21.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 311/27
Hogere voorziening ingesteld op 3 juli 2015 door de Franse Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 april 2015 in zaak T-402/12, Carl Schlyter/Europese Commissie
(Zaak C-331/15 P)
(2015/C 311/33)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, D. Colas, F. Fize, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Carl Schlyter, Europese Commissie, Republiek Finland, Koninkrijk Zweden
Conclusies
De Franse regering verzoekt het Hof
—
het arrest van de Vierde kamer van het Gerecht van 16 april 2015 in de zaak T-402/12, Carl Schlyter/Commissie, te vernietigen, voor zover daarbij het besluit van de Europese Commissie van 27 juni 2012 waarbij zij tijdens de status-quoperiode toegang heeft geweigerd tot een uitvoerig gemotiveerde mening over een ontwerp van besluit betreffende de inhoud en de voorwaarden voor indiening van de jaarlijkse opgave van stoffen die nanodeeltjes bevatten (2011/673/F), dat haar door de Franse autoriteiten was meegedeeld op grond van richtlijn 98/34/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Parlement en de Raad van 20 juli 1998, nietig is verklaard;
—
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;
—
verweerster te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar op 3 juli 2015 ingediende verzoekschrift in hogere voorziening verzoekt de Franse regering het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie om vernietiging van het arrest van de Vierde kamer van het Gerecht van 16 april 2015 in zaak T-402/12, Carl Schlyter/Commissie (hierna: „bestreden arrest”).
Ter staving van haar verzoekschrift in hogere voorziening voert de Franse regering een enkel middel aan.
Ter onderbouwing van dit middel staat de Franse regering op het standpunt dat het Gerecht op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de kwalificatie van de procedure in richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (hierna: „richtlijn 98/34”) en met betrekking tot de toepassing van de uitzondering inzake de bescherming van het doel van onderzoeken van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (hierna: „verordening nr. 1049/2001”).
In de eerste plaats betoogt de Franse regering dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren de procedure van richtlijn 98/34 te kwalificeren als onderzoek in de zin van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001.
In dat verband merkt de Franse regering ten eerste op dat de wijze waarop het Gerecht het begrip onderzoek in het bestreden arrest heeft gedefinieerd, op geen enkele definitie uit verordening nr. 1049/2001, richtlijn 98/24 of de rechtspraak is gebaseerd.
Daarenboven is, ten tweede, deze definitie niet coherent met de uitspraak van de Achtste kamer van het Gerecht in zijn arrest van 25 september 2014 in zaak T-306/12, Spirlea/Commissie. In dit arrest heeft het Gerecht namelijk erkend dat de zogenaamde EU-pilot-procedure kan worden gekwalificeerd als onderzoek in de zin van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001. Volgens de Franse regering vertonen de doelen en het verloop van de zogenaamde EU-pilot-procedure en de doelen en het verloop van de procedure in richtlijn 98/34 echter grote overeenkomsten.
Ten derde is de Franse regering, in het geval het Hof de definitie van het begrip onderzoek uit het bestreden arrest overneemt, van mening dat de procedure van richtlijn 98/34, gelet op de doelen en het verloop ervan, in ieder geval aan deze definitie voldoet.
In de tweede plaats is de Franse regering ten eerste van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door subsidiair te oordelen dat, zelfs in de veronderstelling dat de uitvoerig gemotiveerde mening die de Commissie in de procedure van richtlijn 98/34 kenbaar maakt, deel uitmaakt van een onderzoek als bedoeld in artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, de openbaarmaking van dit document niet noodzakelijkerwijze afbreuk doet aan het doelstelling van de in richtlijn 98/34 bedoelde procedure.
In dat verband merkt de Franse regering op dat verzoeker in zijn oorspronkelijke verzoekschrift, zijn repliek of zijn opmerkingen over de memories van interveniënten, nooit het argument heeft aangevoerd dat, in het geval de procedure van richtlijn 98/34 een onderzoek zou vormen, de openbaarmaking van het bestreden document geen afbreuk zou doen aan de doelstelling van dit onderzoek.
De Franse regering is derhalve van mening dat het Gerecht, aangezien het middel dat subsidiair door het Gerecht is aangevoerd niet is aangevoerd door verzoeker en betrekking heeft op de rechtmatigheid ten gronde van het bestreden besluit, in de punten 84 tot en met 88 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door dit middel ambtshalve aan te voeren.
Ten tweede heeft het Gerecht in het bestreden arrest geoordeeld dat de procedure in richtlijn 98/34 tot doel heeft te voorkomen dat de nationale wetgever een nationaal technisch voorschrift goedkeurt waardoor het vrije verkeer van goederen, het vrije verkeer van diensten of de vrijheid van vestiging voor dienstverleners in het kader van de interne markt wordt belemmerd (punt 85 van het bestreden arrest).
De Franse regering meent echter dat het Gerecht het doel van de procedure van richtlijn 98/34 daarmee restrictief heeft uitgelegd.
De Franse regering is namelijk van mening dat, naast het doel van de overeenstemming van de nationale regels, de procedure van richtlijn 98/34 tevens een doelstelling nastreeft die verband houdt met de kwaliteit van de dialoog tussen de Commissie en de betrokken lidstaat.
(1) PB L 204, blz. 37.
(2) PB L 145, blz. 43.
Full & Egal Universal Law Academy