16.11.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 381/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Veneto (Italië) op 17 augustus 2015 — Associazione Italia Nostra Onlus/Comune di Venezia e.a.
(Zaak C-444/15)
(2015/C 381/17)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale Amministrativo Regionale per il Veneto
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Associazione Italia Nostra Onlus
Verwerende partijen: Comune di Venezia, Ministero per i beni e le attività culturali, Regione del Veneto, Ministero delle Infrastrutture e dei Trasporti, Ministero della Difesa Capitaneria di Porto di Venezia, Agenzia del Demanio
Prejudiciële vragen
1)
Is artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/42/EG (1) voor zover het verwijst naar de situatie bedoeld in lid 2, onder b), van datzelfde artikel, geldig, vanuit het oogpunt van de bepalingen inzake milieu in het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en in het Handvest van de Grondrechten, voor zover het plannen en programma’s, waarvoor een effectbeoordeling in de zin van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 92/43/EEG (2) noodzakelijk wordt geacht, vrijstelt van een systematische onderwerping aan strategische milieubeoordeling?
2)
Indien de aangehaalde bepaling geldig wordt verklaard, moet artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/42/EG, gelezen in samenhang met overweging 10 van die richtlijn, die bepaalt dat „alle plannen en programma’s waarvoor uit hoofde van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna is vastgesteld dat een beoordeling nodig is, aanzienlijke milieueffecten [kunnen] hebben en als regel aan een systematische milieubeoordeling [dienen] te worden onderworpen”, dan aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling zoals de nationale regeling die, om het begrip „kleine gebieden op lokaal niveau” te omschrijven, als bedoeld in artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/42/EG, verwijst naar louter kwantitatieve gegevens?
3)
Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 3, leden 2 en 3 van richtlijn 2001/42/EG, gelezen in samenhang met overweging 10 van die richtlijn, waarin het heet dat „alle plannen en programma’s waarvoor uit hoofde van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna is vastgesteld dat een beoordeling nodig is, aanzienlijke milieueffecten [kunnen] hebben en als regel aan een systematische milieubeoordeling [dienen] te worden onderworpen”, dan aldus worden uitgelegd dat het in de weg staan aan een regeling zoals de nationale regeling die alle ontwikkelingsprojecten van nieuwe of uitbreidende stedelijke gebieden, betreffende oppervlakten tot 40 hectaren, of projecten van herinrichting of ontwikkeling van stedelijke gebieden binnen bestaande stedelijke gebieden die betrekking hebben op oppervlakten tot 10 hectaren, buiten het toepassingsgebied brengt van de automatische en verplichte procedure van strategische milieubeoordeling, hoewel, gelet op de mogelijke effecten op de gebieden, reeds is bepaald dat hiervoor een effectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van richtlijn 92/43/EEG is vereist.
(1) Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197, blz. 30).
(2) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7).
Full & Egal Universal Law Academy