16.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 89/14
Hogere voorziening ingesteld op 25 januari 2015 door Photo USA Electronic Graphic, Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 18 november 2014 in zaak T-394/13, Photo USA Electronic Graphic, Inc./Raad van de Europese Unie
(Zaak C-31/15 P)
(2015/C 089/15)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Photo USA Electronic Graphic, Inc. (vertegenwoordiger: K. Adamantopoulos, advocaat)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie, Ancàp SpA, Cerame-Unie AISBL, Confindustria Ceramica, Verband der Keramischen Industrie eV
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 november 2014 in zaak T-394/13 Photo USA Electronic Graphic, Inc./Raad vernietigen, waarbij het Gerecht het verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 412/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op keuken- en tafelgerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China (1) heeft afgewezen;
—
de beoordeling voltooien en verordening (EU) nr. 412/2013 nietig verklaren; en
—
de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten van rekwirante in verband met deze hogere voorziening alsmede in de kosten in verband met de procedure voor het Gerecht in zaak T-394/13.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante betoogt dat het Gerecht bij zijn beoordeling van het eerste, derde en vierde middel blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en het overgelegde bewijs onjuist heeft opgevat. Rekwirante stelt dan ook dat het bestreden arrest moet worden vernietigd. Verder stelt rekwirante dat de feiten die ten grondslag liggen aan het eerste, tweede en derde middel in voldoende mate vaststaan om het Hof van Justitie in staat te stellen daarover uitspraak te doen.
Wat het eerste middel betreft draagt rekwirante twee beroepsgronden aan. Om te beginnen heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de bewijslast ter zake van de onjuiste beoordeling door de instellingen van de door hen relevant geachte factoren bij rekwirante te leggen. Volgens vaste rechtspraak van het Gerecht volstaat het indien rekwirante aantoont ofwel (1) dat de instellingen een onjuiste beoordeling van de door hen relevante geachte feiten hebben verricht, ofwel (2) dat de toepassing van andere, meer relevante factoren tot de uitsluiting ervan zou hebben geleid. In dat verband is de vaststelling dat de instellingen ten aanzien van twee van de drie door hen relevant geachte factoren een onjuiste beoordeling hebben verricht voldoende om aan te nemen dat rekwirante heeft voldaan aan de bewijslast. Verder berust het oordeel waartoe het Gerecht in het bestreden arrest komt op een onjuiste opvatting van het bewijs en de feiten.
Ten aanzien van het derde en vierde middel draagt rekwirante vier beroepsgronden aan. Ten eerste heeft het Gerecht de bepalingen vervat in de leden 2 en 7 van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (2) („basisverordening”) onjuist uitgelegd door te oordelen dat de instellingen pas gehouden zijn de gevolgen van concurrentiebeperkende praktijken voor de toestand van de bedrijfstak in de Unie te onderzoeken nadat het bestaan van dergelijke concurrentiebeperkende praktijken is bevestigd in een definitief besluit van de betrokken mededingingsautoriteit. Ten tweede heeft het Gerecht bij zijn afwijzing van het verzoek van rekwirante om de identiteit bekend te maken van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, het beschikbare bewijs onjuist opgevat en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in staat te achten tot het onderzoek of de instelling heeft voldaan aan artikel 3, leden 2 en 4, van de basisverordening zonder op de hoogte te zijn van de identiteit van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Ten derde berust het bestreden arrest op een onjuiste uitlegging van de bepalingen vervat in de leden 2 en 7 van artikel 3 van de basisverordening en is hierin een onredelijke bewijslast bij rekwirante neergelegd doordat in dit arrest aan rekwirante de verplichting is opgelegd om positief bewijs te leveren van de gevolgen van de concurrentiebeperkende praktijken voor de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie terwijl de identiteit van de in de steekproef opgenomen producenten geheim wordt gehouden. Ten vierde berust het bestreden arrest ook op een onjuiste uitlegging van de bepalingen vervat in de leden 2 en 7 van artikel 3 van de basisverordening doordat daarin tot de slotsom wordt gekomen dat aan de relevante verplichtingen kan worden voldaan door slechts uit te gaan van niet nader uitgewerkte veronderstellingen in plaats van door een daadwerkelijk onderzoek uit te voeren.
(1) PB L 131, blz. 1.
(2) PB L 343, blz. 51.
Full & Egal Universal Law Academy