ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
8 juni 2017 ( 1 )
„Prejudiciële verwijzing — Burgerschap van de Unie — Artikel 21 VWEU — Vrijheid om in de lidstaten te reizen en te verblijven — Onderdaan die zowel de nationaliteit van de lidstaat van zijn verblijf bezit als die van de lidstaat van zijn geboorte — Wijziging van de familienaam in de lidstaat van geboorte die niet heeft plaatsgevonden tijdens een gewoon verblijf in die lidstaat — Naam die overeenkomt met de geboortenaam — Verzoek tot inschrijving van die naam in het register van de burgerlijke stand van de lidstaat van verblijf — Afwijzing van dat verzoek — Grond — Naam die niet tijdens een gewoon verblijf is verworven — Bestaan in het nationale recht van andere procedures ter verkrijging van erkenning van die naam”
In zaak C‑541/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Wuppertal (rechter in eerste aanleg, Wuppertal, Duitsland) bij beslissing van 24 september 2015, ingekomen bij het Hof op 16 oktober 2015, in de procedure die is ingeleid door
Mircea Florian Freitag,
in tegenwoordigheid van:
Angela Freitag,
Vica Pavel,
Stadt Wuppertal,
Oberbürgermeister der Stadt Wuppertal,
wijst HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas (rapporteur), C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: R. Schiano, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 september 2016,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Hellmann, T. Henze, en J. Mentgen als gemachtigden,
—
de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo en M. Castelo-Branco als gemachtigden,
—
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door A. Wellman en R. H. Radu als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Montaguti en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 november 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 18 en 21 VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een door Mircea Florian Freitag ingeleide procedure inzake de erkenning in Duitsland en de inschrijving in het register van de burgerlijke stand van een wijziging van de familienaam in een rechtmatig in Roemenië verworven naam.
Toepasselijke bepalingen
Toepasselijke bepalingen van de wet ter invoering van het burgerlijk wetboek
3
§ 5 van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (Duitse wet tot invoering van het burgerlijk wetboek) van 21 september 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 2494, en rectificatie in BGBl. 1997 I, blz. 1061), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „EGBGB”), met het opschrift „Persoonlijk statuut”, bepaalt in lid 1, eerste en tweede zin, ervan:
„Wanneer wordt verwezen naar het recht van de staat waarvan een persoon de nationaliteit heeft, en deze persoon meerdere nationaliteiten heeft, wordt het recht toegepast van de staat waarmee die persoon de nauwste band heeft, in het bijzonder op grond van zijn gewoon verblijf of het verloop van zijn leven. Bezit die persoon tevens de Duitse nationaliteit, dan heeft die rechtspositie voorrang.”
4
§ 10 EGBGB, met het opschrift „Naam”, bepaalt in lid 1:
„De naam van een persoon wordt geregeld door het recht van de staat waarvan die persoon staatsburger is.”
5
§ 48 EGBGB, met het opschrift „Keuze van een in een andere lidstaat van de Europese Unie verworven naam”, luidt:
„Indien de naam van een persoon wordt geregeld door het Duitse recht, kan hij of zij door het afleggen van een verklaring bij de burgerlijke stand de tijdens een gewoon verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie verworven en daar in een register van de burgerlijke stand ingeschreven naam kiezen, mits dit niet kennelijk onverenigbaar is met essentiële beginselen van het Duitse recht. De naamkeuze werkt terug tot het tijdstip van de inschrijving in het register van de burgerlijke stand van de andere lidstaat, tenzij de persoon uitdrukkelijk verklaart dat de naamkeuze slechts voor de toekomst dient te gelden. De verklaring moet officieel worden vastgelegd in een authentieke akte. […]”
Wet inzake de naamswijziging
6
In het Duitse recht is de naamswijziging geregeld door het publiekrecht, en meer in het bijzonder door de procedure die is voorzien in het Gesetz über die Änderung von Familiennamen und Vornamen (Duitse wet inzake de wijziging van familienamen en voornamen (NamÄndG) van 5 januari 1938 (RGBl. 1938 I, blz. 9), zoals gewijzigd bij § 54 van de wet van 17 december 2008 (BGBl. 2008 I, blz. 2586) (hierna: „naamswijzigingswet”).
7
§ 1 van de naamswijzigingswet luidt als volgt:
„De familienaam van een Duits staatsburger of een staatloze die zijn woonplaats of zijn gewoon verblijf heeft [in Duitsland], kan op verzoek worden gewijzigd.”
8
§ 3, lid 1, van die wet bepaalt:
„Een familienaam kan enkel worden gewijzigd wanneer een gewichtige reden de wijziging rechtvaardigt.”
9
Overeenkomstig § 3, lid 2, van de naamswijzigingswet dienen de voor het besluit [tot naamswijziging] belangrijke omstandigheden ambtshalve te worden getoetst.
10
Krachtens § 5, lid 1, van de naamswijzigingswet moet het verzoek tot wijziging van de familienaam worden ingediend bij de lagere overheidsinstantie in het district waarvan de verzoeker zijn gewone woon- of verblijfplaats heeft.
11
Punt 27, lid 1, van het Allgemeine Verwaltungsvorschrift zum Gesetz über die Änderung von Familiennamen und Vornamen (NamÄndVwV) (algemene administratieve bepalingen betreffende de wet inzake de wijziging van familie- en voornamen) van 11 augustus 1980, zoals laatstelijk gewijzigd bij bestuursrechtelijk voorschrift van 11 februari 2014 (BAnz. AT, van 18 februari 2014, B2) (hierna: „administratieve bepalingen naamswijzigingswet”), luidt als volgt:
„De namen van personen worden in detail en, in beginsel, uitputtend geregeld door de relevante bepalingen van burgerlijk recht. De publiekrechtelijke naamswijziging beoogt nadelige gevolgen in concrete gevallen op te heffen en vormt een uitzondering. Derhalve moet als eerste worden onderzocht of het nagestreefde doel niet kan worden bereikt met een verklaring van naamswijziging krachtens burgerlijk recht of met een beschikking van de voogdijrechter.”
12
Punt 28 van die bepalingen luidt:
„Een familienaam kan slechts worden gewijzigd indien een gewichtige reden deze wijziging rechtvaardigt. Van een gewichtige reden is sprake wanneer het rechtmatig belang van de aanvrager […] bij de naamswijziging zwaarder weegt dan de mogelijk tegengestelde belangen van andere betrokkenen […] en de in de wettelijke bepalingen tot uitdrukking komende beginselen van naamrecht, waarvan ook de sociale ordeningsfunctie van de naam en het openbaar belang bij de onveranderlijkheid van de overgeleverde naam deel uitmaken […]”
13
In punt 31 van voornoemde bepalingen wordt bepaald:
„Wanneer uit de overeenkomstig punt 28 te verrichten belangenafweging blijkt dat het rechtmatig belang van de aanvrager bij de wijziging van de familienaam zwaarder weegt, en er dus een gewichtige reden voor de naamswijziging bestaat, dient het verzoek in de regel te worden ingewilligd. Punten die reeds in aanmerking zijn genomen bij de belangenafweging ter vaststelling van het bestaan van een gewichtige reden, kunnen niet meer als discretionaire overwegingen in aanmerking worden genomen. Indien er geen gewichtige reden bestaat die de naamswijziging rechtvaardigt, moet het verzoek worden afgewezen.”
14
Punt 49 van de administratieve bepalingen naamswijzigingswet luidt:
„Wanneer een Duitser die tevens de nationaliteit van een andere staat heeft, volgens het recht van die andere staat, waarvan hij eveneens staatsburger is, een andere familienaam voert dan die welke hij rechtens dient te voeren binnen het toepassingsgebied van de [naamswijzigings]wet, kan de discrepantie tussen de namen worden weggenomen door de familienaam die moet worden gevoerd binnen het toepassingsgebied van de Duitse wet te wijzigen in de familienaam die moet worden gevoerd volgens het recht van de andere staat. Indien de betrokkene daarentegen afstand moet doen van de andere familienaam, dan wordt de betrokkene verwezen naar de instanties van de staat waarvan hij tevens de nationaliteit bezit.”
15
Indien de bevoegde overheidsinstantie de naamswijziging weigert, staat tegen dat weigeringsbesluit administratief beroep open. Indien de bevoegde overheidsinstantie daarentegen het verzoek tot wijziging van de familienaam inwilligt, zorgt zij ervoor dat de naamswijziging wordt bijgeschreven of in een akte wordt vastgelegd in het register van de burgerlijke stand.
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
16
Verzoeker in het hoofdgeding is op 25 april 1986 in Roemenië geboren met de familienaam Pavel. Hij is het kind van Angela Freitag en Vica Pavel, Roemeense onderdanen, en heeft de Roemeense nationaliteit.
17
Na de scheiding van zijn ouders is zijn moeder hertrouwd met de Duitse onderdaan Freitag.
18
Bij rechterlijke beslissing van 21 mei 1997 is verzoeker in het hoofdgeding door Freitag geadopteerd, waarbij hij de Duitse nationaliteit heeft verworven en sindsdien de familienaam Freitag draagt.
19
Bij besluit van de districtsraad van Brașov (Roemenië) van 9 juli 2013 is de familienaam van verzoeker in het hoofdgeding op diens verzoek weer gewijzigd in Pavel. Tijdens de naamswijzigingsprocedure in Roemenië had verzoeker in het hoofdgeding zijn gewoon verblijf in Duitsland.
20
Hij wendde zich vervolgens tot het Standesamt der Stadt Wuppertal (bureau van de burgerlijke stand van Wuppertal, Duitsland) waar hij zijn nieuwe, op de naam Pavel uitgereikte, Roemeense paspoort toonde met het verzoek om de naamswijziging ook naar Duits recht te erkennen en de hem betreffende inschrijving in het register van de burgerlijke stand dienovereenkomstig aan te passen.
21
Daar het bureau van de burgerlijke stand en de Oberbürgermeister der Stadt Wuppertal (burgemeester van Wuppertal, Duitsland), handelend als lagere instantie van toezicht op de burgerlijke stand, twijfelden aan de mogelijkheid om een latere akte in te schrijven in het register van de burgerlijke stand, hebben zij de vraag ter beoordeling voorgelegd aan het Amtsgericht Wuppertal.
22
Volgens de verwijzende rechter kan, daar verzoeker in het hoofdgeding tijdens de Roemeense naamswijzigingsprocedure zijn gewoon verblijf in Duitsland had, § 48 EGBGB niet worden toegepast, aangezien die bepaling de mogelijkheid om een in een andere lidstaat van de Unie verworven naam te kiezen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat die naam is verworven tijdens een gewoon verblijf in die andere lidstaat, welke voorwaarde in casu niet is vervuld.
23
De verwijzende rechter preciseert dat een analoge toepassing van § 48 EGBGB evenmin mogelijk is. Blijkens de wetsgeschiedenis beoogde de wetgever met name uitvoering te geven aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul (C‑353/06, EU:C:2008:559), en was hij zich bewust van het feit dat niet alle gevallen waarin sprake is van een discrepantie tussen familienamen onder die bepaling vallen.
24
Bijgevolg vraagt de verwijzende rechter zich af of de artikelen 18 en 21 VWEU vereisen dat een naamswijziging die in een andere lidstaat heeft plaatsgevonden wordt erkend, wanneer de betrokkene in die andere lidstaat niet zijn gewoon verblijf heeft, maar daar door zijn dubbele nationaliteit wel een andere band mee heeft.
25
Onder deze omstandigheden heeft het Amtsgericht Wuppertal de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten de artikelen 18 en 21 VWEU aldus worden uitgelegd dat de instanties van een lidstaat verplicht zijn om de naamswijziging van een onderdaan van deze lidstaat te erkennen, wanneer deze persoon tegelijk onderdaan is van een andere lidstaat en in die lidstaat zijn oorspronkelijke, bij zijn geboorte gekregen familienaam (opnieuw) heeft verworven door een naamswijziging die niet verbonden is met een wijziging van zijn familierechtelijke status, ofschoon de verwerving van die naam niet heeft plaatsgevonden tijdens een gewoon verblijf van de onderdaan in die andere lidstaat en hij die naam op zijn eigen verzoek heeft verworven?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Opmerkingen vooraf
26
Om te beginnen zij erop gewezen dat de verwijzende rechter zich bij zijn vraag of de artikelen 18 en 21 VWEU zich ertegen verzetten dat de bevoegde instanties van een lidstaat weigeren om over te gaan tot erkenning van een familienaam die een onderdaan van deze lidstaat rechtmatig in een andere lidstaat – waarvan die onderdaan eveneens de nationaliteit bezit – heeft verworven terwijl hij niet zijn gewoon verblijf had in die andere lidstaat, baseert op § 48 EGBGB.
27
De verwijzende rechter maakt in zijn vraag melding van het bestaan van een afzonderlijke, publiekrechtelijke procedure – waar ook de Duitse regering en de Europese Commissie op hebben gewezen – die is voorzien in de naamswijzigingswet en op grond waarvan bij de overheidsinstantie kan worden verzocht om naamswijziging.
28
Die procedure op basis van de naamswijzigingswet is volgens de Duitse regering van toepassing in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding, aangezien § 48 EGBGB weliswaar in beginsel op verzoeker van toepassing is, doch deze niet voldoet aan de daarin gestelde voorwaarde van gewoon verblijf in een andere lidstaat. Volgens de Duitse regering kan een persoon in een situatie die vergelijkbaar is met die van verzoeker in het hoofdgeding, krachtens de naamswijzigingswet het recht verwerven om de krachtens het recht van een andere lidstaat verworven naam te voeren, door het indienen van een daartoe strekkend verzoek bij de bevoegde instantie.
29
In het kader van de procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof is het de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (zie met name arrest van 19 september 2013, Betriu Montull, C‑5/12, EU:C:2013:571, punt 40).
30
Bijgevolg dient de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag in die zin te worden begrepen dat deze in wezen wenst te vernemen of de artikelen 18 en 21 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat het bureau van de burgerlijke stand van een lidstaat weigert om de naam die een onderdaan van deze lidstaat rechtmatig in een andere lidstaat – waarvan deze onderdaan eveneens de nationaliteit bezit – heeft verworven, en die overeenstemt met zijn geboortenaam, te erkennen en in te schrijven in het register van de burgerlijke stand, en deze weigering baseert op een bepaling van nationaal recht die de mogelijkheid om middels een aangifte bij het bureau van de burgerlijke stand om een dergelijke inschrijving te verzoeken afhankelijk stelt van de voorwaarde dat die naam is verworven tijdens een gewoon verblijf in die andere lidstaat, terwijl andere bepalingen van nationaal recht deze onderdaan in staat stellen een verzoek tot naamswijziging in te dienen bij een andere instantie, die de discretionaire bevoegdheid heeft om op dat verzoek te beslissen.
31
Hieraan dient te worden toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof artikel 21 VWEU niet alleen het recht bevat om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, maar eveneens discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt. Bijgevolg moet de situatie van verzoeker in het hoofdgeding enkel in het licht van die bepaling worden onderzocht (arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 65; zie naar analogie arrest van 2 juni 2016, Bogendorff von Wolffersdorff, C‑438/14, EU:C:2016:401, punt 34).
Werkingssfeer van het Unierecht
32
Vooraf moet worden onderzocht of de situatie van verzoeker in het hoofdgeding binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt en, in het bijzonder, onder de voorschriften die de uitoefening van het recht van burgers van de Unie om vrij te reizen regelen, en die discriminatie verbieden.
33
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de huidige stand van het Unierecht de regels betreffende de inschrijving van de familienaam van een persoon in de akten van de burgerlijke stand weliswaar onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, maar dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht in acht dienen te nemen en in het bijzonder de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (arresten van 2 oktober 2003, Garcia Avello, C‑148/02, EU:C:2003:539, punt 25; 14 oktober 2008, Grunkin en Paul, C‑353/06, EU:C:2008:559, punt 16; 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punten 38 en 39; 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 63, en 2 juni 2016, Bogendorff von Wolffersdorff, C‑438/14, EU:C:2016:401, punt 32).
34
Volgens vaste rechtspraak is van een aanknoping met het Unierecht sprake in het geval van personen die onderdaan zijn van een lidstaat en legaal op het grondgebied van een andere lidstaat verblijven (arrest van 2 oktober 2003, Garcia Avello, C‑148/02, EU:C:2003:539, punt 27). Dit is het geval bij verzoeker in het hoofdgeding, die de Roemeense nationaliteit heeft en verblijft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit.
Bestaan van een beperking van het vrije verkeer in de zin van artikel 21 VWEU
35
Er zij aan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die bepaalde nationale onderdanen benadeelt louter omdat zij hun recht om in een andere lidstaat vrij te reizen en te verblijven hebben uitgeoefend, een beperking vormt van de vrijheden die elke burger van de Unie op grond van artikel 21, lid 1, VWEU geniet (arresten van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul, C‑353/06, EU:C:2008:559, punt 21; 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 53; 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 68, en 2 juni 2016, Bogendorff von Wolffersdorff, C‑438/14, EU:C:2016:401, punt 36).
36
Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat de weigering door de autoriteiten van een lidstaat om de naam van een onderdaan van deze staat die zijn recht om op het grondgebied van een andere lidstaat vrij te reizen en te verblijven heeft uitgeoefend, te erkennen zoals hij is vastgelegd in die andere lidstaat, een belemmering kan vormen voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU neergelegde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Een discrepantie tussen twee namen waarmee een en dezelfde persoon wordt aangeduid, kan immers leiden tot verwarring en ongemakken (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Bogendorff von Wolffersdorff, C‑438/14, EU:C:2016:401, punt 37).
37
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat voor tal van handelingen in het dagelijkse leven, zowel in het beroeps- als in het privéleven, het bewijs moet worden geleverd van de eigen identiteit en voorts, met betrekking tot een gezin, van de aard van de familiebanden tussen de verschillende gezinsleden (arresten van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 73, en 2 juni 2016, Bogendorff von Wolffersdorff, C‑438/14, EU:C:2016:401, punt 43).
38
Voor een onderdaan als verzoeker in het hoofdgeding, die de nationaliteit heeft van twee lidstaten, bestaat er een concreet risico dat hij, vanwege het feit dat hij twee verschillende namen draagt – namelijk Pavel en Freitag – twijfels zal moeten wegnemen omtrent zijn identiteit en met betrekking tot de echtheid van de documenten die hij overlegt, of de waarheidsgetrouwheid van de daarin vermelde gegevens, hetgeen, zoals het Hof heeft geoordeeld, een belemmering kan vormen voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU verankerde recht (zie arresten van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 70, en 2 juni 2016, Bogendorff von Wolffersdorff, C‑438/14, EU:C:2016:401, punt 40).
39
Derhalve kan de weigering door het bureau van de burgerlijke stand van een lidstaat om de rechtmatig door een onderdaan van deze lidstaat in een andere lidstaat – waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit – verworven naam te erkennen en in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand, op basis van een bepaling van nationaal recht die de mogelijkheid om middels een aangifte bij het bureau van de burgerlijke stand om een dergelijke inschrijving te verzoeken afhankelijk stelt van de voorwaarde dat die naam is verworven tijdens een gewoon verblijf in die andere lidstaat, een belemmering vormen voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU neergelegde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
40
De Duitse regering merkt evenwel op dat, aangezien het Duitse recht nog andere rechtsgrondslagen bevat om de naam op verzoek van betrokkene te wijzigen, namelijk de relevante bepalingen van de naamswijzigingswet, er geen belemmering bestaat voor het vrije verkeer van personen, welke zou kunnen ontstaan wanneer er sprake is van een discrepantie tussen familienamen. Ofschoon § 3, lid 1, van de naamswijzigingswet een dergelijke wijziging afhankelijk stelt van de voorwaarde dat deze door een gewichtige reden wordt gerechtvaardigd, volgt uit punt 49 van de administratieve bepalingen naamswijzigingswet dat het wegnemen van een discrepantie tussen twee familienamen, wat Duitse onderdanen betreft, een dergelijke gewichtige reden vormt. Aldus kan de betrokkene in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, erkenning verkrijgen van de in de andere lidstaat verworven naam, door bij de bevoegde bestuursinstantie een verzoek krachtens de naamswijzigingswet in te dienen.
41
Om een regeling als de Duitse regeling betreffende de naam in haar geheel als verenigbaar met het Unierecht te kunnen beschouwen, mogen de nationale bepalingen of procedures die het mogelijk maken een verzoek tot naamswijziging in te dienen, de uitoefening van de bij artikel 21 VWEU toegekende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Uit het oogpunt van het Unierecht is het in beginsel van weinig belang op grond van welke nationale bepaling of procedure de verzoeker zijn rechten met betrekking tot zijn naam kan doen gelden.
42
Bij het ontbreken van een Unieregeling inzake de wijziging van de familienaam, is het immers een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke lidstaat om de regels van nationaal recht vast te stellen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, voor zover die regels, ten eerste, niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor rechten die op de nationale rechtsorde zijn gebaseerd (gelijkwaardigheidsbeginsel) en, ten tweede, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidbeginsel) (zie met name naar analogie arresten van 12 september 2006, Eman en Sevinger, C‑300/04, EU:C:2006:545, punt 67; 3 juli 2014, Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics, C‑129/13 en C‑130/13, EU:C:2014:2041, punt 75, en 8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punt 36).
43
Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of hij de bij artikel 21 VWEU toegekende rechten zelf ten uitvoer kan leggen en het recht op erkenning van de in omstandigheden als in het hoofdgeding in een andere lidstaat verworven naam kan erkennen, of dat verzoeker in het hoofdgeding gebruik dient te maken van de publiekrechtelijke procedure als bedoeld in de naamswijzigingswet.
44
Zoals is aangegeven in punt 40 van het onderhavige arrest, betoogt de Duitse regering dat het wegnemen van een discrepantie tussen twee familienamen, een „gewichtige reden” vormt in de zin van § 3, lid 1, van de naamswijzigingswet. Bovendien wordt de uitoefening van de rechten van een onderdaan als verzoeker in het hoofdgeding uit hoofde van artikel 21 VWEU niet in twijfel getrokken door de beoordelingsbevoegdheid waarover de bevoegde Duitse instanties beschikken.
45
Dienaangaande moet worden beklemtoond dat een dergelijke beoordelingsbevoegdheid door de bevoegde instanties zodanig moet worden uitgeoefend dat artikel 21 VWEU volledige werking heeft.
46
Het is met name van belang dat de in het Duitse recht bestaande procedure die een naamswijziging mogelijk maakt, kan verzekeren dat, teneinde erkenning van de in een andere lidstaat verworven naam mogelijk te maken, het bestaan van een gewichtige reden kan worden aangevoerd in omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de betrokkene met de andere lidstaat, waarin hij zijn naam heeft verworven, een andere band heeft dan het gewoon verblijf, zoals bijvoorbeeld de nationaliteit.
47
Derhalve dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 21 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het bureau van de burgerlijke stand van een lidstaat weigert om een familienaam die een onderdaan van die lidstaat rechtmatig in een andere lidstaat – waarvan deze onderdaan eveneens de nationaliteit bezit – heeft verworven, en die overeenstemt met zijn geboortenaam, te erkennen en in te schrijven in het register van de burgerlijke stand, en deze weigering baseert op een bepaling van nationaal recht die de mogelijkheid om middels een aangifte bij het bureau van de burgerlijke stand om een dergelijke inschrijving te verzoeken afhankelijk stelt van de voorwaarde dat die naam is verworven tijdens een gewoon verblijf in die andere lidstaat, tenzij er in het nationale recht andere bepalingen bestaan die de erkenning van die naam daadwerkelijk mogelijk maken.
Kosten
48
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 21 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het bureau van de burgerlijke stand van een lidstaat weigert om een familienaam die een onderdaan van die lidstaat rechtmatig in een andere lidstaat – waarvan deze onderdaan eveneens de nationaliteit bezit – heeft verworven, en die overeenstemt met zijn geboortenaam, te erkennen en in te schrijven in het register van de burgerlijke stand, en deze weigering baseert op een bepaling van nationaal recht die de mogelijkheid om middels een aangifte bij het bureau van de burgerlijke stand om een dergelijke inschrijving te verzoeken afhankelijk stelt van de voorwaarde dat die naam is verworven tijdens een gewoon verblijf in die andere lidstaat, tenzij er in het nationale recht andere bepalingen bestaan die de erkenning van die naam daadwerkelijk mogelijk maken.
ondertekeningen
( 1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy