14.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 302/20
Hogere voorziening ingesteld op 3 juli 2015 door Johannes Tomana e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 22 april 2015 in zaak T-190/12, Johannes Tomana e.a./Raad van de Europese Unie, Europese Commissie
(Zaak C-330/15 P)
(2015/C 302/25)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwiranten: Johannes Tomana e.a. (vertegenwoordigers: M. O’Kane, solicitor, M. Lester, Z. Al-Rikabi, barristers)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Conclusies
het arrest van het Gerecht vernietigen; de litigieuze maatregelen nietig verklaren voor zover zij betrekking hebben op rekwiranten, en verwerende partijen verwijzen in de kosten van rekwiranten in eerste aanleg en in hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
Eerste middel: het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de litigieuze verordening een geldige rechtsgrondslag had. De enige expliciete rechtsgrondslag ervan gaf de Commissie de bevoegdheid om verordening nr. 314/2004 (1) te wijzigen op grond van een Gemeenschappelijk Standpunt dat sindsdien is ingetrokken en niet als zodanig kan worden uitgelegd als zou het in plaats daarvan naar een later besluit verwijzen.
Tweede middel: het Gerecht heeft ten onrechte heeft overwogen dat personen konden worden opgenomen in de litigieuze maatregelen op grond van het feit dat zij „leden van de regering” zijn of met hun geassocieerd zijn, louter wegens hun functies of voormalige functies. Voorts heeft het Gerecht ten onrechte overwogen dat personen moeten worden geacht „geassocieerd” te zijn met leden van de regering op grond van het feit dat aantijgingen dat zij in het verleden gedragingen hadden vertoond waarvan wordt gesteld dat zij de rechtsstaat, de democratie of de mensenrechten in Zimbabwe ondermijnen, aantoonden dat zij met de regering hadden „samengespannen”. Het Gerecht had verwerende partijen niet mogen toestaan uit te gaan van vermoedens die niet waren genoemd in de litigieuze maatregelen en indruisen tegen de doeleinden ervan en ook niet ertoe in verhouding staan, maar had van hen moeten eisen dat zij aan de op hen rustende bewijslast voldeden om het opnieuw op een lijst plaatsen te rechtvaardigen met voldoende solide concrete bewijzen.
Derde middel: het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de motivering toereikend was, terwijl het enkel de functies had opgesomd, waarvan werd gezegd dat zij vervuld waren geweest door leden van de regering en degenen die met hen waren geassocieerd, of terwijl het slechts in vage bewoordingen en zonder bijzonderheden te geven aantijgingen van voorbije gedragingen heeft uiteengezet. Het Gerecht heeft ook ten onrechte toegestaan dat de motivering later werd aangevuld met een extra ex post facto motivering die nergens in de litigieuze maatregelen was vermeld. Toen een aantal rekwiranten opmerkingen indiende, waarmee zij de aantijgingen tegen hen weerlegden, heeft het Gerecht hun bewijs ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en buiten beschouwing gelaten.
Vierde middel: het Gerecht is afgeweken van de vaste rechtspraak inzake de rechten van verdediging in zijn oordeel dat verwerende partijen geen bewijs of reden voor het bijhouden van een lijst, hoefden over te leggen, en evenmin rekwiranten de mogelijkheid hoefden te bieden opmerkingen te maken alvorens te beslissen om ieder van de rekwiranten opnieuw op de lijst op te nemen.
Vijfde middel: het Gerecht heeft niet onderzocht of met het opnemen van ieder van de rekwiranten een evenredig evenwicht werd bereikt tussen de ernstige schending van hun grondrechten en de doeleinden van de litigieuze maatregelen.
(1) Verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad van 19 februari 2004 inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 55, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy