BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)
17 november 2015 ( * )
„Prejudiciële verwijzing — Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Richtlijn 79/7/EEG — Artikel 4, lid 1 — Gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers — Deeltijdwerkers, voornamelijk van het vrouwelijke geslacht — Nationale regeling die voorziet in een maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering — Regeling die voor de berekening van dat bedrag gebruikmaakt van de verhouding tussen de arbeidstijd van de betrokken deeltijdwerkers en de arbeidstijd van de voltijdwerkers”
In zaak C‑137/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (hooggerechtshof van de autonome regio Baskenland, Spanje) bij beslissing van 24 februari 2015, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2015, in de procedure
María Pilar Plaza Bravo
tegen
Servicio Público de Empleo Estatal Dirección Provincial de Álava,
geeft
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: C. Toader, kamerpresident, A. Prechal (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door L. Banciella Rodríguez-Miñón en A. Gavela Llopis als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Pardo Quintillán, A. Szmytkowska en D. Martin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen, overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. P. Plaza Bravo en de Servicio Público de Empleo Estatal Dirección Provincial de Álava (nationale overheidsdienst voor arbeidsvoorziening, provinciale directie Álava; hierna: „SPE”) over het bedrag van de door Plaza Bravo ontvangen werkloosheidsuitkeringen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Volgens artikel 2 van richtlijn 79/7 is die richtlijn met name van toepassing op werknemers wier arbeid is onderbroken door onvrijwillige werkloosheid. Voorts is die richtlijn op grond van artikel 3 met name van toepassing op wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen werkloosheid.
4
Artikel 4, lid 1, van die richtlijn luidt:
„Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
—
de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
—
de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
—
de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.”
Spaans recht
5
Artikel 211 van de Ley General de la Seguridad Social (algemene wet op de sociale zekerheid), goedgekeurd bij koninklijk wetsbesluit 1/94 van 20 juni 1994 (BOE nr. 154 van 29 juni 1994, blz. 20658; hierna: „LGSS”), zoals van toepassing op de feiten in het hoofdgeding, bepaalt:
„1. De berekeningsgrondslag van de werkloosheidsuitkering is het gemiddelde van de premiegrondslag voor die eventualiteit gedurende de laatste 180 [werkdagen].
[...]
2. Het bedrag van de uitkering wordt bepaald door de volgende percentages op de berekeningsgrondslag toe te passen: 70 % gedurende de eerste 180 dagen en 50 % vanaf de 181e dag.
3. De werkloosheidsuitkering bedraagt maximaal 175 % van de indicador público de rentas de efectos múltiples [publieke inkomensindicator voor diverse doeleinden; hierna: „IPREM”], tenzij de werknemer een of meer kinderen ten laste heeft; in dat geval bedraagt de werkloosheidsuitkering 200 % respectievelijk 225 % van de [IPREM].
De werkloosheidsuitkering bedraagt minimaal 107 % of 80 % van de [IPREM], naargelang de werknemer kinderen ten laste heeft of niet.
In geval van werkloosheid door verlies van deeltijd- of voltijdarbeid worden de in de vorige alinea’s vermelde minimum- en maximumbedragen van de uitkering bepaald op basis van de [IPREM], die wordt berekend op basis van de gemiddelde arbeidstijd in de periode van de laatste 180 dagen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, waarbij dit gemiddelde wordt gewogen in verhouding tot het in die periode vervulde aantal arbeidsdagen in deeltijd of in voltijd.
Voor de toepassing van dit lid wordt de bij het ontstaan van het recht geldende maandelijkse [IPREM], verhoogd met een zesde, in aanmerking genomen.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat verzoekster in het hoofdgeding vanaf 30 maart 1977 als serveerster in een hotel werkte dat tot een hotelketen behoort. Zij had een deeltijdarbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, op grond waarvan haar arbeidstijd overeenkwam met 60 % van die van een voltijdwerker. Zij betaalde premies aan het Spaanse socialezekerheidsstelsel.
7
Op 9 mei 2013 is zij ontslagen in het kader van een procedure van collectief ontslag om economische, organisatorische en productiegerelateerde redenen, die gevolgen had voor meerdere vestigingen van die hotelketen en in totaal 359 werknemers trof, van wie 317 vrouwen en 42 mannen.
8
Na de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst heeft verzoekster in het hoofdgeding om een op premiebetaling berustende werkloosheidsuitkering verzocht, die haar op 15 mei 2013 door de SPE is toegekend voor 720 dagen met ingang op 10 mei 2013. Het oorspronkelijke bedrag van die uitkering, namelijk 21,74 EUR per dag, werd in twee stappen berekend.
9
In eerste instantie werd de werkloosheidsuitkering per dag berekend door de berekeningsgrondslag per dag te vermenigvuldigen met het in artikel 211, lid 2, LGSS bedoelde percentage van 70 %. Die berekeningsgrondslag werd verkregen door het gemiddelde van het door verzoekster in het hoofdgeding voor haar laatste 180 werkdagen ontvangen maandloon, namelijk 1554,52 EUR, door 30 te delen. De daguitkering bedroeg derhalve 36,27 EUR.
10
In tweede instantie werd het bedrag van die daguitkering beperkt tot het overeenkomstig artikel 211, lid 3, LGSS vastgestelde maximumbedrag. Aangezien verzoekster in het hoofdgeding geen kinderen ten laste had, werd eerst het maandelijkse maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering bepaald door de maandelijkse IPREM voor 2013 van 532,51 EUR, vermeerderd met een zesde, te vermenigvuldigen met 175 %. Het verkregen bedrag bedroeg 1087,20 EUR. Vervolgens werd dat bedrag door 30 gedeeld om het dagelijkse maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering te berekenen. Ten slotte werd op dat dagelijkse maximumbedrag van 36,24 EUR een coëfficiënt van 60 % toegepast, die overeenkwam met de deeltijdarbeid van verzoekster in het hoofdgeding, die 60 % van voltijdarbeid bedroeg. De uitkomst van die berekening bedroeg 21,74 EUR, wat overeenkomt met het in punt 8 van de onderhavige beschikking genoemde bedrag.
11
Bij administratief beroep heeft verzoekster in het hoofdgeding verzocht om voormelde coëfficiënt buiten toepassing te laten. Dat bezwaar is afgewezen bij beslissing van de SPE van 3 juli 2013. Bij vonnis van 30 juni 2014 heeft de Juzgado de lo social no 3 de Vitoria-Gasteiz (rechter in sociale zaken nr. 3 te Vitoria-Gasteiz) die beslissing bevestigd op grond van artikel 211, lid 3, LGSS.
12
De verwijzende rechter, bij wie tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, legt vooraf uit dat in Spanje deeltijdbanen voor het overgrote deel door vrouwen worden ingevuld. Dat algemeen bekende feit wordt met name bevestigd door de door het Instituto Nacional de Estadística (nationaal bureau voor de statistiek) in december 2014 gehouden arbeidskrachtenenquête, volgens welke in Spanje 25,3 % van het totale aantal vrouwelijke werknemers, dat wil zeggen één op de vier vrouwen, in deeltijd werkt, tegen slechts 7,8 % van de mannelijke werknemers, dat wil zeggen minder dan één op de twaalf mannen.
13
Volgens die rechter leidt de toepassing van artikel 211, lid 3, LGSS ertoe dat deeltijdwerkers ongunstiger worden behandeld dan voltijdwerkers doordat in die bepaling wordt voorzien in een maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering dat wordt bepaald aan de hand van de IPREM, die wordt berekend op basis van het gedurende de laatste 180 werkdagen gemiddelde aantal gewerkte uren.
14
Ter illustratie van dat verschil in behandeling wijst die rechter erop dat een deeltijdwerker die, zoals verzoekster in het hoofdgeding, geen kinderen ten laste heeft, in de laatste 180 dagen vóór de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een arbeidstijd vervult die 60 % van die van een voltijdwerker bedraagt, wiens gemiddeld loon, op basis waarvan hij aan de sociale zekerheid premies betaalt, 1554,52 EUR bedraagt en die na 36 dienstjaren zijn enige baan verliest, een op premiebetaling berustende maandelijkse werkloosheidsuitkering van 652,20 EUR (21,74 EUR × 30 dagen) ontvangt, terwijl een voltijdwerker die een soortgelijke gezinssituatie en hetzelfde loon heeft en aan de sociale zekerheid evenveel premies betaalt, 1087,20 EUR (36,24 EUR × 30 dagen) ontvangt.
15
Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regel, die is neergelegd in artikel 211, lid 3, LGSS, niet is gerechtvaardigd door objectieve omstandigheden en tot schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie op grond van geslacht leidt. Hij wijst er met name op dat voltijdwerkers en deeltijdwerkers dezelfde – van het bedrag van hun loon afhankelijke – premie betalen om bij werkloosheid bescherming te genieten, terwijl het bedrag van de uitkeringen waarop zij recht hebben, sterk verschilt. Dat verschil in behandeling treft hoofdzakelijk vrouwen en neemt toe naarmate de coëfficiënt voor deeltijdwerk groter is.
16
Daarom heeft het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
Beantwoording van de prejudiciële vraag
17
Volgens artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer een gestelde prejudiciële vraag identiek is aan een vraag waarover het reeds uitspraak heeft gedaan, wanneer het antwoord op een dergelijke vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.
18
In de onderhavige zaak dient dat procedurevoorschrift te worden toegepast.
19
Weliswaar staat vast dat het Unierecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, in acht neemt en dat het bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Europese Unie aan de lidstaten staat om in hun wetgeving de voorwaarden vast te stellen voor de toekenning van prestaties op het gebied van de sociale zekerheid, maar dit neemt niet weg dat de lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid het Unierecht dienen te eerbiedigen (arrest Cachaldora Fernández, C‑527/13, EU:C:2015:215, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
Bijgevolg doet het Unierecht in beginsel geen afbreuk aan de keuze van de Spaanse wetgever om in een bepaling als artikel 211, lid 3, LGSS in minimum- en maximumwerkloosheidsuitkeringen te voorzien en op die bedragen een verlagingscoëfficiënt voor deeltijdwerk toe te passen. Evenwel moet worden nagegaan of in het hoofdgeding deze keuze in overeenstemming is met richtlijn 79/7 (zie naar analogie arrest Cachaldora Fernández, C‑527/13, EU:C:2015:215, punt 26).
21
Meteen dient te worden vastgesteld dat een nationale regeling als in het hoofdgeding geen rechtstreeks op geslacht gebaseerde discriminatie in het leven roept, aangezien zij zonder onderscheid van toepassing is op mannelijke en vrouwelijke werknemers. Derhalve moet worden onderzocht of zij indirect op dat criterium gebaseerde discriminatie vormt.
22
Met betrekking tot de vraag of een regeling als in het hoofdgeding tot indirecte discriminatie leidt, zoals de verwijzende rechter suggereert, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat er sprake is van indirecte discriminatie wanneer de toepassing van een nationale maatregel, al is deze op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt (arrest Cachaldora Fernández, C‑527/13, EU:C:2015:215, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
In de onderhavige zaak moet worden opgemerkt dat de beoordeling van de verwijzende rechter berust op de tweeledige premisse dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling, namelijk artikel 211, lid 3, LGSS, de groep van deeltijdwerkers betreft, die voor het overgrote deel uit werkneemsters bestaat.
24
In dit verband moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling, zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt en zoals ook de Spaanse regering opmerkt, niet op alle deeltijdwerkers van toepassing is, maar alleen op degenen op wie, gelet op het door hen gedurende de laatste 180 werkdagen ontvangen loon, de minimum- of maximumbedragen van de werkloosheidsuitkering van toepassing zijn. Derhalve blijkt uit de algemene statistische gegevens over de groep van deeltijdwerkers als geheel niet dat die bepaling een veel groter aantal vrouwen dan mannen raakt (zie naar analogie arrest Cachaldora Fernández, C‑527/13, EU:C:2015:215, punt 30).
25
Voorts volgt uit het aan het Hof overgelegde dossier niet dat er statistische gegevens over de groep van specifiek door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling geraakte werknemers bestaan waaruit blijkt dat die bepaling een veel groter aantal vrouwen dan mannen raakt.
26
Bovendien kunnen de in artikel 211, lid 3, LGSS bedoelde maximumbedragen van de werkloosheidsuitkering, die met name in het hoofdgeding aan de orde zijn, zoals de Spaanse regering en de Commissie hebben opgemerkt, voltijdwerkers evenveel of zelfs meer benadelen, aangezien die bedragen worden bepaald aan de hand van de IPREM, die van toepassing is op alle werknemers.
27
Dat die maximumbedragen pro rata temporis worden aangepast om rekening te houden met de kortere arbeidstijd van een deeltijdwerker in vergelijking met die van een voltijdwerker, kan voorts op zich niet in strijd met het Unierecht worden geacht (zie in die zin arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund, C‑476/12, EU:C:2014:2332, punt 23en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Zoals de Commissie terecht opmerkt, kan die pro rata temporis‑aanpassing overigens hetzelfde maximale bedrag van de uitkering per gewerkt uur garanderen en derhalve de gelijke behandeling bevorderen.
29
Gelet op het voorgaande kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling, op basis van de gegevens in de verwijzingsbeslissing, niet worden geacht overwegend een bepaalde categorie werknemers te benadelen, in casu werknemers die in deeltijd werken en, a fortiori, vrouwen. Deze bepaling kan dus niet worden aangemerkt als een indirect discriminerende maatregel in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7.
30
Derhalve moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich in omstandigheden als in het hoofdgeding niet verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan voor de berekening van het volledige bedrag van de werkloosheidsuitkering voor een werknemer bij verlies van zijn enige baan, die een deeltijdbaan is, op het bij wet vastgestelde maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering een verlagingscoëfficiënt voor deeltijdwerk wordt toegepast die overeenkomt met het percentage dat de arbeidstijd van de deeltijdwerker uitmaakt ten opzichte van de arbeidstijd van een vergelijkbare voltijdwerker.
Kosten
31
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid verzet zich in omstandigheden als in het hoofdgeding niet tegen een nationale bepaling op grond waarvan voor de berekening van het volledige bedrag van de werkloosheidsuitkering voor een werknemer bij verlies van zijn enige baan, die een deeltijdbaan is, op het bij wet vastgestelde maximumbedrag van de werkloosheidsuitkering een verlagingscoëfficiënt voor deeltijdwerk wordt toegepast die overeenkomt met het percentage dat de arbeidstijd van de deeltijdwerker uitmaakt ten opzichte van de arbeidstijd van een vergelijkbare voltijdwerker.
ondertekeningen
( * ) Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy