16.11.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 381/22
Hogere voorziening ingesteld op 14 september 2015 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer — uitgebreid) van 2 juli 2015 in de gevoegde zaken T-425/04 RENV en T-444/04 RENV, Frankrijk en Orange/Commissie
(Zaak C-486/15 P)
(2015/C 381/25)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Giolito, B. Stromsky, D. Grespan en T. Maxian Rusche, leden van de juridische dienst)
Andere partijen in de procedure: Franse Republiek, Orange, voorheen France Télécom, Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Zesde kamer — uitgebreid) van 2 juli 2015 in de gevoegde zaken T-425/04, Frankrijk/Commissie, en T-444/04, France Télécom/Commissie, vernietigen, voor zover hierbij:
—
artikel 1 van beschikking 2006/621/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de door Frankrijk ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van France Télécom (1) nietig is verklaard;
—
de Commissie is verwezen in haar eigen kosten en acht tiende van de kosten van de Franse Republiek en van Orange in de zaken T-425/04 en T-444/04.
—
het geding definitief afdoen, de beroepen van verzoeksters verwerpen en verzoeksters verwijzen in de kosten van alle instanties;
—
subsidiair, de zaak voor hernieuwde behandeling terugverwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aanhouden.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie vier middelen aan.
In de eerste plaats is zij van mening dat het arrest van het Gerecht ontoereikend en tegenstrijdig is gemotiveerd. Het Gerecht is immers voorbijgegaan aan de beginselen die zijn vastgesteld in het in hogere voorziening gewezen arrest (2), en heeft onvoldoende geantwoord op de argumenten die de Commissie heeft aangevoerd in de procedure die na de terugverwijzing heeft plaatsgevonden.
In de tweede plaats verwijt de Commissie het Gerecht dat het artikel 107, lid 1, VWEU op tal van punten heeft geschonden. Daardoor heeft het Gerecht de verklaringen die de openbare autoriteiten tussen juli en december 2002 hebben afgelegd, alsook het aspect „geruststelling van de markten” dat tot uiting kwam in de aanmelding van 4 december 2002, uitgesloten van de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder. Ten eerste heeft het Gerecht zich, door het criterium van de voorzichtige particuliere investeerder op een specifiek moment toe te passen, niet gehouden aan de door het Hof vastgestelde oplossing volgens welke moet worden uitgegaan van de periode waarin de steunmaatregelen zijn genomen, en rekening moet worden gehouden met alle relevante factoren. Volgens de Commissie lijkt het Gerecht eraan voorbij te gaan dat een steunmaatregel kan voortvloeien uit meerdere interventies die onderling verbonden zijn en onmogelijk van elkaar kunnen worden losgekoppeld. Ten tweede heeft het Gerecht op meerdere punten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het verband tussen het begrip voordeel en de toepassing van het criterium van de voorzichtige particuliere investeerder. De Commissie verwijt het Gerecht meer bepaald dat het dit criterium slechts heeft toegepast op een beperkt deel van de periode waarin het voordeel gevolgen heeft gesorteerd. Ten derde verwijt de Commissie het Gerecht dat het bepaalde elementen van zijn onderzoek heeft uitgesloten. Ten vierde heeft het Gerecht het gezamenlijke onderzoek van meerdere voordelen ten onrechte beperkt tot voordelen van dezelfde aard. Ten vijfde heeft het Gerecht het door het Hof vastgestelde criterium om te bepalen of staatsmaatregelen onlosmakelijk zijn verbonden en samen moeten worden onderzocht, niet toegepast. Ten zesde komt de Commissie op tegen de vaststelling van het Gerecht dat bepaalde gebeurtenissen een „breuk” vormden in de opeenvolging van de staatsmaatregelen in de maanden september tot december 2002. Volgens de Commissie kan een dergelijke „breuk” niet rechtvaardigen dat de maatregelen die vóór die datum zijn getroffen en de maatregelen die erna zijn getroffen, afzonderlijk worden onderzocht. Ten slotte betwist de Commissie de motivering van het Gerecht betreffende het risico voor reputatieschade.
In de derde plaats verwijt de Commissie het Gerecht dat het zijn bevoegdheid om controle uit te oefenen op de rechtmatigheid van bestuurlijke handelingen te buiten is gegaan.
In de laatste plaats is de Commissie van mening dat het Gerecht haar beschikking onjuist heeft uitgelegd en zelfs verkeerd heeft opgevat.
(1) PB 2006, L 257, blz. 11.
(2) Arrest Bouygues e.a./Commissie e.a., C-399/10 P en C-401/10 P, EU:C:2013:175.
Full & Egal Universal Law Academy