1.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/21
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 21 oktober 2015 — J.J. de Lange tegen Staatssecretaris van Financiën
(Zaak C-548/15)
(2016/C 038/31)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: J.J. de Lange
Verweerder: Staatssecretaris van Financiën
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 3 van richtlijn 2000/78/EG (1) van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep aldus worden geïnterpreteerd dat deze bepaling van toepassing is op een in fiscale regelgeving opgenomen faciliteit op grond waarvan studiekosten onder bepaalde voorwaarden in mindering kunnen worden gebracht op het belastbare inkomen?
Indien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag ontkennend is:
2)
Moet het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, als algemeen beginsel van het recht van de Unie worden toegepast op een fiscale faciliteit op grond waarvan scholingsuitgaven slechts· onder bepaalde voorwaarden voor aftrek in aanmerking komen, ook wanneer deze faciliteit buiten de materiële werkingssfeer van richtlijn 2000/78/EG valt en deze regeling het recht van de Unie niet ten uitvoer brengt?
Indien het antwoord op de eerste of de tweede prejudiciële vraag bevestigend is:
3)
a.
Kunnen verschillen in behandeling in strijd met het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd als algemeen beginsel van het recht van de Unie worden gerechtvaardigd op een wijze als bepaald in artikel 6 van richtlijn 2000/78/EG?
b.
Zo niet, welke criteria gelden bij de toepassing van dit beginsel dan wel voor de rechtvaardiging van een onderscheid naar leeftijd?
4)
a.
Dient artikel 6 van richtlijn 2000/78/EG en/of het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd aldus te worden uitgelegd dat een verschil in behandeling op grond van leeftijd kan worden gerechtvaardigd indien de grond voor dit verschil in behandeling slechts een deel van de gevallen betreft die door dit onderscheid worden geraakt?
b.
Kan een onderscheid naar leeftijd worden gerechtvaardigd door de opvatting van de wetgever dat boven een bepaalde leeftijd, een fiscale faciliteit niet beschikbaar hoeft te zijn vanwege „eigen degene die daarop aanspraak van het met die faciliteit verantwoordelijkheid” van maakt voor het bereiken nagestreefde doel?
(1) PB L 303, blz. 16.
Full & Egal Universal Law Academy