BESCHIKKING VAN DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF
5 juni 2015 ( *1 )
„Hogere voorziening — Beschikking in kort geding — Overheidsopdrachten voor uitvoering van werken — Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 — Aanbesteding voor de bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het daarmee samenhangende onderhoud — Inschrijving die is gewijzigd na de opening van de inschrijvingen — Afwijzing van het aanbod van rekwirante — Niet-ontvankelijkheid — Onjuiste rechtsopvatting — Geen”
In zaak C‑49/15 P(R),
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 57, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 6 februari 2015,
STC SpA, gevestigd te Forlì (Italië), vertegenwoordigd door A. Marelli en G. Delucca, avvocati,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Cappelletti en door L. Di Paolo en F. Moro als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
CPL Concordia Soc. coop., gevestigd te Concordia Sulla Secchia (Italië), vertegenwoordigd door A. Penta, avvocato,
interveniënte in eerste aanleg,
geeft
DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF,
de eerste advocaat-generaal, M. Wathelet, gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Met haar hogere voorziening verzoekt STC SpA (hierna: „STC”) om vernietiging van de beschikking van de president van het Gerecht van de Europese Unie STC/Commissie (T‑355/14 R, EU:T:2014:1046, hierna: „bestreden beschikking”), houdende afwijzing van haar verzoek om voorlopige maatregelen naar aanleiding van meerdere besluiten van de Europese Commissie met betrekking tot de aanbestedingsprocedure JRC IPR 2013 C04 0031 OC betreffende de bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het onderhoud ervan op het terrein van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) in Ispra (PB 2013/S 137‑237146).
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 112 van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298, blz. 1), met als opschrift „Beginselen van gelijke behandeling en transparantie”, luidt als volgt:
„1. Zolang de procedure voor het plaatsen van een opdracht loopt, mogen de contacten tussen de aanbestedende dienst en de gegadigden of inschrijvers slechts plaatshebben onder voorwaarden die transparantie en een gelijke behandeling garanderen. Zij mogen niet leiden tot wijziging van de voorwaarden van de opdracht of van de oorspronkelijke inschrijving.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de beginselen van gelijke behandeling en transparantie. Voorts is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de toegelaten contacten tussen de aanbestedende dienst en de inschrijvers gedurende de gunningsprocedure, de minimumeisen voor het proces-verbaal van een evaluatie en de minimale informatie die moet worden opgenomen in het door de aanbestedende dienst genomen besluit.”
3
Artikel 160 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 (PB L 362, blz. 1, hierna: „gedelegeerde verordening”), met als opschrift „Contacten tussen de aanbestedende dienst en de inschrijvers”, bepaalt het volgende:
„1. Contacten tussen de aanbestedende dienst en de inschrijvers gedurende de procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht zijn bij wijze van uitzondering in de in de leden 2 en 3 bedoelde omstandigheden toegestaan.
[...]
3. Na de opening van de inschrijvingen mag de aanbestedende dienst, indien een inschrijving verduidelijking behoeft of indien aperte schrijffouten in de inschrijving moeten worden verbeterd, met de inschrijver contact opnemen, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot wijziging van de voorwaarden van de inschrijving.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding, procedure voor de rechter in kort geding en bestreden beschikking
4
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 6 van de bestreden beschikking uiteengezet als volgt:
„1
Op 17 juli 2013 heeft de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie onder referentie JRC IPR 2013 C04 0031 OC een aanbesteding volgens de openbare procedure bekendgemaakt voor de bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het onderhoud ervan op het terrein van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) te Ispra (Italië). De termijn voor ontvangst van de inschrijvingen en de datum van opening van de inschrijvingen zijn, volgens een in het Publicatieblad bekendgemaakt corrigendum, vastgesteld op respectievelijk 15 en 21 november 2013. Het document ‚Administratieve bijlage’ in de uitnodiging tot inschrijving preciseerde dat de gunning van de opdracht zou plaatsvinden op basis van de economisch meest voordelige inschrijving, vastgesteld gelet op de totale kosten en de technische kwaliteit, en dat maximaal 80 punten voor de totale kosten van de inschrijving en maximaal 20 punten voor de technische kwaliteit van de inschrijving konden worden toegekend.
2
Op 10 september 2013 vond op het terrein van het GCO in Ispra een informatiebijeenkomst plaats. Bij de beantwoording van een vraag die tijdens de bijeenkomst werd gesteld, werd gewezen op een fout in het document ‚Inschrijving van de contractant’, onder kopje 2.31, betreffende de verrichting ‚Onderhoud FULL MAINTENANCE van heel de turbinegenerator voor een periode van n. 24 maanden met ingang van de oplevering van de centrale’, waarvoor de gevraagde hoeveelheid twee in plaats van vier bedroeg. Op 17 september 2013 is het bestand dat voornoemd document bevatte, in zijn herziene versie, opnieuw op de internetsite van het GCO gezet. Nadat in dat document na de bijeenkomst een nieuwe fout werd ontdekt, onder kopje 2.18 met betrekking tot de verrichting ‚Elektrische voedingsinstallaties dienstencentrale eerste deel (MMC en voeding van alle voorzieningen van de centrale)’, waarvan de gevraagde hoeveelheid één in plaats van twee bedroeg, werd het bestand dat het document ‚Inschrijving van de contractant’ bevatte op 9 oktober 2013 opnieuw op de internetsite van het GCO gezet.
3
De op 15 november 2013 aangeboden inschrijving van [STC] bevatte een ‚eerste inschrijving’ en twee ‚alternatieve inschrijvingen’. Het beoordelingscomité voor de inschrijvingen heeft de twee alternatieve inschrijvingen verworpen, omdat zij niet voldeden aan de specificaties van het aanbestedingsdossier. Wat de eerste inschrijving betreft, is vastgesteld dat de technische inschrijving van [STC] niet de raming van de gedetailleerde opmetingsstaat bevatte die werd vereist in hoofdstuk 12 van de technische specificaties van de aanbesteding en dat [STC] haar prijsinschrijving had opgesteld aan de hand van een niet-bijgewerkte versie van het document ‚Inschrijving van de contractant’. Op 30 januari 2014 heeft de Commissie aan [STC] een brief verzonden, waarin zij haar verzocht een raming van de gedetailleerde opmetingsstaat te verschaffen, zoals vereist in de technische specificaties. Wat de prijsinschrijving betreft, heeft hij aan [STC] als bijlage het verbeterde document ‚Inschrijving van de contractant’ verzonden, waarin zij de door [STC] voorgestelde eenheidsprijzen had overgenomen en ze had toegepast op de gevraagde hoeveelheden, zoals gecorrigeerd op 9 oktober 2013. Zij verzocht [STC] de berekeningen die voortvloeiden uit het omzetten van de in het verbeterde document ‚Inschrijving van de contractant’ aangeboden eenheidsprijzen, te bevestigen.
4
Op 7 februari 2014 heeft [STC] per e-mail haar antwoord verstuurd. Omdat het beoordelingscomité voor de inschrijvingen had geoordeeld dat de aangedragen antwoorden niet aan zijn verwachtingen voldeden, heeft de Commissie [STC] vervolgens bij brief van 3 april 2014 geïnformeerd dat haar inschrijving een negatieve beoordeling had gekregen. Bij deze brief was [STC] geïnformeerd over de naam van de begunstigde, namelijk [CPL Concordia Soc. coop., hierna: ‚CPL Concordia’], over het aantal punten dat zij had gekregen en over de mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de kenmerken en de relatieve voordelen van de gekozen inschrijving.
5
Bij brief van 11 april 2014 heeft [STC] de beoordeling van het beoordelingscomité voor de inschrijvingen in twijfel getrokken, zowel wat de technische inschrijving als de prijsinschrijving betreft. Zij heeft ook inzage gevraagd in de stukken betreffende de benoeming van het beoordelingscomité voor de inschrijvingen, in de processen-verbaal van de beoordelingsvergaderingen, in de verzoeken tot ‚vervollediging’ of ‚toelichting’ van de bewijsstukken en in de antwoorden daarop, in de toekenningsrangschikking en de punten die aan elk van de bedrijven die hadden ingeschreven, waren toegekend, met de daarbij behorende redenen voor uitsluiting en selectie.
6
Bij brief van 15 april 2014 heeft de Commissie [STC] nogmaals de naam van de begunstigde genoemd, de concurrerende punten gegeven en de kenmerken van de inschrijving van [CPL Concordia] uit technisch oogpunt en met betrekking tot de prijs en haar een fragment uit het verslag van het beoordelingscomité voor de inschrijvingen gezonden.”
5
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 mei 2014 heeft STC een beroep ingediend strekkende tot enerzijds nietigverklaring van het besluit van 3 april 2014, waarbij de Commissie de inschrijving die zij had ingediend in het kader van de aanbesteding JRC IPR 2013 C04 0031 OC, had verworpen, van het besluit waarbij de Commissie de opdracht aan CPL Concordia heeft gegund, van iedere daarmee samenhangende handeling die daaraan vooraf ging of daarop volgde, waaronder begrepen het eventuele besluit waarbij het contract werd goedgekeurd, en ook het contract zelf, alsook het besluit van de Commissie waarbij het verzoek om inzage in de aanbestedingsstukken werd verworpen (hierna gezamenlijk: „litigieuze besluiten”) en anderzijds tot veroordeling van de Commissie om de gunning te herroepen en een handeling op te stellen en aan te nemen die ertoe strekt haar de opdracht te gunnen, of, subsidiair, mocht het nadeel niet kunnen worden teruggedraaid, om de geleden schade te vergoeden.
6
Bij een op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft STC een verzoek in kort geding ingesteld, waarin zij in wezen de president van het Gerecht heeft verzocht
—
opschorting van de uitvoering van de litigieuze besluiten te gelasten;
—
door middel van een afgestemde tijdelijke maatregel haar toe te staan haar recht op inzage in de aanbestedingsdocumenten volledig uit te oefenen, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
7
In haar opmerkingen over dat verzoek heeft de Commissie, zakelijk weergegeven, de president van het Gerecht verzocht om het verzoek om tijdelijke maatregelen gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in zijn geheel ongegrond te verklaren en de beslissing omtrent de kosten aan te houden. Bij beschikking van 2 september 2014 heeft de president van het Gerecht CPL Concordia toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
8
Op 8 december 2014 heeft de president van het Gerecht bij de bestreden beschikking het verzoek om tijdelijke maatregelen verworpen, omdat in casu niet was voldaan aan de voorwaarde betreffende de fumus boni iuris. Na analyse van de punten 20 tot en met 31 van de bestreden beschikking, de tweede grond voor nietigverklaring met betrekking tot de door STC ingediende prijsinschrijving, heeft de president van het Gerecht in punt 32 van die beschikking geoordeeld, dat het niet nodig was zich uit te spreken over de overige gronden voor nietigverklaring, omdat het hem op het eerste gezicht voorkwam dat de inschrijving van STC terecht was verworpen, zodat die overige middelen niet het bestaan van een fumus boni iuris aan het licht konden brengen.
Conclusies van partijen
9
STC verzoekt het Hof in wezen:
—
de bestreden beschikking te vernietigen;
—
de uitvoering van de litigieuze besluiten op te schorten, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
10
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening niet-ontvankelijk en, in ieder geval, ongegrond te verklaren;
—
subsidiair, het verzoek om tijdelijke maatregelen af te wijzen, en
—
STC te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en in die van de procedure voor het Gerecht.
11
CPL Concordia verzoekt het Hof
—
de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond te verklaren;
—
de bestreden beschikking en de litigieuze besluiten te bekrachtigen, en
—
STC te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
12
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert STC drie middelen aan. Elk van die middelen ziet op het oordeel van de president van het Gerecht in punt 31 van de bestreden beschikking, dat de tweede grond voor nietigverklaring, die in eerste aanleg met betrekking tot de door STC ingediende prijsinschrijving was aangevoerd, geen grond oplevert voor de vaststelling dat sprake is van een fumus boni iuris.
13
Daarnaast betoogt STC dat haar hogere voorziening ook ziet op de punten 32 tot en met 35 van de bestreden beschikking, waar de president van het Gerecht de redenen heeft uiteengezet waarom hij van oordeel was dat, aangezien het bestaan van een fumus boni iuris wat de tweede grond voor nietigverklaring betreft, was verworpen, het niet nodig was zich uit te spreken over de andere aangevoerde middelen, namelijk de eerste en de derde grond voor nietigverklaring, noch over de argumenten van STC met betrekking tot het spoedeisende karakter en de belangenafweging.
14
Eerst dient de ontvankelijkheid van deze laatste argumentatie te worden onderzocht en vervolgens de drie middelen van de hogere voorziening gezamenlijk.
Ontvankelijkheid van de argumentatie met betrekking tot het spoedeisende karakter en de belangenafweging en afwijzing van de argumenten met betrekking tot de fumus boni iuris die de eerste en de derde grond voor nietigverklaring betreffen
15
Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bevatten de verzoeken in kort geding een duidelijke omschrijving van „het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt”. Aldus kunnen de opschorting van de tenuitvoerlegging en de andere voorlopige maatregelen door de rechter in kort geding worden toegekend, indien vaststaat dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris) en spoedeisend zijn in die zin dat het ter voorkoming van een ernstige en onherstelbare aantasting van de belangen van de verzoeker noodzakelijk is dat zij reeds vóór de beslissing op het beroep ten gronde worden gelast en effect sorteren. Deze voorwaarden zijn cumulatief, in die zin dat een verzoek om voorlopige maatregelen moet worden afgewezen wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan. In voorkomend geval weegt de rechter in kort de in het geding zijnde belangen af [beschikking Commissie/Pilkington Group, C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
16
Overigens volgt uit vaste rechtspraak dat een hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering ervan duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest of de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is [beschikking Goldstein/Commissie, C‑148/96 P(R), EU:C:1996:307, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook het arrest Nordspedizionieri di Danielis Livio e.a./Commissie, C‑62/05 P, EU:C:2007:607, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
17
Uit de rechtspraak die in punt 15 van deze beschikking in herinnering is gebracht volgt dat de president van het Gerecht in punt 35 van de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld, dat het verzoek om tijdelijke maatregelen moest worden verworpen zonder de vragen met betrekking tot het spoedeisend karakter en de belangenafweging te onderzoeken, aangezien was voldaan aan de voorwaarde voor de fumus boni iuris. Voor zover STC in het kader van haar hogere voorziening overigens de argumenten herhaalt die zij in eerste aanleg met betrekking tot die vragen heeft aangevoerd, moeten deze in overeenstemming met de in punt 16 van deze beschikking in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
18
Wat betreft het verwerpen van de argumenten met betrekking tot de fumus boni iuris in verband met de eerste en de derde voor het Gerecht aangevoerde grond voor nietigverklaring, wijst STC er in haar hogere voorziening op dat „het Gerecht van oordeel is dat het vanwege het gestelde ontbreken van de fumus boni iuris geen uitspraak hoeft te doen over de overige aangevoerde gronden voor nietigverklaring”. Zij voert in dit verband aan dat zij „deze gronden voor nietigverklaring niet intrekt en ze handhaaft om de beslissing van het Gerecht om ze niet te onderzoeken, te bestrijden” en „concludeert tot hun aanvaarding door de rechter in kort geding, hetzij, in voorkomend geval, door het Hof zelf, hetzij, bij terugverwijzing, door het Gerecht”. Hiertoe herinnert STC uitdrukkelijk aan de argumenten die zij ter ondersteuning van voornoemde middelen in eerste aanleg heeft aangevoerd.
19
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot wat STC betoogt, de president van het Gerecht de bij hem aangevoerde argumenten met betrekking tot de fumus boni iuris in verband met de eerste en de derde bij hem aangevoerde grond, heeft verworpen.
20
Weliswaar heeft de president van het Gerecht die argumenten niet ten gronde onderzocht, maar hij heeft niettemin in punt 32 van de bestreden beschikking uiteengezet dat een dergelijk onderzoek niet nodig was, omdat naar zijn oordeel „de inschrijving van [STC] met toepassing van de toepasselijke wetgeving op het eerste gezicht terecht was afgewezen, zodat het uitgesloten leek dat het onderzoek van de overige middelen het bestaan van een fumus boni iuris aan het licht kon brengen”.
21
Door in haar hogere voorziening echter slechts aan te geven, dat zij de relevante punten van de bestreden beschikking bestrijdt en de middelen die zij in eerste aanleg heeft aangevoerd niet intrekt en door de bij het Gerecht voorgelegde argumenten slechts ter herhalen, voert STC geen enkel middel of argument aan, waarmee vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het verwerpen door de president van het Gerecht van de argumenten met betrekking tot de fumus boni iuris die verband houden met de eerste en de derde voor hem aangevoerde grond voor nietigverklaring. STC zet in haar hogere voorziening immers niet uiteen waarom de president van het Gerecht een onrechtmatigheid zou hebben begaan met zijn oordeel dat de verwerping van de argumenten die verband houden met de tweede grond voor nietigverklaring, voldoende grond opleverde voor de verwerping van soortgelijke argumenten betreffende deze twee overige middelen.
22
Derhalve moet deze argumentatie, in overeenstemming met de in punt 16 van deze beschikking in herinnering gebrachte rechtspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard.
De drie middelen in hogere voorziening
Argumenten van partijen
23
Het eerste middel betreft in wezen een verdraaiing van de feiten met betrekking tot de realiteit van de aperte schrijffout in de prijsinschrijving van STC en het feit dat de president van het Gerecht geen rekening heeft gehouden met een bevoegdheidsoverschrijding door de Commissie. Volgens STC heeft de schrijffout in haar inschrijving geen betrekking op de eenheidsprijzen, maar op de vereiste hoeveelheden van bepaalde verrichtingen, aangezien zij haar inschrijving op een achterhaalde versie van het document „Inschrijving van de contractant” had ingediend. De enige mogelijke verbetering zou daarom zijn geweest dat zij werd uitgenodigd om zelf aan te geven welke eenheidsprijzen zij voorstelde met betrekking tot de nieuwe hoeveelheden. Het zou niet aan de Commissie zijn om het document „Inschrijving van de contractant” in de plaats van STC in te vullen en zo tussen te komen in de vaststelling van de totale kosten van de inschrijving.
24
Het tweede middel betreft een onjuiste rechtsopvatting van de president van het Gerecht met betrekking tot het feit dat de inschrijver, en niet de aanbestedende dienst, het recht zou hebben de prijsinschrijving van de inschrijver te wijzigen om een duidelijke materiële fout erin te verbeteren. Rekening houdende met de wijziging van de vereiste hoeveelheden door de Commissie, zou STC de mogelijkheid moeten hebben gehad om naargelang van die hoeveelheden een nieuwe eenheidsprijs aan te geven. Volgens STC binden de voorgestelde eenheidsprijzen de inschrijver slechts met betrekking tot de hoeveelheden die waren aangegeven in de inschrijving en zij onderstreept dat het het totaalbedrag van de inschrijving is dat bepaalt hoeveel punten worden toegekend in het kader van de prijsinschrijving.
25
Het derde middel betreft een onjuiste rechtsopvatting van de president van het Gerecht, omdat hij heeft geoordeeld dat de wijziging door STC van de ingediende eenheidsprijzen in haar inschrijving, ten gevolge van een wijziging van de vereiste hoeveelheden van bepaalde verrichtingen, onrechtmatig was.
26
De Commissie, ondersteund door CPL Concordia, stelt dat de drie middelen in hogere voorziening niet-ontvankelijk zijn en in ieder geval ongegrond.
Beoordeling door het Hof
27
Allereerst moet in herinnering worden gebracht dat, zoals de president van het Gerecht in punt 23 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, het op grond van artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening in de fase van de procedure die volgt op de opening van de inschrijvingen uitsluitend op initiatief van de aanbestedende dienst is toegestaan aperte schrijffouten in de inschrijving te verbeteren en dit voor zover het aldus gelegde contact er niet toe leidt dat de voorwaarden van de inschrijving worden gewijzigd. Deze bepaling is vastgesteld op grond van artikel 112 van verordening nr. 966/2012, waarvan lid 1 met name bepaalt, dat dergelijke contacten plaatshebben onder voorwaarden die transparantie en een gelijke behandeling garanderen.
28
Zo is het doel van artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening schrijffouten van de inschrijvers in hun inschrijving te verbeteren, terwijl wordt voorkomen dat een contact tussen de aanbestedende dienst en een inschrijver met het oog op het verbeteren van een dergelijke schrijffout die laatste een voordeel verschaft, doordat het hem in staat stelt die inschrijving te wijzigen op een moment waarop de andere inschrijvers die mogelijkheid niet meer hebben.
29
In casu staat vast dat de Commissie bij haar brief van 30 januari 2014 STC ingevolge die laatste bepaling, waarnaar overigens is verwezen, heeft verzocht haar inschrijving te verbeteren.
30
Eveneens staat vast dat in het document „Inschrijving van de contractant”, aanvankelijk gepubliceerd op 17 juli 2013, onder de kopjes 2.18 en 2.31 twee fouten zijn gemaakt met betrekking tot de vereiste hoeveelheden van bepaalde verrichtingen. In haar antwoord op de brief van de Commissie van 30 januari 2014 betoogt STC met name dat zij de mogelijkheid had moeten hebben om de eenheidsprijzen die zij in haar aanvankelijke inschrijving van 15 november 2013 had voorgesteld, te wijzigen om rekening te houden met die fouten.
31
In punt 2 van de bestreden beschikking is echter vastgesteld, en overigens niet betwist door STC, dat een gewijzigde versie van het bestand dat het document „Inschrijving van de contractant” bevatte op 9 oktober 2013 op de internetsite van het GCO is bekendgemaakt, dat wil zeggen meer dan een maand vóór 15 november 2013, de uiterste datum voor het indienen van de inschrijvingen en de datum waarop de inschrijving van STC daadwerkelijk is ingediend.
32
De schrijffouten die door STC in antwoord op de brief van 30 januari 2014 moesten worden verbeterd, waren als zodanig dus niet de fouten die de Commissie had gemaakt bij het opstellen van de aanbesteding, welke tijdig waren verbeterd. Uit de feiten die op grond van de gegevens uit het dossier, en met name de punten 2, 3 en 24 ervan, zijn vastgesteld, volgt dat de fouten die moesten worden verbeterd veeleer het gevolg zijn van het feit dat STC in haar op 15 november 2013 ingediende inschrijving geen rekening had gehouden met de wijzigingen die op 9 oktober 2013 waren aangebracht ten aanzien van de vereiste hoeveelheden voor het onderhoud en voor de elektrische voedingsinstallaties.
33
Zoals de president van het Gerecht terecht heeft opgemerkt in punt 24 van de bestreden beschikking, heeft STC bij het opstellen van haar inschrijving dus schrijffouten gemaakt in de zin van artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening, aangezien zij de verkeerde hoeveelheden heeft gebruikt van de verrichtingen die werden genoemd in de aanvankelijk bekendgemaakte aanbesteding.
34
Zoals STC betoogt, betreffen die fouten inderdaad de vereiste hoeveelheden van voornoemde verrichtingen en niet de voorgestelde eenheidsprijzen als zodanig. Toch hebben voornoemde fouten, zoals de president van het Gerecht in de punten 25 tot en met 27 van de bestreden beschikking terecht heeft opgemerkt, niettemin een rechtstreekse invloed gehad op de prijsinschrijving van STC aangezien zij de vaststelling van het totaalbedrag van de inschrijving op basis van die prijzen hebben beïnvloed.
35
Nu de president van het Gerecht de invloed van de te verbeteren fouten op het totaalbedrag van de inschrijving juist heeft vastgesteld, waarbij hij opmerkte dat zij niet door de aanbestedende dienst, maar door de inschrijver zijn gemaakt en betrekking hadden op de vereiste hoeveelheden voor bepaalde verrichtingen, dienen de argumenten die STC in het kader van haar eerste middel in hogere voorziening heeft aangedragen met betrekking tot een verdraaiing van de feiten betreffende de realiteit van de aperte schrijffouten in haar prijsinschrijving, te worden verworpen.
36
Op grond van die argumenten kan immers niet de conclusie worden getrokken dat voornoemde fouten in de bestreden beschikking op een zodanige manier waren beoordeeld dat de gegevens uit het dossier werden verdraaid.
37
Voor het overige moeten de argumenten die STC heeft aangevoerd in het kader van haar eerste middel in hogere voorziening betreffende het achterwege blijven van een onderzoek van een bevoegdheidsoverschrijding door de Commissie alsmede die welke STC in het kader van haar tweede en haar derde middel in hogere voorziening heeft aangevoerd, worden onderzocht. In wezen betoogt STC met al die argumenten, dat de president van het Gerecht onrechtmatigheden heeft begaan door te oordelen dat op basis van de tweede voor hem aangevoerde grond voor nietigverklaring niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een fumus boni iuris, niettegenstaande de door de Commissie begane rechtsfouten die haar zouden hebben gebracht tot een aan STC op 3 april 2014 medegedeelde negatieve beoordeling van haar inschrijving. Die fouten betroffen de wijze waarop in casu de procedure werd toegepast die moet worden gevolgd voor het verbeteren van aperte schrijffouten in de inschrijving van een inschrijver.
38
In dit verband heeft STC in het kader van haar eerste en tweede middel in hogere voorziening terecht betoogd dat uitsluitend een inschrijver de inhoud van zijn inschrijving kan bepalen. Al mag op grond van artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening een aanbestedende dienst contact opnemen met de inschrijver om hem in staat te stellen zijn inschrijving te wijzigen, dit geeft hem niet de bevoegdheid om die inschrijving namens de inschrijver te wijzigen.
39
In casu heeft de Commissie, zoals de president van het Gerecht in punt 25 van de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld, daadwerkelijk contact opgenomen met STC om haar in staat te stellen de vastgestelde aperte schrijffouten te verbeteren in overeenstemming met artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening.
40
Zoals blijkt uit punt 3 van de gedelegeerde verordening, heeft de Commissie inderdaad bij haar brief van 30 januari 2014 STC het document „Inschrijving van de contractant” doen toekomen in een bijgewerkte versie die een vermelding van de eenheidsprijzen en een gewijzigde totale kostprijs van de inschrijving bevatte. Toen STC bij haar e-mail van 7 februari 2014 had aangegeven, dat zij de aldus voorgestelde wijzigingen niet goedkeurde en het totaalbedrag van haar inschrijving handhaafde, waarbij zij aldus de aanvankelijk aangegeven eenheidsprijzen wijzigde, heeft de Commissie echter akte genomen van dat standpunt van de inschrijver. Het is immers op basis van dit antwoord op haar brief van 30 januari 2014, zoals de president van het Gerecht in punt 4 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, dat de Commissie haar latere beslissing, vervat in haar brief van 3 april 2014, heeft genomen om de inschrijving van STC, zoals die door deze laatste was gewijzigd, af te wijzen.
41
Aldus moet worden vastgesteld dat de Commissie de inschrijving van STC niet in haar plaats heeft gewijzigd en dat, anders dan STC stelt, de president van het Gerecht niet heeft geoordeeld dat een dergelijke wijziging was geoorloofd. Zoals de president van het Gerecht in punt 25 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld, heeft de Commissie op het eerste gezicht de grenzen van haar bevoegdheid om contact op te nemen met een inschrijver niet overschreden, nu zij zich heeft beperkt tot het voorstellen van een correctie van de hoeveelheden van bepaalde in haar inschrijving beoogde verrichtingen.
42
STC stelt eveneens dat de president van het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot zijn oordeel dat sprake was een fumus boni iuris betreffende de vraag of de Commissie de inschrijving van STC terecht had verworpen, omdat zij de voorwaarden van haar prijsinschrijving eerder gewijzigd dan verbeterd zou hebben.
43
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, in overeenstemming met het oordeel in punt 28 van deze beschikking, het uit hoofde van artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening verbeteren van een schrijffout die een inschrijver in zijn inschrijving heeft gemaakt hem niet in de gelegenheid moet stellen die inschrijving te wijzigen, waardoor hem een wederrechtelijk voordeel zou worden verschaft.
44
Hieruit volgt dat elke wijziging van een prijsinschrijving die niet de loutere verbetering van een aperte schrijffout in de inschrijving betreft, of die niet automatisch uit een dergelijke verbetering voortvloeit, uit hoofde van artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening niet is toegestaan. Teneinde het beginsel van gelijke behandeling en voornoemde bepaling niet te schenden, mag de aanbestedende dienst immers niet na de opening van de inschrijvingen aan één enkele inschrijver de mogelijkheid bieden om de voorwaarden van zijn inschrijving te wijzingen.
45
Volgens STC had de wijziging van de eenheidsprijzen die zij in haar e‑mail van 7 februari 2014 had aangegeven, moeten worden toegestaan, nu hiermee niet het totaalbedrag van haar inschrijving werd gewijzigd. De president van het Gerecht heeft in punt 27 van de bestreden beschikking echter terecht opgemerkt dat de door STC met die e-mail aangebrachte wijzigingen neerkomen op een verdubbeling van het bedrag van haar aanbesteding met betrekking tot de prijs van de verrichtingen waarvoor de gevraagde hoeveelheden zijn gehalveerd en, in punt 29 van die beschikking, dat het totaalbedrag van de inschrijving automatisch was berekend aan de hand van de gevraagde hoeveelheden en de eenheidsprijzen, welke de enige twee punten waren die de gegadigden in het document „Inschrijving van de contractant” moesten noemen.
46
Gelet op deze vaststellingen en in het licht van wat in punt 44 van deze beschikking is geoordeeld, heeft de president in punt 28 van de bestreden beschikking in verband met het eerste onderzoek naar het bestaan van een fumus boni iuris eveneens op goede gronden opgemerkt, dat STC na afloop van de periode voor indiening van de inschrijvingen niet de mogelijkheid mocht worden geboden haar eenheidsprijzen te herzien naargelang de gevraagde hoeveelheden en, in punt 29 van voornoemde beschikking, dat die prijzen een essentiële factor in de inschrijving leken te vormen. Een verbetering van de inschrijving van STC waarbij de aanvankelijk voorgestelde eenheidsprijzen worden gewijzigd, had haar immers een onverschuldigd voordeel kunnen verschaffen in vergelijking met de andere inschrijvers en had derhalve in strijd kunnen blijken te zijn met artikel 160, lid 3, van de gedelegeerde verordening en het beginsel van gelijke behandeling.
47
De president van het Gerecht heeft derhalve in de punten 25 en 30 van de bestreden beschikking terecht geoordeeld, dat de enige verbetering die mogelijk is zonder onrechtmatige wijziging van de inschrijving, op het eerste gezicht slechts lijkt te bestaan in de toepassing van de in de aanvankelijke inschrijving van 15 november 2013 aangegeven eenheidsprijzen op de nieuwe vereiste hoeveelheden in de aanbesteding, zoals gewijzigd op 9 oktober 2013. In de punten 25 en 27 van de bestreden beschikking heeft hij eveneens op goede gronden opgemerkt, dat de Commissie op het eerste gezicht rechtmatig heeft gehandeld door in overeenstemming met haar bevoegdheid die verbetering voor te stellen, terwijl STC door het totaalbedrag van haar inschrijving ondanks de wijziging van de vereiste hoeveelheden te willen handhaven, de voorwaarden van die inschrijving had gewijzigd.
48
Uit het voorgaande blijkt dat de argumenten van STC dat zij, in tegenstelling tot het oordeel van de president van het Gerecht in de bestreden beschikking, het recht had om de eenheidsprijzen die zij in haar aanvankelijke inschrijving had voorgesteld, te verbeteren, zoals zij bij haar e-mail van 7 februari 2014 heeft gedaan, niet kunnen slagen.
49
Op grond van geen van de middelen in hogere voorziening kan derhalve worden geconcludeerd dat de president van het Gerecht een onrechtmatigheid heeft begaan door aan de hand van de voor hem aangevoerde argumenten en onder voorbehoud van het onderzoek van de zaak ten gronde te overwegen dat op basis van de tweede grond voor vernietiging geen fumus boni iuris kon worden vastgesteld.
50
Bijgevolg moet de hogere voorziening in haar geheel worden verworpen, zonder dat het nodig is uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van de conclusies van STC tot opschorting van de uitvoering van de litigieuze besluiten. Hoewel die conclusies niet subsidiair zijn aangevoerd, moet immers worden vastgesteld dat zij slechts in het geval van vernietiging van de bestreden beschikking ter zake zouden doen.
Kosten
51
Krachtens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 118 ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien STC in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en CPL Concordia worden verwezen in de kosten van onderhavige hogere voorziening.
De vicepresident van het Hof beschikt:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
STC SpA wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy