26.5.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 171/20
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) op 6 maart 2015 — Secretary of State for the Home Department/NA
(Zaak C-115/15)
(2015/C 171/24)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Secretary of State for the Home Department
Verwerende partij: NA
Prejudiciële vragen
1)
Kan een uit een derde land afkomstige ex-echtgeno(o)t(e) van een burger van de Unie slechts een verblijfsrecht op grond van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2004/38/EG (1) behouden, indien hij of zij kan aantonen dat zijn of haar voormalige echtgeno(o)t(e) ten tijde van hun echtscheiding Verdragsrechten uitoefende in de gastlidstaat?
2)
Heeft een burger van de Unie een EU-recht om in een gastlidstaat te verblijven op grond van de artikelen 20 VWEU en 21 VWEU, wanneer het enige land binnen de EU waar hij het recht heeft te verblijven, het land is waarvan hij de nationaliteit heeft, maar een bevoegde rechter feitelijk heeft vastgesteld dat het verwijderen van de burger uit de gastlidstaat naar de staat waarvan hij de nationaliteit heeft, diens rechten op grond van artikel 8 EVRM of artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou schenden?
3)
Indien de (hierboven) in de tweede vraag bedoelde burger van de Unie een kind is, heeft de ouder die als enige de zorg heeft over dat kind, een afgeleid verblijfsrecht in de gastlidstaat, als het kind met de ouder mee zou moeten wanneer de ouder uit de gastlidstaat wordt verwijderd?
4)
Heeft een kind een verblijfsrecht in de gastlidstaat op grond van artikel 12 van verordening nr. 1612/68/EEG (2) (huidig artikel 10 van verordening (EU) nr. 492/2011 (3)), indien de ouder van het kind die een burger van de Unie is en in de gastlidstaat heeft gewerkt, zijn of haar verblijf in de gastlidstaat heeft beëindigd voordat het kind in die staat zijn scholing heeft aangevangen?
(1) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).
(2) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
(3) Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy