15.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 59/9
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hanseatische Oberlandesgericht te Bremen (Duitsland) op 9 december 2015 — Strafzaak tegen Robert Caldararu
(Zaak C-659/15)
(2016/C 059/08)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Hanseatisches Oberlandesgericht te Bremen
Partijen in de strafzaak
Robert Caldararu
Andere partij: Generalstaatsanwaltschaft Bremen
Prejudiciële vragen
1)
Dient artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (1) aldus te worden uitgelegd dat een uitlevering met het oog op strafuitvoering ontoelaatbaar is wanneer ernstige aanwijzingen bestaan dat de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat inbreuk maken op de grondrechten van de betrokkene en de algemene rechtsbeginselen zoals die in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn neergelegd, of dient het aldus te worden uitgelegd dat de uitvoerende staat in die gevallen de beslissing over de toelaatbaarheid van een uitlevering afhankelijk kan of moet maken van de garantie om detentievoorwaarden na te leven? Kan of moet de uitvoerende staat daartoe concrete minimumeisen stellen aan de detentieomstandigheden die dienen te worden gegarandeerd?
2)
Dienen de artikelen 5 en 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten aldus te worden uitgelegd dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit ook bevoegd is om garanties inzake de naleving van detentievoorwaarden te verstrekken, of hangt dat af van de bevoegdheidsverdeling in de uitvaardigende lidstaat?
(1) PB L 190, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy