1.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/43
Beroep ingesteld op 3 december 2015 — Hongarije/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-647/15)
(2016/C 038/56)
Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Hongarije (vertegenwoordiger: M. Z. Fehér, gemachtigde)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (1) (hierna: bestreden besluit) nietig verklaren;
—
subsidiair, voor zover deze vordering niet zou worden toegewezen, het bestreden besluit nietig verklaren voor zover het betrekking heeft op Hongarije;
—
de Raad verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Volgens de Hongaarse regering vormt artikel 78, lid 3, VWEU geen passende rechtsgrondslag voor het door de Raad vastgestelde besluit. Artikel 78, lid 3, VWEU verleent de Raad niet de bevoegdheid om een wetgevende handeling vast te stellen, dat wil zeggen om maatregelen vast te stellen zoals die welke in het bestreden besluit zijn vervat, namelijk maatregelen die dwingend afwijken van een wetgevende handeling, in casu verordening (EU) nr. 604/2013 (2). Het bestreden besluit is inhoudelijk een wetgevende handeling, aangezien het afwijkt van verordening nr. 604/2013, en kon dus niet worden vastgesteld op grond van artikel 78, lid 3, VWEU, dat de Raad slechts de bevoegdheid verleent om handelingen vast te stellen buiten het kader van een wetgevingsprocedure, dat wil zeggen niet-wetgevende handelingen. Zelfs indien het mogelijk zou zijn om op grond van artikel 78, lid 3, VWEU een handeling vast te stellen die van een wetgevende handeling afwijkt, kan deze afwijking volgens de Hongaarse regering niet zo ver gaan dat afbreuk wordt gedaan aan het wezen van deze wetgevende handeling en dat de voornaamste bepalingen ervan worden uitgehold, zoals het bestreden besluit doet.
2.
Maatregelen met een looptijd van 24 — in bepaalde gevallen 36 — maanden, waarvan de gevolgen zich bovendien tot na deze periode uitstrekken, zijn niet verenigbaar met het begrip „voorlopige maatregelen” in de zin van artikel 78, lid 3, VWEU. De Raad heeft bij de vaststelling van het bestreden besluit de grenzen van de hem door artikel 78, lid 3, VWEU verleende bevoegdheid overschreden door bij de vaststelling van de temporele werkingssfeer ervan geen rekening te houden met de tijd die nodig is om een wetgevende handeling vast te stellen op grond van artikel 78, lid 2, VWEU.
3.
Bij de vaststelling van het bestreden besluit heeft de Raad artikel 293, lid 1, VWEU geschonden, aangezien niet met eenparigheid van stemmen van het voorstel van de Commissie is afgeweken.
4.
Het bestreden besluit wijkt af van een wetgevende handeling en is zelf inhoudelijk een wetgevende handeling, zodat — zelfs indien het had kunnen worden vastgesteld op grond van artikel 78, lid 3, VWEU — bij de vaststelling ervan het recht van de nationale parlementen om advies uit te brengen, zoals bedoeld in de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bijgevoegde protocollen nrs. 1 en 2, in acht had moeten worden genomen.
5.
De Raad heeft de ontwerptekst aanzienlijk gewijzigd na raadpleging van het Parlement, maar heeft het parlement niet opnieuw op dit punt geraadpleegd.
6.
Ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit door de Raad was het ontwerpbesluit niet beschikbaar in de verschillende officiële talen van de Unie.
7.
Het bestreden besluit is ook onwettig omdat de vaststelling ervan in strijd is met artikel 68 VWEU en met de conclusies die de Europese Raad op 25 en 26 juni 2015 heeft aangenomen.
8.
Het bestreden besluit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel dat regelgeving duidelijk dient te zijn, aangezien het in verschillende opzichten onduidelijk is hoe de bepalingen ervan dienen te worden toegepast en hoe zij zich verhouden tot de bepalingen van verordening nr. 604/2013. Tot de onduidelijke punten behoren onder meer de toepassing van de wettelijke en procedurele waarborgen ten aanzien van het herplaatsingsbesluit. Het bestreden besluit bepaalt met name niet duidelijk de selectiecriteria voor de herplaatsing en omschrijft niet duidelijk de status van de verzoekers in de lidstaat van herplaatsing. Het bestreden besluit is tevens in strijd met de Conventie van Genève (3), aangezien het de verzoekers het recht ontneemt om te verblijven in de lidstaat waar de asielaanvraag is ingediend, en hun herplaatsing in een andere lidstaat mogelijk maakt, zonder dat enige band tussen de verzoeker en de lidstaat van herplaatsing hoeft te worden aangetoond.
9.
Het bestreden besluit is in strijd met het noodzakelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Aangezien Hongarije, anders dan in het oorspronkelijke voorstel, niet langer behoort tot de kring van begunstigde lidstaten, voorziet het bestreden besluit zonder enige rechtvaardiging in de herplaatsing van 120 000 personen die om internationale bescherming verzoeken. Aangezien in het besluit niet langer sprake is van een herplaatsing vanuit Hongarije, is het oorspronkelijk voorgestelde aantal verzoekers — 120 000 — willekeurig geworden en vertoont het geen verband meer met de in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie beschreven situatie, die deze concreet wenste aan te pakken. Het is — zeker in het kader van een voorlopige maatregel op grond van artikel 78, lid 3, VWEU — onaanvaardbaar dat het definitieve besluit over de herplaatsing voor ongeveer de helft van de verzoekers waarop het besluit betrekking heeft, wordt vastgesteld in het licht van latere ontwikkelingen.
10.
Subsidiair wordt aangevoerd dat het bestreden besluit het evenredigheidsbeginsel schendt, aangezien een opnamequotum aan Hongarije wordt opgelegd, hoewel algemeen bekend is dat het gaat om een lidstaat die is overspoeld door een groot aantal onregelmatige migranten die verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. Het bestreden besluit voldoet, wat Hongarije betreft, niet aan artikel 78, lid 3, VWEU, aangezien hierin wordt bepaald dat maatregelen kunnen worden genomen ten gunste van een lidstaat indien deze ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, en een maatregel waarbij slechts verplichtingen worden opgelegd aan deze lidstaat, niet te rijmen valt met deze voorwaarde.
(1) PB L 248, blz. 80.
(2) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180, blz. 31).
(3) Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari 1967.
Full & Egal Universal Law Academy