7.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 294/26
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van Cassatie (België) op 8 juni 2015 — Rijksdienst voor Pensioenen tegen Willem Hoogstad; andere partij: Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering
(Zaak C-269/15)
(2015/C 294/32)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Rijksdienst voor Pensioenen
Verweerder: Willem Hoogstad
Andere partij: Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering
Prejudiciële vraag
Moet artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 (1) van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen zo worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een bijdrage — zoals de op grond van artikel 191, eerste lid, 7o, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verrichte inhouding en de op grond van artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen verschuldigde solidariteitsbijdrage — wordt geheven op prestaties van Belgische aanvullende pensioenstelsels die geen wettelijke regelingen zijn in de zin van artikel 1, sub j, eerste alinea, van deze verordening. ingeval die prestaties verschuldigd zijn aan een niet in België wonende rechthebbende die overeenkomstig artikel 13, lid 2, sub f, van die verordening onderworpen is aan de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waarin hij woont?
(1) PB L 149, blz. 2.
Full & Egal Universal Law Academy