7.12.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 406/26
Hogere voorziening ingesteld op 28 september 2015 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 15 juli 2015 in de gevoegde zaken T-389/10 en T-419/10
(Zaak C-522/15 P)
(2015/C 406/26)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Rossi, V. Bottka, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Siderurgica Latina Martin SpA (SLM), Ori Martin SA
Conclusies
(i)
Vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij het basisbedrag van de aan SLM opgelegde geldboete is verlaagd op basis van de vaststelling dat in het litigieuze besluit geen rekening is gehouden met het feit dat SLM tijdens een deel van de inbreuk niet aan het buitenlandse aspect van club Italia had deelgenomen;
(ii)
Vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij de aan SLM opgelegde geldboete is verlaagd naar 1,956 miljoen EUR en de hoofdelijk met Ori Martin aan SLM opgelegde geldboete nietig is verklaard;
(iii)
Herberekening van de op te leggen geldboete met gebruikmaking van de volledige rechtsmacht, overeenkomstig het verzoek van de Commissie;
(iv)
Verwijzing van verzoeksters in eerste aanleg in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
(i)
Het Gerecht heeft de feiten onjuist opgevat toen het ten onrechte heeft geoordeeld dat het basisbedrag van de bij het litigieuze besluit aan SLM opgelegde geldboete 19,8 miljoen EUR bedroeg, in plaats van 15,965 miljoen EUR zoals vastgesteld in het tweede wijzigingsbesluit, waarvan 14 miljoen EUR hoofdelijk met Ori Martin.
(ii)
Het Gerecht heeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven bij de toepassing van de regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid voor geldboeten en bij de berekening van het maximum van 10 %, in die zin dat het Gerecht het eindbedrag van de geldboete waarvoor SLM aansprakelijk is, heeft vastgesteld op 1,956 miljoen EUR, na toepassing van het wettelijke maximum van 10 % van de totale omzet van SLM in het referentiejaar als bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1). In de onderhavige zaak had moeten worden aangegeven dat SLM niet alleen op individuele titel aansprakelijk was voor de betaling van 1,956 miljoen EUR, maar ook voor nog eens 13,3 miljoen EUR, hoofdelijk met Ori Martin. De berekening van de maxima had immers afzonderlijk moeten worden berekend voor SLM op individuele titel, voor de periode waarin zij aan de inbreuk deelnam zonder dat zij onder de zeggenschap van Ori Martin stond (het maximum in vergelijking met de totale omzet van SLM), en voor SLM hoofdelijk met Ori Martin, voor de periode waarin de dochtermaatschappij onder de zeggenschap van de moedermaatschappij stond (het maximum in vergelijking met de totale omzet van Ori Martin, dat in de onderhavige zaak niet is bereikt).
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy