het betrokken product van de berekening van de dumpingmarge, tegen deze doelstelling in. Het logische gevolg van een dergelijke uitsluiting is namelijk dat die instellingen dan niet kunnen meten welke invloed die transacties op genoemde berekening hebben, zodat bedoelde instellingen zich er niet van kunnen vergewissen dat in de dumpingmarge die zij hebben berekend, alle dumping volledig tot uitdrukking komt.
56
Wat tot slot de context van artikel 2, lid 11, van de basisverordening betreft, volgt uit artikel 1 van deze verordening, „Beginselen”, dat het antidumpingonderzoek betrekking heeft op een specifiek product, „betrokken product” genaamd, dat door de instellingen van de Unie wordt gedefinieerd bij de opening van dit onderzoek.
57
Zo is in artikel 1, lid 2, van genoemde verordening bepaald dat ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Unie lager is dan een vergelijkbare prijs voor het soortgelijke product in het land van uitvoer. Voorts is in artikel 1, lid 4, van diezelfde verordening opgenomen dat voor de toepassing van de basisverordening onder het begrip „soortgelijk product” een product dat identiek is aan het „betrokken product” wordt verstaan. De dumpingmarge wordt dus berekend op basis van de definitie van het „betrokken product” die bij de opening van het onderzoek door de instellingen van de Unie wordt voorgesteld.
58
In diezelfde zin volgt uit artikel 3, leden 2, 3 en 8, van de basisverordening, dat naar het begrip „soortgelijk product” verwijst, dat de instellingen van de Unie op basis van het „betrokken product” bepalen of de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden als gevolg van de invoer met dumping.
59
Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 64 van zijn conclusie, verbiedt de definitie van het „betrokken product” bij de opening van het onderzoek het de instellingen van de Unie niet om dit product onder te verdelen in afzonderlijke soorten of modellen en om zich per soort of model te baseren op vergelijkingen tussen de normale waarde en de uitvoerprijs.
60
Dit neemt echter niet weg dat de instellingen van de Unie zijn gehouden om een met deze definitie coherente totale dumpingmarge voor het „betrokken product” in zijn geheel vast te stellen. Iedere andere uitlegging zou erop neerkomen dat hun de mogelijkheid wordt geboden om het resultaat van de berekening van de dumpingmarge te beïnvloeden, door een of meerdere soorten of modellen van het „betrokken product”, zoals bij de opening van het onderzoek gedefinieerd, uit te sluiten.
61
Hieruit volgt dat artikel 2, lid 11, van de basisverordening, gelet op zijn bewoordingen, doelstelling en context, niet aldus kan worden uitgelegd dat dit toestaat dat uitvoertransacties naar de Unie betreffende bepaalde soorten van het betrokken product van de berekening van de dumpingmarge worden uitgesloten. Uit deze bepaling volgt juist dat de instellingen van de Unie verplicht zijn om ten behoeve van die berekening met al die transacties rekening te houden.
62
Daaraan moet worden toegevoegd dat geen van de argumenten van de Raad en de Commissie inzake de uitlegging van artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst aan deze conclusie kan afdoen.
63
Voor die conclusie kan voorts steun worden gevonden in het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale (C‑351/04, EU:C:2007:547, punt 56). Daarin heeft het Hof herinnerd aan de bewoordingen van artikel 2, lid 11, van de basisverordening, namelijk dat de gewogen gemiddelde normale waarde wordt vergeleken met „een gewogen gemiddelde prijs van alle vergelijkbare exporttransacties” naar de Unie. Na daaraan te hebben herinnerd, heeft het geoordeeld dat de Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting had gegeven toen hij de totale dumpingmarge niet had berekend op basis van vergelijkingen waaruit alle vergelijkbare exportprijzen duidelijk zichtbaar waren.
64
Het is juist dat dit arrest betrekking had op het gebruik van de zogenoemde „nulmarge”-methode, waarbij negatieve dumpingmarges tot nul worden herleid bij de berekening van de totale dumpingmarge, wat een vraag is die losstaat van de vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is, namelijk de uitsluiting van bepaalde transacties van deze berekening omdat er geen overeenkomstige producten zijn die door de producent in het referentieland worden geproduceerd en verkocht. Zoals de advocaat-generaal er evenwel op heeft gewezen in punt 82 van zijn conclusie, heeft zowel de zaak die tot genoemd arrest heeft geleid als de onderhavige zaak betrekking op de omstandigheid dat de prijzen van bepaalde uitvoertransacties niet in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de dumpingmarge. Het is in dat verband van weinig belang dat in de onderhavige zaak de prijzen van bepaalde uitvoertransacties in het geheel buiten beschouwing zijn gelaten, terwijl die prijzen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale (C‑351/04, EU:C:2007:547), dat slechts gedeeltelijk waren, in die zin dat zij in feite waren gewijzigd.
65
Anders dan is geoordeeld in punt 85 van het bestreden arrest, kan met de omstandigheid dat de dumpingmarge is berekend op basis van een „relevante selectie” van de soorten van het betrokken product, geen rekening worden gehouden om de relevantie van het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale (C‑351/04, EU:C:2007:547), uit te sluiten. Naast het feit dat rekwirantes de representativiteit van de door de instellingen van de Unie in aanmerking genomen transacties voor de berekening van de dumpingmarge betwisten, duidt immers niets in artikel 2, lid 11, van de basisverordening erop dat die marge mag worden berekend op basis van een „relevante selectie” van de soorten van het betrokken product.
66
In de tweede plaats moet worden nagegaan of het Gerecht, ondanks de strekking van artikel 2, lid 11, van de basisverordening zoals die in punt 61 van dit arrest is verduidelijkt, in punt 64 van het bestreden arrest terecht tot het oordeel is gekomen dat de instellingen van de Unie het recht hadden om uitvoertransacties betreffende bepaalde soorten van het betrokken product uit te sluiten, in aanmerking genomen dat er voor deze productsoorten geen „vergelijkbare prijzen” waren en het gebruik van een andere methode voor de berekening van de normale waarde niet voor een „billijkere vergelijking” zou hebben gezorgd.
67
Wat ten eerste het niet voorhanden zijn van „vergelijkbare prijzen” betreft, moet erop worden gewezen dat de dumpingmarge volgens artikel 2, lid 11, van de basisverordening wordt berekend aan de hand van een vergelijking van de normale waarde met de prijzen van alle exporttransacties naar de Unie, „onder voorbehoud van de relevante bepalingen betreffende de billijke vergelijking”. Dit laatste zinsdeel verwijst naar artikel 2, lid 10, van deze verordening, waarin is bepaald dat wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs niet billijk kunnen worden vergeleken, door middel van correcties rekening wordt gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen. Met de vergelijkbaarheid van de prijzen wordt dus niet in het kader van de toepassing van artikel 2, lid 11, van genoemde verordening rekening gehouden, maar in het kader van de toepassing van artikel 2, lid 10, van diezelfde verordening.
68
Anders gezegd, en zoals volgt uit de punten 57 en 61 van dit arrest, wordt de dumpingmarge op grond van artikel 2, lid 11, van de basisverordening berekend op basis van de definitie van het „betrokken product” zoals die door de instellingen van de Unie is voorgesteld bij de opening van het onderzoek, zonder dat een soort of model van dit product van die berekening kan worden uitgesloten. Om die berekening te kunnen maken, moeten de instellingen van de Unie daarentegen een prijsvergelijking maken, waarbij door middel van correcties rekening wordt gehouden met verschillen die op die prijzen van invloed zijn in de zin van artikel 2, lid 10, van deze verordening.
69
Hieruit volgt dat het Gerecht ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de instellingen van de Unie het recht hadden om uitvoertransacties betreffende bepaalde soorten van het betrokken product uit te sluiten omdat er voor die productsoorten geen „vergelijkbare prijzen” waren.
70
Verduidelijkt moet nog worden dat, zoals de advocaat-generaal er in punt 78 van zijn conclusie op heeft gewezen, in een geval als het onderhavige waarin de producent in het referentieland een bepaald soort product niet produceert of verkoopt, de instellingen van de Unie in de praktijk kunnen beslissen om dit soort product van de definitie van het „betrokken product” uit te sluiten of om de normale waarde voor dit soort product te construeren, zodanig dat bij de berekening van de dumpingmarge ook rekening kan worden gehouden met de uitvoertransacties betreffende die productsoorten.
71
Wat ten tweede de omstandigheid betreft dat het gebruik van een andere methode voor de berekening van de normale waarde niet voor een „billijkere vergelijking” had kunnen zorgen, blijkt uit een gecombineerde lezing van de leden 10 en 11 van artikel 2 van de basisverordening dat de berekening van de dumpingmarge weliswaar moet zijn gebaseerd op een „billijke vergelijking”, maar dat het begrip „billijkere vergelijking” nergens in die bepalingen voorkomt. Zelfs wanneer ervan uit zou moeten worden gegaan dat dit begrip relevant is, moet erop worden gewezen dat de uitsluiting van uitvoertransacties niet kan worden beschouwd als een middel waarmee voor een „billijke vergelijking” kan worden gezorgd, zoals volgt uit punt 61 van dit arrest. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat het gebruik van een andere methode voor de berekening van de normale waarde niet voor een „billijkere vergelijking” had gezorgd.
72
Hieruit volgt dat het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door in de punten 61 tot en met 90 van het bestreden arrest tot het oordeel te komen dat de Raad de productsoorten waarmee geen van de door de Indiase producent geproduceerde of verkochte producten overeenstemden, van de berekening van de dumpingmarge mocht uitsluiten.
73
Gelet op een en ander slaagt het eerste middel en moet het bestreden arrest worden vernietigd, zonder dat de overige argumenten in het kader van het eerste middel of het tweede middel hoeven te worden onderzocht.
Beroep voor het Gerecht
74
Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dat is in casu het geval.
75
Zoals volgt uit de punten 52 tot en met 72 van dit arrest heeft de Raad artikel 2, lid 11, van de basisverordening geschonden door in de punten 82, 102 en 109 van de litigieuze verordening te beslissen dat de door de Chinese producenten-exporteurs uitgevoerde productsoorten waarvoor geen overeenkomstige soort door de Indiase producent werd geproduceerd en verkocht, moesten worden uitgesloten.
76
In die omstandigheden moet de litigieuze verordening nietig worden verklaard voor zover zij op rekwirantes betrekking heeft.
Kosten
77
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
78
Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van rekwirantes te worden verwezen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in de zaken T‑558/12 en T‑559/12 en die in hogere voorziening in zaak C‑376/15 P. Laatstgenoemden dienen daarentegen overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in de kosten van de procedure in hogere voorziening in zaak C‑377/15 P.
79
Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.
80
Bijgevolg zal de Commissie haar eigen kosten van de procedure in eerste aanleg in de zaken T‑558/12 en T‑559/12 en die in hogere voorziening in de zaken C‑376/15 P en C‑377/15 P dragen.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 april 2015, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad (T‑558/12 en T‑559/12, EU:T:2015:237), wordt vernietigd.
2)
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 924/2012 van de Raad van 4 oktober 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 91/2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt nietig verklaard voor zover die op Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener Co. Ltd betrekking heeft.
3)
De hogere voorziening in zaak C‑377/15 P wordt afgewezen.
4)
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten en die van Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener Co. Ltd in verband met zowel de procedure in eerste aanleg in de zaken T‑558/12 en T‑559/12 als die in hogere voorziening in zaak C‑376/15 P.
5)
Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener Co. Ltd worden verwezen in hun eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie in verband met de procedure in hogere voorziening in de zaak C‑377/15 P.
6)
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten in verband met de procedure in eerste aanleg in de zaken T‑558/12 en T‑559/12 en die in hogere voorziening in de zaken C‑376/15 P en C‑377/15 P.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy