12.10.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 337/8
Hogere voorziening ingesteld op 29 juli 2015 door Stichting Woonlinie e.a. tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 12 mei 2015 in zaak T-202/10 RENV, Stichting Woonlinie e.a. tegen Europese Commissie
(Zaak C-414/15 P)
(2015/C 337/10)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Rekwirantes: Stichting Woonlinie, Stichting Allee Wonen, Woningstichting Volksbelang, Stichting WoonInvest, Stichting Woonstede (vertegenwoordigers: P. Glazener, advocaat, en L. Hancher, hoogleraar)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Koninkrijk België, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN)
Conclusies
—
De beschikking [van het Gerecht (Zevende kamer) van 12 mei 2015 in zaak T-202/10 RENV] conform de in deze hogere voorziening aangevoerde middelen geheel dan wel gedeeltelijk nietig te verklaren;
—
De zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beoordeling in overeenstemming met de rechtsopvattingen van het Hof;
—
De Commissie in de kosten van deze procedure alsmede in de kosten van de procedure voor het Gerecht te veroordelen.
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens het eerste middel heeft het Gerecht het Unierecht geschonden, de relevante feiten onjuist beoordeeld en de beschikking ontoereikend gemotiveerd, door te oordelen dat verzoeksters’ grieven zich in feite richten tegen de artikel 17-brief en dat de toetsing van het Gerecht zich daartoe niet kan uitstrekken. Met zijn oordeel miskent het Gerecht dat, zoals voortvloeit uit artikel 108(1) VWEU de rechtsgevolgen die het Besluit teweegbrengt hun rechtvaardiging moeten ontlenen aan het feit dat de situatie voordien onverenigbaar was met het Verdrag. Het Gerecht geeft een onjuist uitleg aan het TF1 arrest, door daaruit af te leiden dat haar toets van het Bestreden Besluit zich dient te beperken tot de vraag of de Commissie de verenigbaarheid van de bestaande steunregeling zoals deze was gewijzigd na de door Nederland aangegane verbintenissen juist heeft beoordeeld.
Volgens het tweede middel heeft het Gerecht het Unierecht geschonden, de relevante feiten onjuist beoordeeld, en de Beschikking ontoereikend gemotiveerd door te oordelen dat de door de Commissie voorgestelde dienstige maatregelen door haar niet kunnen worden getoetst nu dit slechts voorstellen zijn en het de aanvaarding door de Nederlandse autoriteiten is die de dienstige maatregelen een bindend karakter geeft.
Full & Egal Universal Law Academy