25.1.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 27/10
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Cantabria (Spanje) op 27 oktober 2015 — Luca Jerónimo García Almodóvar en Catalina Molina Moreno/Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria, S.A.U.
(Zaak C-554/15)
(2016/C 027/13)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Audiencia Provincial de Cantabria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Luca Jerónimo García Almodóvar en Catalina Molina Moreno
Verwerende partij: Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria, S.A.U.
Prejudiciële vragen
1)
Is de beperking van de terugwerkende kracht van een uitspraak waarbij een bodemrentebeding in een consumentenovereenkomst oneerlijk wordt bevonden en dus nietig wordt verklaard, verenigbaar met het beginsel dat oneerlijke bedingen niet bindend zijn en met de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad (1) van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten?
2)
Is de instandlating van de gevolgen van een in een consumentenovereenkomst opgenomen bodemrentebeding dat oneerlijk wordt bevonden en dus nietig wordt verklaard, verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13]?
3)
Is het verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat de terugwerkende kracht van een uitspraak waarbij een bodemrentebeding in een consumentenovereenkomst oneerlijk wordt bevonden en dus nietig wordt verklaard, wordt beperkt op grond dat er een risico van ernstige verstoringen van de economische openbare orde bestaat en op grond van de goede trouw?
4)
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat, wanneer een consument verzet tegen de executie aantekent op grond van het oneerlijke karakter van een beding in een consumentenovereenkomst dat de grondslag vormt voor de executie of op basis waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld, het bestaan van een risico van ernstige verstoringen van de economische openbare orde wordt vermoed, of moet dit risico worden onderzocht en beoordeeld aan de hand van concrete economische gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de toekenning van terugwerkende kracht aan de uitspraak waarbij een oneerlijk beding nietig wordt verklaard, macro-economische gevolgen heeft?
5)
En is het, ingeval een consument verzet tegen de executie aantekent op grond van het oneerlijke karakter van een beding in een consumentenovereenkomst dat de grondslag vormt voor de executie of op basis waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld, verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat het risico van ernstige verstoringen van de economische openbare orde wordt beoordeeld in het licht van de economische gevolgen die het zou hebben als een groot aantal consumenten een individuele vordering of verzet tegen de executie zouden instellen op grond van het oneerlijke karakter van het beding? Of moet dat risico integendeel worden beoordeeld aan de hand van de economische gevolgen van een specifieke verzetprocedure die wordt ingeleid door de geëxecuteerde consument?
6)
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat de goede trouw wordt beoordeeld op basis van een abstracte beoordeling van het gedrag van een willekeurige verkoper?
7)
Of moet, overeenkomstig de uitlegging van artikel 6 van richtlijn [93/13], die goede trouw in elk specifiek geval worden onderzocht en beoordeeld in het licht van het concrete gedrag van de verkoper bij het sluiten van de overeenkomst en het hierin opnemen van het oneerlijke beding?
(1) PB L 95, blz. 29.
Full & Egal Universal Law Academy