20.7.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 236/30
Hogere voorziening ingesteld op 27 mei 2015 door Land Hessen tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 17 maart 2015 in zaak T-89/09, Pollmeier Massivholz GmbH & Co. KG/Europese Commissie
(Zaak C-242/15 P)
(2015/C 236/41)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Land Hessen (vertegenwoordigers: U. Soltész, A. Richter, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Pollmeier Massivholz GmbH & Co. KG, Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 17 maart 2015 in zaak T-89/09 vernietigen, voor zover daarbij besluit C (2008) 6017 definitief van de Commissie van 21 oktober 2008, staatssteun N 512/2007 — Duitsland, Abalon Hardwood Hessen GmbH, nietig wordt verklaard;
—
het beroep in zijn geheel verwerpen;
—
Pollmeier Massivholz GmbH & Co. KG verwijzen in de kosten die rekwirant zijn opgekomen in de procedures voor het Gerecht en het Hof.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirant voert in totaal vier middelen aan:
1.
Met zijn eerste middel voert rekwirant aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie te miskennen. De bepaling van de waarde van steun in de vorm van garanties is een economisch ingewikkelde kwestie waarbij de Commissie over beoordelingsbevoegdheid beschikt. Die beoordelingsvrijheid heeft de Commissie in haar jarenlange besluitpraktijk aldus uitgeoefend dat zij de waarde van steun die door de Duitse deelstaten wordt verleend in de vorm van garanties, overeenkomstig de richtsnoeren van de Duitse autoriteiten begroot op 0,5 % van de waarde van de garantie. Dat later de garantiemededeling 2000 werd bekendgemaakt, doet daaraan niets af.
2.
Daarenboven heeft het Gerecht miskend (tweede middel) dat het steunbegrip van artikel 107 VWEU een objectief begrip is dat niet kan worden beïnvloed door goedkeuring door de Commissie. De waarde van steun in de vorm van een garantie kan niet veranderen doordat de steunregeling wordt goedgekeurd. Dat geldt met name voor de-minimissteunmaatregelen, aangezien deze sowieso niet onder 107 VWEU vallen en daarom al helemaal niet het voorwerp kunnen uitmaken van een goedkeuringsbesluit van de Commissie.
3.
Met het derde middel beroept rekwirant zich op schending van het gelijkheidsbeginsel. Hoewel er bij de berekening van de waarde van steun in de vorm van garanties in wezen geen verschil bestaat naargelang die steun wordt verleend op basis van goedgekeurde dan wel niet-goedgekeurde steunregelingen, worden beide situaties zonder objectieve rechtvaardiging ongelijk behandeld. Daarenboven geeft het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting door bij de toepassing van de 0,5 %-methode onderscheid te maken naargelang de garanties werden verleend vóór of na bekendmaking van de garantiemededeling 2000. De praktijk van de Commissie tegenover Duitsland is evenwel voor het onderhavige geval specifieker dan de algemene garantiemededeling. Bovendien zou de litigieuze berekeningsmethode zelfs dan toegelaten zijn wanneer zij zou moeten worden getoetst aan de garantiemededeling 2000.
4.
Ten slotte bekritiseert rekwirant met het vierde middel een onjuiste toepassing van het recht bij de beoordeling van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Om te beginnen komt bescherming toe aan het vertrouwen dat bij het Land Hessen is ontstaan doordat de Commissie de 0,5 %-methode heeft aanvaard in haar jarenlange besluitpraktijk en bovendien uitdrukkelijk heeft bevestigd in haar brief van 1998. Daarenboven heeft de Commissie tijdens de uitgebreide procedure tot toetsing van de Hessische richtsnoeren inzake garanties geen bezwaar gemaakt tegen de 0,5 %-methode.
Full & Egal Universal Law Academy