ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
13 juli 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening – Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH) – Artikel 58, lid 2 – Autorisatie – Zeer zorgwekkende stoffen – Vrijstelling – Verordening tot wijziging van bijlage XIV bij verordening (EG) nr. 1907/2006 – Opname van chroomtrioxide op de lijst van stoffen waarvoor een autorisatieverplichting geldt”
In zaak C‑651/15 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 december 2015,
Verein zur Wahrung von Einsatz und Nutzung von Chromtrioxid und anderen Chrom-VI-Verbindungen in der Oberflächentechnik eV (VECCO) e.a., vertegenwoordigd door C. Mereu, avocat, en J. Beck, solicitor,
rekwiranten,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Mifsud-Bonnici en K. Talabér-Ritz als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
ondersteund door:
Franse Republiek, vertegenwoordigd door D. Colas en J. Traband als gemachtigden,
interveniënte in hogere voorziening,
Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), vertegenwoordigd door M. W. Broere en M. Heikkilä als gemachtigden,
Assogalvanica e.a., vertegenwoordigd door C. Mereu, avocat, en J. Beck, solicitor,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, C. G. Fernlund (rapporteur) en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening vorderen Verein zur Wahrung von Einsatz und Nutzung von Chromtrioxid und anderen Chrom-VI-Verbindungen in der Oberflächentechnik eV (VECCO) en de 185 overige verzoeksters waarvan de naam voorkomt op de lijst in bijlage I bij het onderhavige arrest (hierna, samen: „VECCO e.a.”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 25 september 2015, VECCO e.a./Commissie (T‑360/13, hierna: „bestreden arrest”, EU:T:2015:695), waarbij het Gerecht heeft verworpen hun beroep strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) nr. 348/2013 van de Commissie van 17 april 2013 tot wijziging van bijlage XIV bij verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB 2013, L 108, blz. 1).
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 1 van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB 2008, L 353, blz. 1) (hierna: „REACH-verordening”), met het opschrift „Doel en toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1:
„Het doel van deze verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten.”
3
Artikel 55 van de REACH-verordening bepaalt het volgende:
„Deze titel heeft tot doel de goede werking van de interne markt te waarborgen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de risico’s van zeer zorgwekkende stoffen naar behoren worden beheerst en dat deze stoffen gestaag worden vervangen door geschikte alternatieve stoffen of technieken, mits die economisch haalbaar en technisch uitvoerbaar zijn. Hiertoe analyseren alle fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers die een autorisatieaanvraag doen of er alternatieven beschikbaar zijn en overwegen zij de risico’s, alsmede de technische en economische haalbaarheid van vervanging.”
4
Artikel 57 van de REACH-verordening somt de criteria op om de stoffen in bijlage XIV bij die verordening op te nemen.
5
Artikel 58 van de REACH-verordening bevat de volgende bepalingen:
„1. Wanneer wordt besloten stoffen als bedoeld in artikel 57 in bijlage XIV op te nemen, wordt dat besluit volgens de in artikel 133, lid 4, bedoelde procedure genomen. In het besluit worden van elke stof de volgende gegevens vermeld:
a)
de identiteit van de stof overeenkomstig punt 2 van bijlage VI;
b)
de in artikel 57 bedoelde intrinsieke eigenschap of eigenschappen van de stof;
[...]
d)
in voorkomend geval, herbeoordelingstermijnen voor bepaalde vormen van gebruik;
e)
eventueel van de autorisatieplicht vrijgestelde vormen van gebruik of categorieën van gebruik, en de eventuele voorwaarden voor die vrijstellingen.
2. Vormen van gebruik of categorieën van gebruik kunnen van de autorisatieplicht worden vrijgesteld, mits het risico naar behoren wordt beheerst op grond van de bestaande specifieke gemeenschapswetgeving die minimumeisen aan het gebruik van de stof stelt in verband met de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu. Bij de vaststelling van die vrijstellingen wordt in het bijzonder rekening gehouden met de evenredigheid van het risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu met de aard van de stof, bijvoorbeeld wanneer het risico verandert naargelang de fysische vorm.
[...]”
6
De artikelen 60 tot en met 64 van de REACH-verordening hebben betrekking op de procedure voor de verlening van autorisaties.
Voorgeschiedenis van het geding
7
Uit de punten 1 tot en met 9 van het bestreden arrest volgt dat chroomtrioxide bij verordening nr. 348/2013 in bijlage XIV bij de REACH-verordening is opgenomen zonder dat een vrijstelling op grond van artikel 58, lid 2, van deze verordening is toegekend voor sommige vormen van gebruik of categorieën van gebruik van die stof.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
8
Op 8 juli 2013 hebben VECCO e.a. beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 348/2013 ingesteld. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht dat beroep verworpen en VECCO e.a. verwezen in de kosten.
Conclusies van partijen voor het Hof
9
VECCO e.a. verzoeken het Hof, het bestreden arrest te vernietigen en op hun beroep ten gronde te beslissen of de zaak voor beslissing ten gronde terug te verwijzen naar het Gerecht.
10
De Europese Commissie verzoekt het Hof, de hogere voorziening af te wijzen en VECCO e.a. te verwijzen in de kosten.
11
De Franse Republiek, die is toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie, en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), dat in eerste aanleg heeft geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie, verzoeken het Hof, de hogere voorziening te verwerpen.
Hogere voorziening
12
VECCO e.a. voeren drie middelen aan. Het eerste en het tweede middel zijn ontleend aan schending van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening. Het derde middel is ontleend aan een onjuiste beoordeling. Het tweede en het derde middel worden subsidiair aangevoerd, voor het geval het eerste middel mocht worden aanvaard.
Eerste middel: schending van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening
Argumenten van partijen
13
Het eerste middel van de hogere voorziening is gericht tegen de punten 28 tot en met 53 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat noch richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB 1998, L 131, blz. 11), noch richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (Zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad) (PB 2004, L 158, blz. 50), „specifieke gemeenschapswetgeving” vormt die „minimumeisen” stelt in de zin van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening. VECCO e.a. verwijten het Gerecht, aan die bepaling een onjuiste uitlegging te hebben gegeven.
14
In de punten 40 tot en met 44 en 50 tot en met 53 van het bestreden arrest heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrijstelling van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening enkel geldt voor instrumenten van afgeleid recht die betrekking hebben op bepaalde, uitdrukkelijk genoemde stoffen.
15
Volgens VECCO e.a. geldt de vrijstelling van artikel 58, lid 2, van REACH-verordening niet voor de stoffen, maar voor het gebruik van de stoffen. De aan de orde zijnde stoffen hoeven dus niet uitdrukkelijk te worden vermeld in de betrokken wetgeving. VECCO e.a. beklemtonen in dit verband dat het ECHA in een document met het opschrift „Voorbereiding van de derde ontwerpaanbeveling voor in bijlage XIV op te nemen stoffen – Algemene benadering” heeft erkend dat de wijzen van gebruik die onder de afwijking vallen mede de indelingen van de mate van gevaarlijkheid van een stof (carcinogeen, mutageen, reproductietoxisch) bevatten. Anders dan het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, worden met deze uitlegging het doel en de werking van de REACH-verordening niet echt in gevaar gebracht.
16
Volgens VECCO e.a. moet op grond van doelstelling van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening eerst de vraag worden beantwoord of de wetgeving van de Unie volstaat om een goede beheersing van de risico’s mogelijk te maken. De drie criteria van die bepaling, te weten „specifieke gemeenschapswetgeving” die „minimumeisen” oplegt om te waarborgen dat „het risico naar behoren wordt beheerst”, moeten dus samen, in het licht van die doelstelling, worden beoordeeld en niet, zoals het Gerecht heeft gedaan, afzonderlijk.
17
VECCO e.a. merken op dat het Gerecht bij een juiste uitlegging van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening eerst de vraag zou hebben onderzocht of de richtlijnen 98/24 en 2004/37 „specifiek” het aan de orde zijnde gebruik van chroomtrioxide in de industrie van de oppervlaktebehandelingen en galvanisering regelen, in de tweede plaats, indien dat het geval is, zou hebben vastgesteld of die bestaande wetgeving „minimumeisen” oplegt en, in de derde plaats, zou hebben onderzocht of die minimumeisen volstaan om de risico’s te beheersen.
18
Het eerste criterium van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening, betreffende het voorhanden zijn van „specifieke” wetgeving van de Unie, is volgens VECCO e.a. vervuld aangezien de vormen of de categorieën van gebruik waarvoor vrijstelling is gevraagd, te weten oppervlaktebehandeling en galvanisering met gebruikmaking van chroomtrioxide, vallen onder de vormen van gebruik bedoeld in richtlijn 98/24 en, wegens de classificatie van die stof als carcinogeen, richtlijn 2004/37.
19
Aangaande het tweede in voormelde bepaling genoemde criterium merken VECCO e.a. op dat het Gerecht in de punten 37 en 43 van het bestreden arrest de in de richtlijnen 98/24 en 2004/37 vastgelegde „minimumeisen” heeft opgesomd. Het heeft echter niet beoordeeld of met die eisen ook inderdaad een goede beheersing van de risico’s voor de werknemers in de industrie van oppervlaktebehandeling en galvanisering kan worden bereikt.
20
Het Gerecht heeft in punt 40 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat richtlijn 98/24 enkel een algemeen kader vastlegt dat aangeeft welke verplichtingen rusten op de werkgever die zijn werknemers aan chemische risico’s blootstelt. Het Gerecht heeft bovendien in punt 44 van het bestreden arrest geoordeeld dat, aangezien richtlijn 98/24 geen maximumwaarde voor de beroepsmatige blootstelling aan de betrokken stof vaststelt, zij niet kan worden geacht „minimumeisen” in de zin van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening te bevatten.
21
VECCO e.a. zijn van oordeel dat de vaststelling van maximumwaarden voor beroepsmatige blootstelling niet de enige en evenmin de beste methode is voor het beheer van chemische risico’s. Het ontbreken van die maximumwaarden voor chroomtrioxide wettigt nog niet de conclusie dat de richtlijnen geen „minimumeisen” in de zin van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening stellen.
22
VECCO e.a. leveren kritiek op punt 64 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat niet kon worden nagegaan of aan dat criterium werd voldaan wegens het ontbreken van specifieke gemeenschapswetgeving die minimumeisen oplegde. Die „oppervlakkige” uitlegging gaat rechtens voorbij aan de algehele doelstelling van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening en, in feite, aan alle in de zaak overgelegde bewijsstukken, waaruit moet blijken dat de risico’s die de werknemers in de industrie van oppervlaktebehandeling en galvanisering lopen door het gebruik van chroomtrioxide door de wetgeving van de Unie goed worden beheerst.
23
De Commissie verwerpt de door VECCO e.a. voorgestane uitlegging volgens welke artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening voor vormen van gebruik en niet voor stoffen geldt. Die instelling sluit zich aan bij de redenering van het Gerecht dat niet hoefde te worden ingegaan op de door de richtlijnen 98/24 en 2004/37 gedekte vormen van gebruik, aangezien die richtlijnen niet specifiek gelden voor chroomtrioxide.
24
Het ECHA sluit zich aan bij het betoog van de Commissie. De wetgever heeft niet voorzien in een automatische vrijstelling van het autorisatiestelsel voor alle onder de richtlijnen 98/24 en 2004/37 vallende vormen van gebruik.
25
Hetzelfde is het geval met de Franse Republiek, die van oordeel is dat de richtlijnen 98/24 en 2004/37 geen specifieke gemeenschapswetgeving vormen die minimumeisen opleggen op het gebied van de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu in geval van gebruik van de stof, in de zin van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening.
Beoordeling door het Hof
26
Om te antwoorden op dat eerste middel van de hogere voorziening moet de context waarin de in artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening bedoelde vrijstellingsregeling van toepassing is in herinnering worden gebracht.
27
In dit verband volgt uit artikel 1, lid 1, van de REACH-verordening dat deze verordening tot doel heeft, een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, daaronder begrepen de bevordering van alternatieve methoden voor de beoordeling van de gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. Daartoe stelt die verordening een geïntegreerd systeem in voor de controle op chemische stoffen, met inbegrip van de registratie, de beoordeling, de autorisatie en de eventuele beperkingen van het gebruik ervan (zie onder meer arrest van 15 maart 2017, Polynt/ECHA,C‑323/15 P, EU:C:2017:207, punt 20).
28
Zoals met name in de overwegingen 69 en 70 van de REACH-verordening wordt benadrukt, moet op grond van die verordening aan zogenaamde „zeer risicovolle” stoffen zorgvuldig aandacht worden besteed. Die stoffen zijn immers aan de autorisatieregeling van titel VII van die verordening onderworpen. Uit artikel 55 van die verordening volgt dat die autorisatieregeling tot doel heeft „de goede werking van de interne markt te waarborgen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de risico’s van zeer zorgwekkende stoffen naar behoren worden beheerst en dat deze stoffen gestaag worden vervangen door geschikte alternatieve stoffen of technieken, mits die economisch haalbaar en technisch uitvoerbaar zijn” (zie onder meer arrest van 15 maart 2017, Polynt/ECHA,C‑323/15 P, EU:C:2017:207, punt 21).
29
De eerste fase van die autorisatieregeling betreft de procedure van identificatie van zeer zorgwekkende stoffen aan de hand van de criteria van artikel 57 van de REACH-verordening. De tweede fase bestaat in de opname van die stoffen op de lijst van autorisatieplichtige stoffen, die bijlage XIV bij die verordening vormt, en de derde en laatste fase betreft de procedure die, in voorkomend geval, tot de autorisatie van een zeer zorgwekkende stof leidt (zie onder meer arrest van 15 maart 2017, Polynt/ECHA,C‑323/15 P, EU:C:2017:207, punt 22).
30
Om de samenhangendheid te waarborgen tussen de in titel VII van de REACH-verordening neergelegde autorisatieregeling en de overige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de Unie waarmee de gezondheid van de mens of het milieu moeten worden beschermd tegen de risico’s in verband met het gebruik van chemische stoffen, mogen op grond van artikel 58, lid 2, van die verordening bepaalde vormen van gebruik of categorieën van gebruik van de autorisatieplicht worden vrijgesteld, „mits het risico naar behoren wordt beheerst op grond van de bestaande specifieke gemeenschapswetgeving die minimumeisen aan het gebruik van de stof stelt in verband met de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu”.
31
Uit die bepaling volgt duidelijk dat bepaalde vormen van gebruik of categorieën van gebruik van de autorisatieplicht mogen worden vrijgesteld indien aan twee voorwaarden wordt voldaan. Die voorwaarden houden in dat „specifieke gemeenschapswetgeving [...] minimumeisen aan het gebruik van de stof stelt in verband met de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu” en dat „het risico naar behoren wordt beheerst”. Uit de duidelijke bewoordingen van die bepaling volgt ook dat die voorwaarden cumulatief zijn, zodat, zoals het Gerecht in hoofdzaak in de punten 32 en 64 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, reeds wanneer aan een van die voorwaarden niet wordt voldaan, de vrijstelling moet worden geweigerd.
32
Voor het overige is een restrictieve uitlegging van die bepaling geboden omdat zij een afwijkende bepaling is.
33
Wat de vraag betreft of de richtlijnen 98/24 en 2004/37 onder de eerste van die voorwaarden vallen, moet worden vastgesteld of die richtlijnen kunnen worden beschouwd als specifieke wetgeving die minimumeisen voor de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu in geval van gebruik van de stof oplegt.
34
Volgens vaste rechtspraak moeten de betekenis en de draagwijdte van de uitdrukking „specifieke wetgeving”, waarvoor de REACH-verordening geen definitie geeft, worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, met inachtneming van de context waarin zij wordt gebruikt en de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie naar analogie arrest van 24 juni 2015, Hotel Sava Rogaška,C‑207/14, EU:C:2015:414, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
De gebruikelijke betekenis van het adjectief „specifiek” duidt in de omgangstaal op hetgeen bij een zaak hoort, op wat er bijzonder voor is en ze onderscheidt van de andere zaken, en is dus tegengesteld aan wat algemeen is. Overeenkomstig die gebruikelijke betekenis moet de uitdrukking „specifieke wetgeving” in artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening aldus worden uitgelegd dat zij, op zijn minst, doelt op iedere richtlijn of iedere verordening waarin bijzondere regels voor de betrokken stof zijn neergelegd. Die uitdrukking duidt op het tegendeel van een wetgeving die een algemeen en abstract gedefinieerde groep stoffen of categorie gebruiken regelt.
36
VECCO e.a. betogen echter dat de in artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening bedoelde vrijstelling vormen van gebruik of categorieën van gebruik betreft en niet de stoffen. Om te bepalen of die vrijstelling toepasselijk is zou dus niet zozeer moeten worden onderzocht of de betrokken stof in de betrokken wetgeving uitdrukkelijk wordt vermeld, maar veeleer of ingevolge die wetgeving in de praktijk de risico’s die aan de betrokken vormen van gebruik of categorieën gebruik verbonden zijn naar behoren kunnen worden beheerst. Het Gerecht heeft dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de richtlijnen 98/24 en 2004/37 geen specifieke wetgeving vormen die minimumeisen stelt, op grond dat die richtlijnen chroomtrioxide niet uitdrukkelijk vermelden.
37
Dienaangaande zij opgemerkt dat de eerste volzin van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening weliswaar niet het begrip stof, en uitsluitend de begrippen vormen van gebruik of categorieën van gebruik hanteert, maar dat neemt niet weg dat het vrijstellingsmechanisme een onlosmakelijk verband tussen een stof en de vormen of categorieën van gebruik ervan impliceert.
38
De REACH-verordening strekt blijkens haar opschrift en haar algemene economie ertoe, de stoffen te reguleren. De in titel VII van die verordening neergelegde autorisatieregeling is meer in het bijzonder bedoeld voor de stoffen die, wegens hun kenmerkende eigenschappen, als zeer zorgwekkend worden beschouwd en daarom op den duur moeten worden vervangen.
39
Zoals blijkt uit artikel 55 van dezelfde verordening, kunnen die stoffen slechts op de markt worden gebracht op basis van een autorisatie waardoor moet worden gewaarborgd dat de aan het gebruik ervan verbonden risico’s naar behoren worden beheerst. Dat is de reden waarom aan de toekenning van een autorisatie op basis van artikel 60 van dezelfde verordening een evaluatie van de risico’s onder de in artikel 64 van die verordening vastgelegde voorwaarden voorafgaat.
40
Voor het overige moeten in het besluit om een stof in bijlage XIV bij de REACH-verordening op te nemen, overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder e), van die verordening met name de vormen of categorieën van gebruik die in voorkomend geval zijn vrijgesteld van de autorisatieplicht en de eventuele voorwaarden voor deze vrijstellingen worden vermeld.
41
Zoals het Gerecht bovendien, in hoofdzaak, terecht in de punten 41 en 44 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, zou de door VECCO e.a. voorgestane uitlegging van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening er onder meer op neerkomen dat iedere carcinogene stof van categorie I of II noodzakelijkerwijs van de autorisatieplicht zou moeten worden vrijgesteld voor de vormen van gebruik ervan voor beroepsmatige doeleinden, op grond dat richtlijn 2004/37 die vormen van soort gebruik regelt voor alle carcinogene stoffen. Een dergelijke uitlegging is onverenigbaar zowel met de bewoordingen als met de doelstelling van de autorisatieregeling waarin titel VII van REACH-verordening voorziet voor zeer zorgwekkende stoffen, zoals de carcinogene stoffen van categorie I of II.
42
Nu het Gerecht in de onderhavige zaak terecht heeft vastgesteld dat de richtlijnen 98/24 en 2004/37 geen specifieke bepaling voor chroomtrioxide bevatten die minimumeisen voor de bescherming van de menselijke gezondheid of het milieu in geval van gebruik van die stof oplegt, heeft het Gerecht dan ook met de motivering in de punten 37 tot en met 45 van het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat die richtlijnen geen „specifieke wetgeving” in de zin van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening vormen. Het Gerecht heeft dus in punt 63 het bestreden arrest op goede gronden geconcludeerd dat de eerste van de twee door die bepaling gestelde voorwaarden niet vervuld was en daarmee in punt 66 van het bestreden arrest de verwerping van het aan schending van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening ontleende middel kunnen rechtvaardigen.
43
Uit een en ander volgt dat het eerste middel van de hogere voorziening op die enkele grond ongegrond moet worden verklaard.
44
Het tweede en het derde middel van de hogere voorziening zijn subsidiair aangevoerd, voor het geval het eerste middel mocht worden aanvaard. Aangezien het eerste middel is verworpen, kunnen het tweede en het derde middel van de hogere voorziening niet slagen.
Kosten
45
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van hetzelfde reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dit laatste van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
46
Artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen.
47
Krachtens artikel 184, lid 4, van dat Reglement voor de procesvoering kan het Hof beslissen dat een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en aan de schriftelijke of mondelinge behandeling bij het Hof heeft deelgenomen, haar eigen kosten draagt.
48
Aangezien VECCO e.a. in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie.
49
De Franse Republiek, interveniënte in hogere voorziening, zal haar eigen kosten dragen.
50
Het ECHA, interveniënte in eerste aanleg, zal zijn eigen kosten dragen.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Verein zur Wahrung von Einsatz und Nutzung von Chromtrioxid und anderen Chrom-VI-Verbindungen in der Oberflächentechnik eV (VECCO) en de overige partijen waarvan de naam voorkomt in bijlage I bij het onderhavige arrest, worden behalve in hun eigen kosten in de kosten van de Europese Commissie veroordeeld.
3)
De Franse Republiek en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) zullen hun eigen kosten dragen.
ondertekeningen
BIJLAGE I
Lijst van verzoekende partijen
Verein zur Wahrung von Einsatz und Nutzung von Chromtrioxid und anderen Chrom-VI-Verbindungen in der Oberflächentechnik eV (VECCO), gevestigd te Memmingen (Duitsland),
Adolf Krämer GmbH & Co. KG, gevestigd te Ulm (Duitsland),
AgO Argentum GmbH Oberflächenveredelung, gevestigd te Neurenberg (Duitsland),
Alfred Kruse GmbH Metallveredelungen, gevestigd te Langenfeld (Duitsland),
AL-Oberflächenveredelungsgesellschaft mbH, gevestigd te Wuppertal (Duitsland),
Anke GmbH & Co. KG Oberflächentechnik, gevestigd te Essen (Duitsland),
ATC Armoloy Technology Coatings GmbH & Co. KG, gevestigd te Mosbach (Duitsland),
August Schröder GmbH & Co. KG Oberflächenveredelung, gevestigd te Hemer (Duitsland),
August Sure KG, gevestigd te Lüdenscheid (Duitsland),
Baaske Oberflächenveredelung GmbH, gevestigd te Wuppertal,
Hartchrom Beck GmbH, gevestigd te Güglingen (Duitsland),
Bredt GmbH, gevestigd te Meschede (Duitsland),
Breidert Galvanic GmbH, gevestigd te Darmstadt (Duitsland),
Chrom-Müller Metallveredelung GmbH, gevestigd te Oberndorf am Neckar (Duitsland),
Chrom-Schmitt GmbH & Co. KG, gevestigd te Baden-Baden (Duitsland),
C. Hübner GmbH, gevestigd te Marktoberdorf (Duitsland),
C. W. Albert GmbH & Co. KG, gevestigd te Hemer-Bredenbruch (Duitsland),
Detlef Bingen GmbH, gevestigd te Langenfeld,
Dittes Oberflächentechnik GmbH, gevestigd te Keltern (Duitsland),
Duralloy Süd GmbH, gevestigd te Villingen-Schwenningen (Duitsland),
Durochrom-Bogatzki, gevestigd te Oberndorf am Neckar,
Metallveredelung Emil Weiß GmbH & Co. KG, gevestigd te Mitwitz (Duitsland),
Ewald Siodla Metallveredelungsgesellschaft mbH, gevestigd te Witten (Duitsland),
Flügel CSS GmbH & Co. KG, gevestigd te Solingen (Duitsland),
Fritz Zehnle Galvanische Anstalt, Inh. Gerd Joos eK, gevestigd te Triberg (Duitsland),
Galvanoform Gesellschaft für Galvanoplastik mbH, gevestigd te Lahr (Duitsland),
Galvano Herbert Geske eK, gevestigd te Solingen,
Galvanotechnik Friedrich Holst GmbH, gevestigd te Hamburg (Duitsland),
Galvano Weis, Weis GmbH & Co., Galvanische Werkstätte KG, gevestigd te Emmering (Duitsland),
gebr. böge Metallveredelungs GmbH, gevestigd te Hamburg,
Hans Giesbert GmbH & Co. KG, gevestigd te Mömbris (Duitsland),
Groz-Beckert KG, gevestigd te Albstadt (Duitsland),
GTW GmbH, gevestigd te Werl (Duitsland),
GWC Coating GmbH, gevestigd te Villingen-Schwenningen,
Hartchrom Beuthel GmbH, gevestigd te Schwelm (Duitsland),
Hartchrom Erb GmbH, gevestigd te Weiterstadt (Duitsland),
Hartchrom GmbH, gevestigd te Karlsruhe (Duitsland),
Hartchrom GmbH Werner Kreuz, gevestigd te Blumberg (Duitsland),
Hartchrom Schoch GmbH, gevestigd te Sternenfels (Duitsland),
Hartchrom Teikuro Automotive GmbH, gevestigd te Sternenfels,
Heine Optotechnik GmbH & Co. KG, gevestigd te Herrsching (Duitsland),
Heinrich Schnarr GmbH Metallveredlungswerk, gevestigd te Mainaschaff (Duitsland),
Heinrich Schulte Söhne GmbH & Co. KG, gevestigd te Arnsberg (Duitsland),
Heinz Daurer und Söhne GmbH & Co. KG Metall-Veredelung-Lampertheim, gevestigd te Lampertheim (Duitsland),
Helmut Gossmann Metallveredelungs-GmbH, gevestigd te Goldbach (Duitsland),
Henry Gevekoth GmbH, gevestigd te Hamburg,
Heyer GmbH Oberflächentechnik, gevestigd te Lübeck (Duitsland),
HFJ Galvano Kiel GmbH, gevestigd te Kiel (Duitsland),
Hueck Engraving GmbH & Co. KG, gevestigd te Viersen (Duitsland),
Imhof Hartchrom GmbH, gevestigd te Karlstadt (Duitsland),
Johannes Jander GmbH & Co. KG Metalloberflächenveredelung, gevestigd te Iserlohn (Duitsland),
Johann Maffei GmbH & Co. KG, gevestigd te Iserlohn-Simmern (Duitsland),
Kesseböhmer Beschlagsysteme GmbH & Co. KG, gevestigd te Bad Essen (Duitsland),
Knipex-Werk C. Gustav Putsch KG, gevestigd te Wuppertal,
Kreft & Röhrig GmbH, gevestigd te Troisdorf-Friedrich-Wilhelms Hütte (Duitsland),
Kriebel Metallveredelung GmbH, gevestigd te Kirschfurt (Duitsland),
LKS Kronenberger GmbH Metallveredlungswerk, gevestigd te Seligenstadt (Duitsland),
Kunststofftechnik Bernt GmbH, gevestigd te Kaufbeuren (Duitsland),
L B – Oberflächentechnik GmbH, gevestigd te Wuppertal,
Linder Metallveredelungsgesellschaft mbH, gevestigd te Albstadt (Duitsland),
Metallisierwerk Peter Schreiber GmbH, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),
Montanhydraulik GmbH, gevestigd te Holzwickede (Duitsland),
Morex SpA, gevestigd te Crespano del Grappa (Italië),
Motoren-Sauer Instandsetzungs-GmbH, gevestigd te Hösbach (Duitsland),
MSC/Copperflow Ltd, gevestigd te Bolton, Greater Manchester (Verenigd Koninkrijk),
Neumeister Hydraulik GmbH, gevestigd te Neuenstadt am Kocher (Duitsland),
Nießer Metallveredelung GmbH, gevestigd te Röthenbach an der Pegnitz (Duitsland),
Norddeutsche Hartchrom GmbH & Co. KG, gevestigd te Ganderkesee (Duitsland),
Oberflächenzentrum Elz GmbH, gevestigd te Limburg (Duitsland),
OK Oberflächenveredelung GmbH & Co. KG, gevestigd te Sundern (Duitsland),
OTH Oberflächentechnik Hagen GmbH & Co. KG, gevestigd te Hagen (Duitsland),
OT Oberflächentechnik GmbH & Co. KG, gevestigd te Schwerin (Duitsland),
Präzisionsgalvanik GmbH Wolfen, gevestigd te Bitterfeld-Wolfen (Duitsland),
Rahrbach GmbH, gevestigd te Heiligenhaus (Duitsland),
Rudolf Clauss GmbH & Co. KG Metallveredlung, gevestigd te Mülheim an der Ruhr (Duitsland),
Rudolf Jatzke Galvanik-Hartchrom Günter Holthöfer GmbH & Co. KG, gevestigd te Bielefeld (Duitsland),
Schaeffler Technologies AG & Co. KG, gevestigd te Herzogenaurach (Duitsland),
Scherer GmbH, gevestigd te Haslach im Kinzigtal (Duitsland),
Schmitz Hydraulikzylinder GmbH, gevestigd te Büttelborn (Duitsland),
Schnarr Metallveredlung GmbH, gevestigd te Waiblingen (Duitsland),
Schornberg Galvanik GmbH, gevestigd te Lippstadt (Duitsland),
Robert Schrubstock GmbH & Co. KG, gevestigd te Velbert (Duitsland),
Schulte Hartchrom GmbH, gevestigd te Arnsberg,
Schwing GmbH, gevestigd te Sankt Stefan im Lavanttal (Oostenrijk),
Silit-Werke GmbH & Co. KG, gevestigd te Riedlingen (Duitsland),
Steinbach & Vollmann GmbH & Co. KG, gevestigd te Heiligenhaus,
Strötzel Oberflächentechnik GmbH & Co. KG, gevestigd te Hildesheim (Duitsland),
Süss Oberflächentechnik GmbH, gevestigd te Wetzlar (Duitsland),
Thoma Metallveredelung GmbH, gevestigd te Heimertingen (Duitsland),
Viemetall Viersener Metallveredlung Pottel GmbH & Co. KG, gevestigd te Viersen (Duitsland),
Walzen-Service-Center GmbH, gevestigd te Oberhausen (Duitsland),
Wavec GmbH, gevestigd te Eisenhüttenstadt (Duitsland),
Wilhelm Bauer GmbH & Co. KG, gevestigd te Hannover (Duitsland),
Willy Remscheid Galvanische Anstalt GmbH, gevestigd te Solingen,
Willy Remscheid Kunststofftechnik GmbH, gevestigd te Velbert,
Wiotec, Inhaber Udo Wilmes eK, gevestigd te Ense (Duitsland),
Wissing Hartchrom GmbH, gevestigd te Lohmar (Duitsland),
alfi GmbH Isoliergefäße, Metall- und Haushaltswaren, gevestigd te Wertheim (Duitsland),
BIA Kunststoff- und Galvanotechnik GmbH & Co. KG, gevestigd te Solingen,
Siegfried Boner eK, gevestigd te Villingen-Schwenningen,
Bruchmühlbacher Galvanotechnik (BG) GmbH, gevestigd te Bruchmühlbach-Miesau (Duitsland),
C + C Krug GmbH, gevestigd te Velbert,
Collini GmbH, gevestigd te Aperg (Duitsland),
Collini Gesellschaft mbH, gevestigd te Hohenems (Oostenrijk),
Collini GmbH, gevestigd te Marchtrenk (Oostenrijk),
ColliniWien GmbH, gevestigd te Wenen (Oostenrijk),
Federal-Mogul TP Europe GmbH & Co KG, gevestigd te Burscheid (Duitsland),
Fischer GmbH & Co. surface technologies KG, gevestigd te Katzenelnbogen (Duitsland),
Friederici Oberflächenveredlung GmbH, gevestigd te Iserlohn,
Galvano Wittenstein GmbH, gevestigd te Solingen,
Gedore-Werkzeugfabrik GmbH & Co. KG, gevestigd te Remscheid (Duitsland),
Gerhardi Kunststofftechnik GmbH, gevestigd te Lüdenscheid,
Gosma – Werkzeugfabrik und Metallveredelung Weber GmbH, gevestigd te Gosheim (Duitsland),
Hartchrom-Meuter Ernst Meuter GmbH & Co. KG, gevestigd te Solingen,
Hartchrom Spezialbeschichtung Winter GmbH, gevestigd te Treuen (Duitsland),
Hasler AG, Aluminiumveredlung, gevestigd te Turgi (Zwitserland),
Hartchrom Haslinger Oberflächentechnik GmbH, gevestigd te Linz (Oostenrijk),
Hentschel Harteloxal GmbH & Co. KG, gevestigd te Schorndorf (Duitsland),
Kammin Metallveredelung KG, gevestigd te Friesenheim (Duitsland),
Karl-Heinz Bauer GmbH Galvanische Anstalt, gevestigd te Ispringen (Duitsland),
Maschinenfabrik KBA-Mödling AG, gevestigd te Maria Enzersdorf (Oostenrijk),
Albert Kißling Galvanische Werke GmbH, gevestigd te Neusäß (Duitsland),
KME Germany GmbH & Co. KG, gevestigd te Osnabrück (Duitsland),
Lahner KG, gevestigd te Brunn am Gebirge (Oostenrijk),
Liebherr-Aerospace Lindenberg GmbH, gevestigd te Lindenberg (Duitsland),
MTU Aero Engines AG, gevestigd te München (Duitsland),
MTU Maintenance Hannover GmbH, gevestigd te Langenhagen (Duitsland),
Münze Österreich AG, gevestigd te Wenen,
Nehlsen-BWB Flugzeug-Galvanik Dresden GmbH & Co. KG, gevestigd te Dresden (Duitsland),
Orbis Will GmbH + Co. KG, gevestigd te Ahaus (Duitsland),
Riag Oberflächentechnik AG, gevestigd te Wängi (Zwitserland),
Franz Rieger Metallveredlung, gevestigd te Steinheim am Albuch (Duitsland),
Saxonia Galvanik GmbH, gevestigd te Halsbrücke (Duitsland),
Schweizer Galvanotechnic GmbH & Co. KG, gevestigd te Heilbronn (Duitsland),
G. Schwepper Beschlag GmbH & Co, gevestigd te Heiligenhaus,
R. Spitzke Oberflächen- und Galvanotechnik GmbH & Co. KG, gevestigd te Barsbüttel (Duitsland),
Stahl Judenburg GmbH, gevestigd te Judenburg (Oostenrijk),
VTK Veredelungstechnik Krieglach GmbH, gevestigd te Krieglach (Oostenrijk),
STI Surface Technologies International Holding AG, gevestigd te Steinach (Zwitserland),
Witech GmbH, gevestigd te Remscheid,
Kurt Zecher GmbH, gevestigd te Paderborn (Duitsland),
De Martin AG, Metallveredelung, gevestigd te Wängi,
Hattler & Sohn GmbH, gevestigd te Villingen-Schwenningen,
Alfacrom 2000 Srl, gevestigd te Fiume Veneto (Italië),
F.LLI Angelini Sud Srl, gevestigd te Arzano (Italië),
Bertola Srl, gevestigd te Marene (Italië),
Bugli Srl, gevestigd te Scandicci (Italië),
Burello Srl, gevestigd te Pavia di Udine (Italië),
Galvanica CMB Di Bittante Franco EC Snc, gevestigd te Scorzé (Italië),
Casprini Gruppo Industriale SpA, gevestigd te Cavrilia (Italië),
CFG Rettifiche Srl, gevestigd te Argenta (Italië),
CIL – Cromatura e Rettifica Srl, gevestigd te Esine (Italië),
Cromatura Dura Srl, gevestigd te Lozza (Italië),
Cromital Srl, gevestigd te Parma (Italië),
Cromoflesch Di Bolletta Giuseppe & C. Snc, gevestigd te Salzano (Italië),
Cromogalante Srl, gevestigd te Padua (Italië),
Cromotrevigiana Srl, gevestigd te Ponzano Veneto (Italië),
Elezinco Srl, gevestigd te Castelfidardo (Italië),
Galvanica Nobili Srl, gevestigd te Marano sul Panaro (Italië),
Galvanotecnica Vignati Srl, gevestigd te Canegrate (Italië),
Galvitek Srl, gevestigd te Verona (Italië),
Gilardoni Vittorio Srl, gevestigd te Mandello del Lario (Italië),
Industria Galvanica Dalla Torre Ermanno e Figli Srl, gevestigd te Villorba (Italië),
La Galvanica Trentina Srl, gevestigd te Rovereto (Italië),
Nicros Srl, gevestigd te Conegliano (Italië),
OCM Di Liboà Mauro & C. Snc, gevestigd te Mondovì (Italië),
Rubinetterie Zazzeri SpA, gevestigd te Incisa Valdarno (Italië),
Silga SpA, gevestigd te Castelfidarno (Italië),
Surcromo Di Suttora Marco, gevestigd te Pieve Emanuele (Italië),
Tobaldini SpA, gevestigd te Altavilla Vicentina (Italië),
Tre Albi SNC Di Trentin Silvano Bittante Mario & Albanese Giancarlo, gevestigd te Vedelago (Italië),
Adolf Boos GmbH & Co. KG, gevestigd te Iserlohn,
Henkel Beiz- und Elektropoliertechnik GmbH & Co. KG, gevestigd te Waidhofen an der Thaya (Oostenrijk),
Saueressig GmbH & Co. KG, gevestigd te Vreden (Duitsland),
Saueressig Polska sp. z o.o., gevestigd te Tarnowo Podgórne (Polen),
Wetzel GmbH, gevestigd te Grenzach-Wyhlen (Duitsland),
Wetzel sp. z o.o., gevestigd te Duchnów (Polen),
Apex Cylinders Ltd, gevestigd te Bristol (Verenigd Koninkrijk),
Federal-Mogul Burscheid GmbH, gevestigd te Burscheid,
Federal-Mogul Friedberg GmbH, gevestigd te Friedberg (Duitsland),
Federal-Mogul Vermögensverwaltungs-GmbH, gevestigd te Burscheid,
Federal-Mogul Operations France SAS, gevestigd te Saint-Jean-de-la-Ruelle (Frankrijk),
Dietmar Schrick GmbH, gevestigd te Solingen,
Cromatura Dalla Torre Sergio Snc Di Dalla Torre Sergio EC, gevestigd te Breda di Tiave (Italië),
Hartchromwerk Brunner AG, gevestigd te Sankt Gallen (Zwitserland),
Schulz Hartchrom GmbH, gevestigd te Hamburg,
BIJLAGE II
Lijst van interveniënten in eerste aanleg
Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA),
Assogalvanica, gevestigd te Padua,
Ecometal, gevestigd te Treviso (Italië),
European Committee for Surface Treatment (CETS), gevestigd te Leuven (België),
Österreichische Gesellschaft für Oberflächentechnik (AOT), gevestigd te Wenen,
Surface Engineering Association (SEA), gevestigd te Birmingham (Verenigd Koninkrijk),
Zentralverband Oberflächentechnik eV (ZVO), gevestigd te Hilden (Duitsland),
Eco-Chim Galvanotecnica di Antoniazzi G. & C. Snc, gevestigd te Codognè (Italië),
Heiche Oberflächentechnik GmbH, gevestigd te Schwaigern (Duitsland),
Schwäbische Härtetechnik Ulm GmbH & Co. KG, gevestigd te Ulm,
Trattamento superfici metalliche Srl (TSM), gevestigd te Schio (Italië),
Aros Hydraulik GmbH, gevestigd te Memmingen,
Berndorf Band GmbH, gevestigd te Berndorf (Oostenrijk),
Eberhard Derichs Maschinen- und Apparatebau GmbH, gevestigd te Krefeld (Duitsland),
Friedrich Fausel Metalldrückerei, gevestigd te Herrlingen (Duitsland),
Goldhofer AG, gevestigd te Memmingen,
Heidelberger Druckmaschinen AG, gevestigd te Heidelberg (Duitsland),
Huhtamaki Flexible Packaging Duitsland GmbH & Co. KG, gevestigd te Ronsberg (Duitsland),
ITW Automotive Products GmbH, gevestigd te Hodenhagen (Duitsland),
Josef Van Baal GmbH, gevestigd te Krefeld,
Kleinvoigtsberger Elektrobauelemente GmbH, gevestigd te Großschirma (Duitsland),
Kniggendorf & Kögler GmbH, gevestigd te Laatzen (Duitsland),
Liebherr-Components Kirchdorf GmbH, gevestigd te Kirchdorf (Duitsland),
Max Hilscher GmbH, gevestigd te Dornstadt (Duitsland),
Mora Metrology GmbH, gevestigd te Aschaffenburg (Duitsland),
Norsystec – Nohra-System-Technik GmbH, gevestigd te Nohra (Duitsland),
Otto Littmann Maschinenfabrik - Präzisionsmechanik GmbH, gevestigd te Hamburg,
Provertha Connectors Cables & Solutions GmbH, gevestigd te Pforzheim (Duitsland),
Roland Merz, wonende te Ober-Ramstadt (Duitsland),
Schwing-Stetter Baumaschinen GmbH, gevestigd te Wenen,
SML Maschinengesellschaft mbH, gevestigd te Lenzing (Oostenrijk),
ThyssenKrupp Steel Europe AG, gevestigd te Duisburg (Duitsland),
Windmöller & Hölscher KG, gevestigd te Lengerich (Duitsland).
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy