ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
9 november 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Openbare omroep – Door de Deense autoriteiten ten uitvoer gelegde maatregelen ten behoeve van de Deense omroep TV2/Danmark – Begrip ,steunmaatregelen van de staten of met staatsmiddelen bekostigd’ – Arrest Altmark”
In zaak C‑649/15 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 3 december 2015,
TV2/Danmark A/S, gevestigd te Odense (Denemarken), vertegenwoordigd door O. Koktvedgaard, advokat,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche, B. Stromsky en L. Grønfeldt als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door C. Thorning als gemachtigde, bijgestaan door R. Holdgaard, advokat,
Viasat Broadcasting UK Ltd, gevestigd te West Drayton (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door S. Kalsmose-Hjelmborg en M. Honoré, advokater,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Arabadjiev, S. Rodin en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 mei 2017,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt TV2/Danmark A/S om gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 september 2015, TV2/Danmark/Commissie (T‑674/11, EU:T:2015:684; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht, ten eerste, besluit 2011/839/EU van de Commissie van 20 april 2011 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel (C 2/03) ten behoeve van TV2/Danmark (PB 2011, L 340, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”) nietig heeft verklaard voor zover de Commissie daarin had geoordeeld dat de via het TV2-fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden, en, ten tweede, voor het overige, haar beroep heeft verworpen.
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
2
TV2/Danmark is een Deense omroeporganisatie die is opgericht in 1986. Zij had bij oprichting eerst de rechtsvorm van een autonome overheidsonderneming, maar is met boekhoudkundige en fiscale ingang van 1 januari 2003 omgezet in een naamloze vennootschap. TV2/Danmark is, na Danmarks Radio, de tweede publieke televisiezender in Denemarken.
3
TV2/Danmark heeft tot taak nationale en regionale televisieprogramma’s te produceren en uit te zenden. De uitzendingen vinden plaats via onder meer radiozendmasten, satelliet en de kabel. De openbaredienstverplichtingen van TV2/Danmark worden bepaald door de minister van Cultuur.
4
Naast de publieke omroepen bestaan er op de landelijke Deense televisiemarkt commerciële omroepen. Dit betreft onder meer Viasat Broadcasting UK Ltd (hierna: „Viasat”) en verder de groep bestaande uit SBS TV A/S en SBS Danish Television Ltd (hierna: „SBS”).
5
TV2/Danmark is oorspronkelijk opgericht met behulp van een rentedragende staatslening en haar activiteit moest, net als die van Danmarks Radio, worden gefinancierd uit de opbrengst van de door alle Deense televisiekijkers betaalde omroepbijdrage. De wetgever heeft echter beslist dat TV2/Danmark, anders dan Danmarks Radio, ook inkomsten mocht verwerven uit met name reclameactiviteiten.
6
Naar aanleiding van een op 5 april 2000 door SBS Broadcasting SA/Tv Danmark ingediende klacht, heeft de Commissie het stelsel van financiering van TV2/Danmark onderzocht in haar beschikking 2006/217/EG van 19 mei 2004 betreffende de staatssteun van Denemarken aan TV2/Danmark (PB 2006, L 85, blz. 1, met rectificatie in PB 2006, L 368, blz. 112; hierna: „beschikking TV2 I”). Deze beschikking bestreek het tijdvak tussen 1995 en 2002 en had betrekking op de volgende maatregelen: de geldmiddelen uit de omroepbijdrage, de overdrachten uit de fondsen voor de financiering van TV2/Danmark (het TV2-fonds en het Radiofonds), ad hoc toegekende bedragen, de vrijstelling van vennootschapsbelasting, de vrijstelling van rente en aflossing van het kapitaal voor de leningen die TV2/Danmark waren verleend bij haar oprichting, de staatswaarborg voor de exploitatieleningen en de gunstige betalingsvoorwaarden voor de bijdrage die TV2/Danmark verschuldigd was voor het gebruik van de nationale uitzendfrequentie (hierna samen: „betrokken maatregelen”). Ten slotte had het onderzoek van de Commissie ook betrekking op de aan TV2/Danmark verleende vergunning om uit te zenden via lokale frequenties in een netwerkstructuur en op de verplichting voor alle eigenaars van kabeldistributiesystemen om de openbare-omroepprogramma’s van TV2 in hun aanbod op te nemen.
7
Na onderzoek van de betrokken maatregelen stond de Commissie op het standpunt dat deze staatssteun vormden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, omdat het stelsel van financiering van TV2/Danmark, dat de kosten van de openbaredienstprestaties van deze onderneming beoogde te compenseren, niet voldeed aan de tweede en de vierde voorwaarde die het Hof had geformuleerd in zijn arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415; hierna, wat bovengenoemde voorwaarden betreft: „Altmark-voorwaarden”).
8
De Commissie heeft bovendien beslist dat bovengenoemde steun, die het Koninkrijk Denemarken tussen 1995 en 2002 aan TV2/Danmark had verleend, overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU verenigbaar was met de interne markt, met uitzondering van een bedrag van 628,2 miljoen Deense kronen (DKK) (ongeveer 85 miljoen EUR), dat zij als „overcompensatie” heeft aangemerkt. Zij heeft het Koninkrijk Denemarken daarop gelast dit bedrag samen met rente van TV2/Danmark terug te vorderen.
9
Tegen beschikking TV2 I zijn vier beroepen tot nietigverklaring ingesteld, enerzijds door TV2/Danmark (zaak T‑309/04) en het Koninkrijk Denemarken (zaak T‑317/04) en anderzijds door de concurrenten van TV2/Danmark, Viasat (zaak T‑329/04) en SBS (zaak T‑336/04).
10
Bij arrest van 22 oktober 2008, TV2/Danmark e.a./Commissie (T‑309/04, T‑317/04, T‑329/04 en T‑336/04, EU:T:2008:457), heeft het Gerecht die beschikking nietig verklaard. In zijn arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie terecht op het standpunt stond dat de aan TV2/Danmark gegeven openbaredienstopdracht overeenkwam met de omschrijving van diensten van algemeen economisch belang op het gebied van de omroep. Het heeft echter ook vastgesteld dat beschikking TV2 I op verschillende punten onrechtmatig was.
11
Zo heeft het Gerecht, bij het onderzoek van de vraag of bij de maatregelen waarop beschikking TV2 I betrekking had staatsmiddelen betrokken waren, ten eerste vastgesteld dat de Commissie, voor het al dan niet kwalificeren als staatsmiddelen, haar beoordeling waarom de reclame-inkomsten in 1995 en 1996 de facto in aanmerking moesten worden genomen, niet had gemotiveerd. Ten tweede heeft het Gerecht vastgesteld dat het onderzoek van de Commissie naar de vraag of aan de tweede en de vierde Altmark-voorwaarde was voldaan, niet was gebaseerd op een nauwgezette analyse van de concrete juridische en economische omstandigheden waaronder het bedrag van de aan TV2/Danmark toekomende omroepbijdrage was vastgesteld. Bijgevolg was beschikking TV2 I op dit punt ontoereikend gemotiveerd. Ten derde heeft het Gerecht vastgesteld dat ook de toetsing door de Commissie van de verenigbaarheid van de steun aan artikel 106, lid 2, VWEU, in het bijzonder die betreffende het bestaan van overcompensatie, ontoereikend was gemotiveerd. Volgens het Gerecht resulteerde dit motiveringsgebrek uit het ontbreken van een nauwgezet onderzoek van de concrete juridische en economische omstandigheden waaronder het bedrag van de tijdens de onderzoeksperiode aan TV2/Danmark toekomende omroepbijdrage was vastgesteld.
12
Na de nietigverklaring van beschikking TV2 I heeft de Commissie de betrokken maatregelen opnieuw onderzocht. Bij die gelegenheid heeft zij het Koninkrijk Denemarken en TV2/Danmark geraadpleegd en bovendien opmerkingen ontvangen van de derde partijen.
13
Aan het einde van dat onderzoek heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.
14
Dit besluit betreft de maatregelen die tussen 1995 en 2002 ten aanzien van TV2/Danmark zijn genomen. Bij haar onderzoek heeft de Commissie echter ook rekening gehouden met de herkapitalisatiemaatregelen die in de loop van 2004 naar aanleiding van beschikking TV2 I zijn genomen.
15
In het litigieuze besluit heeft de Commissie haar standpunt ter zake van de kwalificatie van de betrokken maatregelen als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU gehandhaafd. Allereerst heeft zij geoordeeld dat de reclame-inkomsten uit de jaren 1995 en 1996 staatsmiddelen vormden en daarna is zij, in het kader van het onderzoek naar het bestaan van een selectief voordeel, tot het standpunt gekomen dat de betrokken maatregelen niet voldeden aan de tweede en de vierde Altmark-voorwaarde. Terwijl de Commissie in beschikking TV2 I tot de conclusie was gekomen dat het bedrag van 628,2 miljoen DKK (ongeveer 85 miljoen EUR) een met artikel 106, lid 2, VWEU onverenigbare overcompensatie vormde, heeft zij in het litigieuze besluit echter geoordeeld dat dit bedrag een passende reserve aan eigen kapitaal voor TV2/Danmark was. In het dispositief van dit besluit heeft zij dan ook verklaard:
„Artikel 1
De maatregelen die door Denemarken tussen 1995 en 2002 ten gunste van TV2/Danmark ten uitvoer zijn gelegd in de vorm van middelen uit omroepbijdragen zijn, evenals de andere maatregelen die in het onderhavige besluit aan de orde zijn gesteld, verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 106, lid 2, [VWEU].”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
16
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 december 2011, heeft TV2/Danmark beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
17
TV2/Danmark heeft het Gerecht primair verzocht het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover de Commissie daarin had geoordeeld dat de betrokken maatregelen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormden.
18
Subsidiair heeft TV2/Danmark het Gerecht verzocht het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover de Commissie daarin tot de conclusie was gekomen dat:
–
alle betrokken maatregelen nieuwe steun vormden;
–
de geldmiddelen uit de omroepbijdrage die tussen 1997 en 2002 zijn overgedragen aan TV2/Danmark en vervolgens werden overgeheveld naar de regionale zenders van TV2/Danmark, aan TV2/Danmark toegekende staatssteun vormden;
–
de reclame-inkomsten die in 1995 en 1996 en bij de opheffing van het TV2-fonds in 1997 uit dat fonds aan TV2/Danmark zijn overgedragen, aan TV2/Danmark toegekende staatssteun vormden.
19
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het litigieuze besluit nietig verklaard voor zover de Commissie daarin had geoordeeld dat de via het TV2-fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden, en het beroep verworpen voor het overige.
Conclusies van partijen
20
Met haar hogere voorziening verzoekt TV2/Danmark het Hof:
–
het bestreden arrest te vernietigen voor zover de hoofdvordering in haar beroep voor het Gerecht wordt verworpen, dit beroep zelf af te doen en het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover daarbij is vastgesteld dat de onderzochte maatregelen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen, of, subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen;
–
het bestreden arrest te vernietigen voor zover het tweede onderdeel van de subsidiaire vordering in haar beroep voor het Gerecht wordt verworpen, dit beroep zelf af te doen en het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover daarbij is vastgesteld dat de omroepbijdragen die in de jaren 1997 tot en met 2002 aan TV2/Danmark zijn overgedragen en door deze aan de regionale zenders zijn doorgegeven, aan TV2/Danmark toegekende staatssteun vormde, of, subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen;
–
het bestreden arrest te vernietigen voor zover zij daarbij wordt verwezen in haar eigen kosten en in drie vierde van de kosten van de Commissie, en de Commissie te verwijzen in de kosten van TV2/Danmark voor het Gerecht en voor het Hof, of, voor het geval dat de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, de beslissing omtrent de kosten eveneens naar het Gerecht terug te verwijzen.
21
De Commissie verzoekt het Hof:
–
de hogere voorziening af te wijzen, en
–
TV2/Danmark te verwijzen in de kosten.
22
Het Koninkrijk Denemarken verzoekt het Hof de hogere voorziening in al haar onderdelen toe te wijzen.
23
Viasat verzoekt het Hof:
–
alle middelen van de hogere voorziening af te wijzen;
–
subsidiair, mocht het Hof het bestreden arrest geheel of ten dele vernietigen, uitspraak ten gronde te doen en het litigieuze besluit te bevestigen op alle door TV2/Danmark betwiste punten, en
–
TV2/Danmark te verwijzen in Viasats kosten voor het Gerecht en voor het Hof.
Hogere voorziening
24
Tot staving van haar hogere voorziening voert TV2/Danmark twee middelen aan.
Eerste middel
Argumenten van partijen
25
Met haar eerste middel betoogt TV2/Danmark dat het Gerecht, door de hoofdvordering in haar beroep op grondslag van een onjuiste uitlegging en toepassing van de vierde Altmark-voorwaarde te verwerpen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
26
TV2/Danmark is met name van mening dat het Gerecht, gelet op de bijzondere aard van de door haar te vervullen taak van publieke dienstverlening en de toepassing met terugwerkende kracht van de Altmark-voorwaarden, de vierde Altmark-voorwaarde niet uitsluitend naar de letter had moeten uitleggen en toepassen, maar louter had moeten nagaan of de doelstelling van die voorwaarde in casu was bereikt.
27
Volgens TV2/Danmark is een dergelijke toepassing onmogelijk omdat de bedrijfssector waarin zij opereert geen commerciële en aan concurrentie onderhevige sector is en, hierdoor, geen „referentieonderneming” bestaat waarmee de krachtens die voorwaarde vereiste vergelijking kan worden gemaakt.
28
TV2/Danmark is dan ook van mening dat het Gerecht de vierde Altmark-voorwaarde had moeten toepassen in het licht van de doelstelling ervan, en had moeten vaststellen dat deze doelstelling, gelet op de verificatie van de boekhouding van TV2/Danmark door de Rigsrevision (rekenkamer, Denemarken), was verwezenlijkt. Het had derhalve moeten oordelen dat deze voorwaarde was vervuld.
29
TV2/Danmark stelt verder dat deze beoordeling wordt gesterkt door de omstandigheid dat de Altmark-voorwaarden in het onderhavige geval met terugwerkende kracht zijn toegepast alsmede door de hieruit voortvloeiende schending van de rechtszekerheid.
30
Het Koninkrijk Denemarken onderschrijft het betoog van TV2/Danmark.
31
Volgens de Commissie en Viasat is het eerste middel van TV2/Danmark niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond.
32
In haar memorie van repliek betwist TV2/Danmark het betoog van de Commissie en van Viasat waarmee de ontvankelijkheid van haar hogere voorziening ter discussie wordt gesteld en voert, in wezen, aan dat de middelen en argumenten in haar hogere voorziening wel degelijk rechtsvragen doen rijzen.
33
In zijn memorie van dupliek stelt het Koninkrijk Denemarken dat de hogere voorziening van TV2/Danmark ontvankelijk is. Volgens deze lidstaat is de vraag inzake de uitlegging en de toepassing van de vierde Altmark-voorwaarde een rechtsvraag en vormt de beoordeling van het Gerecht van deze vraag een juridische beoordeling die vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.
Beoordeling door het Hof
34
Er zij aan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, uit artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest of van de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel (zie met name arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, daaronder begrepen die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen, en waarin zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest of de bestreden beschikking op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan de motiveringseisen die voortvloeien uit deze bepalingen. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, waartoe het Hof niet bevoegd is (zie met name arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Overigens moet er tevens aan worden herinnerd dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de hem overgelegde bewijzen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en deze bewijzen levert dus, behoudens onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie met name arrest van 15 juni 2017, Spanje/Commissie, C‑279/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:461, punt 36).
37
Met haar eerste middel beperkt TV2/Danmark zich echter in wezen tot een herhaling of letterlijke weergave van de argumenten die zij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, met het doel haar beroep tot nietigverklaring door het Hof opnieuw te laten onderzoeken.
38
Bovendien worden in dit middel geen precieze juridische argumenten aangevoerd waarmee specifiek wordt gewezen op een punt waarop in het bestreden arrest blijk zou zijn gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in dat opzicht, maar wordt hierin enkel de beoordeling van de feiten door het Gerecht betwist, meer bepaald met betrekking tot de mate waarin de omroepsector een commerciële en aan mededinging onderhevige sector is, het bestaan van een gemiddelde, goed beheerde en met voldoende middelen uitgeruste onderneming waarmee de kosten van TV2/Danmark zouden kunnen worden vergeleken alsmede de aard van de controle van de rekeningen van TV2/Danmark door de Rekenkamer. In dat verband voert TV2/Danmark echter niet aan dat de feiten of bewijzen op enig punt kennelijk onjuist zijn opgevat.
39
Daarenboven toont TV2/Danmark niet aan dat een andere beoordeling van de feiten of een teleologische uitlegging van de vierde Altmark-voorwaarde zou hebben geleid tot een andere beoordeling dan die welke het Gerecht heeft gemaakt.
40
Afgezien daarvan kan het eerste middel niet slagen, aangezien het Gerecht in de punten 132 tot en met 148 van het bestreden arrest tevens heeft geoordeeld dat, in ieder geval, zelf al moest de vierde Altmark-voorwaarde in casu slechts in wezen of minder strikt worden toegepast, de door TV2/Danmark aangevoerde argumenten nog steeds niet volstonden om aan te tonen dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van deze vierde voorwaarde.
41
Dit geldt tevens met betrekking tot het betoog betreffende een toepassing met terugwerkende kracht van de Altmark-voorwaarden, aangezien op grond van deze voorwaarden maatregelen van de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden uitgesloten, die zonder het arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415), al bij voorbaat onder het in deze bepaling bedoelde begrip „steunmaatregelen” zouden vallen. Derhalve kan het niet-toepassen van deze voorwaarden geen gunstiger gevolg hebben voor de eisen van TV2/Danmark.
42
Bijgevolg moet dit middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
Tweede middel
Argumenten van partijen
43
Met haar tweede middel beweert TV2/Danmark dat het Gerecht, bij het inhoudelijke onderzoek van haar tweede subsidiaire vordering en de verwerping daarvan, ofschoon TV2/Danmark en de Commissie het niet oneens waren over de kwalificatie van de middelen afkomstig uit de omroepbijdrage die door TV2/Danmark aan haar regionale zenders werden overgeheveld, ultra petita uitspraak heeft gedaan, de grenzen van zijn rechtmatigheidstoetsing heeft overschreden en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.
44
Voorts betoogt TV2/Danmark dat de inhoudelijke toetsing van het Gerecht is gebaseerd op een kennelijk onjuiste uitlegging van het Deense recht.
45
TV2/Danmark betoogt in het bijzonder dat de nationale regeling haar niet verplicht tot betaling van een vergoeding aan haar regionale zenders voor de levering van door haar uitgezonden regionale programma’s. Uit deze regeling komt evenmin naar voren dat de overheveling naar die zenders van uit de omroepbijdrage afkomstige middelen een vergoedingsplicht vormde die TV2/Danmark zelf vervulde ten aanzien van die zenders in ruil voor de levering van deze programma’s.
46
Het Koninkrijk Denemarken onderschrijft het betoog van TV2/Danmark.
47
De Commissie en Viasat betwisten dat het tweede middel ontvankelijk is en stellen dat het in ieder geval ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
48
Daar met het tweede middel, in wezen, de uitlegging van het Deense recht door het Gerecht wordt betwist, moet meteen worden opgemerkt dat dit een feitelijke vraag betreft die in beginsel niet door het Hof mag worden getoetst.
49
Het Hof is dus, wat de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot het nationale recht betreft, in hogere voorziening enkel bevoegd te onderzoeken of dat recht onjuist is opgevat (zie arresten van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C‑559/12 P, EU:C:2014:217, punt 79, en 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 44).
50
In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat een onjuiste opvatting duidelijk uit de processtukken moet blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (zie arresten van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C‑559/12 P, EU:C:2014:217, punt 80, en 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 45).
51
In casu blijkt echter niet van een dergelijke onjuiste opvatting, aangezien TV2/Danmark niet nader aangeeft welke feiten of welke bewijzen het Gerecht eventueel onjuist zou hebben opgevat en evenmin aantoont dat het Gerecht fouten heeft gemaakt op grond waarvan het feiten of bewijs onjuist had kunnen opvatten.
52
TV2/Danmark heeft in het bijzonder niet aangetoond dat het Gerecht beoordelingen heeft gemaakt die kennelijk indruisen tegen de inhoud van de bepalingen van die wetgeving of dat het daaraan een draagwijdte heeft verleend die zij kennelijk niet hebben.
53
Vastgesteld moet worden dat TV2/Danmark, door het Gerecht zogenaamd te verwijten dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn rechterlijke toetsing van het litigieuze besluit en dat het deze bepalingen onjuist heeft opgevat, in werkelijkheid enkel kritiek uit op de beoordeling door het Gerecht van het bewijs in de vorm van deze bepalingen, die in de punten 169 tot en met 173 van het bestreden arrest nauwkeurig al zijn geanalyseerd, opdat het Deense recht opnieuw nader wordt onderzocht en aldus de feiten en het bewijs in het stadium van de hogere voorziening opnieuw worden beoordeeld.
54
De omstandigheid dat TV2/Danmark en de Commissie het voor het Gerecht niet oneens waren over de uitlegging van het litigieuze besluit wat betreft de kwalificatie van de aan de omroepbijdrage ontleende middelen die door TV2/Danmark waren overgeheveld naar haar regionale zenders, is niet van invloed op de rechtmatigheid van de verrichting, door het Gerecht, van die toetsing.
55
Uit de rechtspraak volgt namelijk dat het aan de gerechten van de Unie is om uitlegging te geven aan de besluiten van de Commissie in het licht van de motivering die hierin wordt gegeven en in het voorkomende geval ongeacht het betoog dat door deze instelling tijdens de procedure wordt gehouden (zie in die zin arresten van 19 juli 2012, Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie, C‑628/10 P en C‑14/11 P, EU:C:2012:479, punten 72‑79; 19 maart 2013, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie e.a. en Commissie/Frankrijk e.a., C‑399/10 P en C‑401/10 P, EU:C:2013:175, punten 126‑129, en 30 november 2016, Commissie/Frankrijk en Orange, C‑486/15 P, EU:C:2016:912, punten 130‑132).
56
Overigens is, zoals blijkt uit de punten 154, 157 en 173 van het bestreden arrest, kennisgenomen van de opmerkingen van TV2/Danmark op dit punt en heeft zij ervan afgezien om op dit punt afstand van instantie te doen.
57
Bijgevolg moet het tweede middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
58
In die omstandigheden moet de hogere voorziening in haar geheel worden verworpen.
Verzoek van de Commissie tot vervanging van de motivering
59
Met haar verzoek stelt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de tweede Altmark-voorwaarde in casu was vervuld en roept zij het Hof op de motivering op dat punt te vervangen. Een dergelijk verzoek zou van belang zijn in het geval het eerste middel van de hogere voorziening van TV2/Danmark inzake de toepassing van de vierde Altmark-voorwaarde zou slagen.
60
TV2/Danmark betwist de ontvankelijkheid van dit verzoek.
61
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is voor de ontvankelijkheid van een verzoek tot vervanging van de motivering vereist dat een procesbelang bestaat, hetgeen veronderstelt dat de uitslag in het voordeel kan zijn van de partij die dit verzoek heeft ingediend. Dit kan het geval zijn wanneer het verzoek tot vervanging van de motivering een verweer vormt tegen een door de verzoekende partij aangevoerd middel (zie arresten van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 42, en 22 juni 2016, DK Recycling und Roheisen/Commissie, C‑540/14 P, EU:C:2016:469, punt 42).
62
Daar de Altmark-voorwaarden cumulatief zijn en het eerste middel van TV2/Danmark is verworpen, beschikt de Commissie niet over het vereiste belang om haar verzoek in te dienen.
63
Overigens kan dit verzoek, dat door de Commissie is geformuleerd in haar memorie van antwoord op deze hogere voorziening, en niet strekt tot gehele of gedeeltelijke toewijzing of afwijzing van die hogere voorziening, hiervan geen onderwerp zijn (zie naar analogie arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punten 100 en 101).
64
Derhalve is het verzoek van de Commissie niet-ontvankelijk.
Kosten
65
Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
66
Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
67
Aangezien TV2/Danmark in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en Viasat worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die de Commissie en Viasat in eerste aanleg en in het kader van de hogere voorziening hebben gemaakt.
68
Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dat reglement van overeenkomstige toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.
69
Het Koninkrijk Denemarken draagt, als interveniënt in eerste aanleg, zijn eigen kosten.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
TV2/Danmark A/S draagt haar eigen kosten en alle kosten die de Europese Commissie en Viasat Broadcasting UK Ltd in eerste aanleg en in het kader van de hogere voorziening hebben gemaakt.
3)
Het Koninkrijk Denemarken draagt zijn eigen kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Deens.
Full & Egal Universal Law Academy