25.1.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 27/24
Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2015 door Samsung SDI Co. Ltd en Samsung SDI (Malaysia) Bhd tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 9 september 2015 in zaak T-84/13, Samsung SDI Co. Ltd, Samsung SDI Germany GmbH en Samsung SDI (Malaysia) Bhd/Europese Commissie
(Zaak C-615/15 P)
(2016/C 027/28)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Samsung SDI Co. Ltd en Samsung SDI (Malaysia) Bhd (vertegenwoordigers: M. Struys, avocat, L. Eskenazi, avocate, A. Fall, advocate, en C. Erol, avocate)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van 9 september 2015 in zaak T-84/13, Samsung SDI Co. Ltd, Samsung SDI Germany GmbH en Samsung SDI (Malaysia) Bhd/Europese Commissie, te vernietigen;
—
derhalve artikel 2, leden 1, onder b), en 2, onder b), van het besluit van de Commissie nietig te verklaren voor zover zij rekwirantes betreffen, en de relevante geldboeten te verlagen;
—
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van de eerste aanleg en de onderhavige hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van hun hogere voorziening voeren rekwirantes vier middelen aan. De eerste twee middelen betreffen het CPT-kartel en de laatste twee het CDT-kartel.
Eerste middel: het Gerecht heeft nagelaten om SDI’s middel te behandelen volgens hetwelk de verkopen van producten die geen kartelproducten waren niet hadden mogen worden meegeteld bij de berekening van de boete voor het CPT-kartel. Gesteld al dat de redenering van het Gerecht betreffende het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk een impliciete rechtvaardiging aanreikt voor de afwijzing van SDI’s middel (wat niet het geval is), dan nog is een dergelijke impliciete rechtvaardiging in strijd met de Richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) worden opgelegd (hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”).
Tweede middel: wat de bepaling van de einddatum van het CPT-kartel betreft, heeft het Gerecht SDI’s middel volgens hetwelk slechts sprake kan zijn van collusie indien ten minste twee ondernemingen zijn betrokken, zonder goede redenen afgewezen, en heeft het voorts artikel 101 VWEU geschonden, voor zover het in zijn arrest heeft geconcludeerd dat SDI alleen aan het CPT-kartel was blijven deelnemen tot 15 november 2006. Bovendien heeft het Gerecht het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat het heeft geweigerd de aan SDI opgelegde boete te verlagen.
Derde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de berekening van de boete die voor het CDT-kartel is opgelegd, SDI’s verkopen aan Samsung Electronics Corporation (SEC) mee te tellen. Het Gerecht heeft het concept EER-verkopen, als bedoeld in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, onjuist toegepast, aangezien het niet heeft bepaald waar de mededinging plaatsvond.
Vierde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de toepassing van de clementieregeling, als gevolg waarvan SDI’s boete in verband met het CDT-kartel niet met 50 % is verlaagd. De bevindingen van het Gerecht betreffende het CPT-kartel zijn rechtens irrelevant in de context van het CDT-kartel. Bovendien heeft het Gerecht de clementieregeling onjuist toegepast en heeft het ten onrechte de vaststelling van de Commissie bekrachtigd dat het feit dat SDI in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar het marktverdelingsaspect van de inbreuk niet had beschreven, op zich de beoordeling van SDI’s medewerking tijdens de administratieve procedure kon beïnvloeden.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy