7.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 294/43
Hogere voorziening ingesteld op 7 juli 2015 door Claire Staelen tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 29 april 2015 in zaak T-217/11, Staelen/Europese Ombudsman
(Zaak C-338/15 P)
(2015/C 294/55)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Claire Staelen (vertegenwoordiger: V. Olona, avocate)
Andere partij in de procedure: Europese Ombudsman
Conclusies
—
het arrest dat het Gerecht op 29 april 2015 heeft gewezen in de zaak T-217/11 (Staelen/Europese Ombudsman) vernietigen;
—
bijgevolg, akte verlenen van rekwirantes verzoek om vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden als gevolg van vijandige gedragingen, welke schade zij raamt op 50 000 EUR, inwilligen;
—
uitspraak te doen overeenkomstig de vorderingen die de rekwirerende partij in eerste aanleg heeft ingediend, met uitzondering van haar verzoek om vergoeding van de materiële schade;
—
de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de beide instanties.
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante zes middelen aan, die zijn ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen en aan verdraaiing van de feiten.
In de eerste plaats is rekwirante van mening dat het Gerecht met zijn aanname dat zij heeft geweigerd een onderzoek op initiatief van de Ombudsman toe te staan, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten heeft verdraaid. Het Gerecht heeft ook het voorwerp van de klacht verdraaid.
In de tweede plaats betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 228 VWEU en besluit 94/262 (1) onjuist uit te leggen en daaraan het nuttig effect te ontnemen.
In de derde plaats merkt zij op dat het Gerecht de feiten heeft verdraaid met betrekking tot de duur van de discriminatie van de plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten.
In de vierde plaats verwijt zij het Gerecht dat het de feiten heeft verdraaid en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Ombudsman zijn plicht tot transparantie en zorgvuldigheidsplicht niet heeft geschonden.
In de vijfde plaats verwijt zij het Gerecht dat het het besluit van de voorzitter van het Europees Parlement van 23 februari 2003, alsmede de code van goed administratief gedrag buiten toepassing heeft gelaten.
In de laatste plaats betoogt zij dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Ombudsman de vernietiging van het gehele dossier van het vergelijkend onderzoek niet had hoeven te onderzoeken.
(1) Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB L 113, blz. 15).
Full & Egal Universal Law Academy