1.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/33
Hogere voorziening ingesteld op 16 november 2015 door Roemenië tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 14 september 2015 in zaak T-784/14, Commissie/Roemenië
(Zaak C-599/15 P)
(2016/C 038/46)
Procestaal: Roemeens
Partijen
Rekwirant: Roemenië (vertegenwoordigers: R.-H. Radu, A. Buzoianu, E. Gane en M. Chicu, gemachtigden)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
de hogere voorziening ontvankelijk verklaren, de beschikking van het Gerecht in zaak T-784/14 in haar geheel vernietigen, opnieuw uitspraak doen over zaak T-784/14 en daarbij het beroep tot nietigverklaring toewijzen en brief BUDG/B3/MV D (2014) 3079038 van 19 september 2014 nietig verklaren;
of
de hogere voorziening ontvankelijk verklaren, de beschikking van het Gerecht in zaak T-784/14 in haar geheel vernietigen, zaak T-784/14 terugverwijzen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een nieuwe uitspraak waarbij het beroep tot nietigverklaring wordt toegewezen en brief BUDG/B3/MV D (2014) 3079038 van 19 september 2014 nietig wordt verklaard;
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Eerste middel: procedurefouten voor het Gerecht van de Europese Unie waardoor de belangen van de Roemeense Staat zijn geschaad
Volgens Roemenië is de beschikking vastgesteld in strijd met artikel 130, lid 7, juncto artikel 130, lid 8, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Het Gerecht heeft de vraag of de exceptie van niet-ontvankelijkheid moest worden gevoegd met de zaak ten gronde, noch onderzocht, noch naar behoren gemotiveerd.
Hoewel het Gerecht heeft geoordeeld dat het niet gerechtvaardigd was om de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde, heeft het het rechtskader bepaald van de betalingsverplichting die op Roemenië rust op het gebied dat wordt geregeld door besluit 2007/436/EG, Euratom (1), en verordening nr. 1150/2000 (2), en verklaard dat de Roemeense Staat op grond van die bepalingen verplicht is het bedrag van 14 883,79 EUR aan traditionele eigen middelen vast te stellen en te betalen.
Door de aard en de grondslag van de betalingsverplichting te onderzoeken, heeft het Gerecht de zaak ten gronde beoordeeld en daarmee in strijd gehandeld met zijn besluit om alleen uitspraak te doen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
2.
Tweede middel: schending van het Unierecht door het Gerecht van de Europese Unie
Roemenië stelt dat het Gerecht van de Europese Unie de aard van de hem bij brief BUDG/B3/MV D (2014) 3079038 van 19 september 2014 opgelegde verplichtingen onjuist heeft gekwalificeerd en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, waardoor zijn oordeel (i) over de bevoegdheid van de Commissie en (ii) over de aard van de litigieuze brief wordt ontkracht.
Subsidiair betoogt Roemenië dat het Gerecht van de Europese Unie het Unierecht heeft geschonden en is voorbijgegaan aan de rechtspraak van het Hof waar het heeft vastgesteld dat het aan de lidstaten is om te beoordelen of sprake is van verlies van traditionele eigen middelen en of er een verplichting tot betaling van dergelijke middelen bestaat.
Voorts betwist Roemenië dat de regeling inzake voorlopige betaling — en in die zin de overwegingen van het Gerecht dienaangaande — in casu van toepassing zijn.
(1) Besluit van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163, blz. 7).
(2) Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy