29.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 78/4
Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2015 door Verein zur Wahrung von Einsatz und Nutzung von Chromtrioxid und anderen Chrom-VI-verbindungen in der Oberflächentechnik eV (VECCO), Adolf Krämer GmbH & Co. KG, AgO Argentum GmbH, en anderen, tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 25 september 2015 in zaak T-360/13, Verein zur Wahrung von Einsatz und Nutzung von Chromotrioxid und anderen Chrom-VI-verbindungen in der Oberflächentechnik eV e.a./Europese Commissie
(Zaak C-651/15 P)
(2016/C 078/05)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Verein zur Wahrung von Einsatz und Nutzung von Chromtrioxid und anderen Chrom-VI-verbindungen in der Oberflächentechnik eV (VECCO), Adolf Krämer GmbH & Co. KG, AgO Argentum GmbH, en anderen (vertegenwoordigers: C. Mereu, advocaat, J. Beck, solicitor)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), Assogalvanica, Ecometal, Comité européen des traitements de surfaces (CETS), en anderen
Conclusies
—
De hogere voorziening ontvankelijk en gegrond verklaren;
—
Het arrest van het Gerecht in zaak T-360/13 vernietigen;
—
Rekwirantes’ verzoek tot nietigverklaring ten gronde afdoen of de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een beslissing ten gronde op het verzoek tot nietigverklaring.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante de volgende argumenten aan:
Eerste middel — Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat richtlijn 98/24 (1) en richtlijn 2004/37 (2) geen specifieke Gemeenschapswetgeving vormen in de zin van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening (3), waarbij minimumvereisten worden gesteld die het risico voor de menselijke gezondheid van het gebruik van chroomtrioxide in oppervlaktebekleding en in de galvaniseringsindustrie naar behoren beheersen:
In zijn redenering geeft het Gerecht een uitlegging aan artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening die verder strekt dan de duidelijke bewoordingen en doelstelling van die bepaling, alsook dan de wijze waarop de richtlijnen 98/24 en 2004/37 moeten worden uitgelegd. Kort gezegd heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door (i) de vrijstelling krachtens artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening te beschouwen als een vrijstelling die van toepassing is op „stoffen” in tegenstelling tot „vormen van gebruik”, (ii) de drieledige test van artikel 58, lid 2, op te delen en in wezen het derde deel van de test niet te beoordelen („goede beheersing van de risico’s”), en (iii) te oordelen dat de richtlijnen 98/24 en 2004/37 geen minimumvereisten stellen om het risico in verband met het gebruik van chroomtrioxide bij oppervlaktebehandeling en in de galvaniseringsindustrie te beheersen, door te wijzen op het ontbreken van grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling.
Tweede middel — De bevindingen in het bestreden arrest met betrekking tot de beoordelingsmarge van de Commissie zijn onjuist:
Indien het eerste middel slaagt, is de bevinding van het Gerecht dat de Commissie haar beoordelingsmarge naar behoren uitoefende bij het besluit om al dan niet de vrijstelling van artikel 58, lid 2, van de REACH-verordening toe te kennen, onjuist.
Derde middel — Verzuim om het eerste middel en het tweede onderdeel van het eerste middel naar behoren te beoordelen:
Indien het eerste middel slaagt, valt de redenering in de punten 68-69 en 84-85 van het bestreden arrest weg, en moeten het eerste middel en het tweede onderdeel van het vierde middel voor het Gerecht opnieuw worden beoordeeld.
(1) Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 131, blz. 11).
(2) Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (Zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad) (PB L 158, blz. 50).
(3) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy