11.5.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 155/15
Hogere voorziening ingesteld op 11 maart 2015 door het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 2 februari 2015 in zaak T-577/14, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie
(Zaak C-125/15 P)
(2015/C 155/17)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. V. Placco en E. Beysen, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Gascogne Sack Deutschland GmbH en Gascogne
Conclusies
—
vernietiging van de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 2 februari 2015 in zaak T-577/14, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie, voor zover hierbij de tweede, derde en vierde vordering van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn verzoek aan het Gerecht overeenkomstig artikel 114 van zijn Reglement voor de procesvoering, worden afgewezen;
—
toewijzing van deze vorderingen en derhalve
—
primair, onder definitieve afdoening van het geding, het beroep tot schadevergoeding van Gascogne Sack Deutschland GmbH en Groupe Gascogne S.A. niet-ontvankelijk verklaren, omdat het gericht is tegen het Hof van Justitie van de Europese Unie (als vertegenwoordiger van de Unie);
—
subsidiar, voor het geval het Hof van Justitie van oordeel is dat het feit dat dit beroep tegen het Hof van Justitie van de Europese Unie is gericht en niet tegen de Commissie (als vertegenwoordiger van de Unie) geen gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van dit beroep, maar dat het Gerecht in zijn uitspraak op het voor hem door het Hof van Justitie van de Europese Unie opgeworpen procesincident, de substitutie van het Hof van Justitie van de Europese Unie door de Commissie als verwerende partij had moeten gelasten, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht opdat het uitspraak zou doen op de schadevordering van Gascogne Sack Deutschland GmbH en Groupe Gascogne S.A. met inachtneming van de rechtsvragen die door het Hof zijn beslist;
—
verwijzing van Gascogne Sack Deutschland GmbH en Groupe Gascogne S.A. in de kosten van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert rekwirant twee middelen aan: in de eerste plaats niet-inachtneming van de regels inzake de vertegenwoordiging van de Unie voor haar rechterlijke instanties en in de tweede plaats schending door het Gerecht van de motiveringsplicht.
Met het eerste middel aangaande de niet-inachtneming van de regels inzake de vertegenwoordiging van de Unie voor haar rechterlijke instanties, stelt het Hof van Justitie van de Europese Unie dat nu er geen uitdrukkelijke bepaling is die specifiek ziet op de vertegenwoordiging van de Unie voor haar rechterlijke instanties in het kader van vorderingen die zijn ingesteld op grond van artikel 268 VWEU, de regels over een dergelijke vertegenwoordiging moeten worden afgeleid uit de algemene beginselen die op de uitoefening van de gerechtelijke taak van toepassing zijn, met name het beginsel van een goede rechtsbedeling en de beginselen inzake de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.
Met zijn tweede middel voert rekwirant aan dat met de bestreden beschikking de motiveringsplicht is geschonden, nu zij geen specifieke afwijzing bevat van een voor het Gerecht uiteengezette redenering, welke redenering verband hield met de draagwijdte van de arresten C-40/12 P, Gascogne Sack/Commissie (1) en C-58/12 P, Groupe Gascogne/Commissie (2).
(1) EU:C:2013:768
(2) EU:C:2013:770
Full & Egal Universal Law Academy