BESCHIKKING VAN DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF
2 maart 2016 ( *1 )
„Kort geding — Hogere voorziening — Administratieve procedure — Bekendmaking van een besluit houdende vaststelling van een onrechtmatige mededingingsregeling op de Europese markt van waterstofperoxide en perboraat — Besluit van de Commissie tot afwijzing van een verzoek om vertrouwelijke behandeling van bepaalde informatie die is opgenomen in het besluit houdende vaststelling van die mededingingsregeling — Mededeling inzake medewerking — Arrest van het Gerecht van de Europese Unie tot afwijzing van het tegen voornoemd besluit ingestelde beroep tot nietigverklaring — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van dat besluit — Fumus boni juris — Spoedeisendheid — Belangenafweging”
In zaak C‑162/15 P-R,
betreffende een verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging en om voorlopige maatregelen krachtens de artikelen 278 VWEU en 279 VWEU, ingesteld op 6 oktober 2015,
Evonik Degussa GmbH, gevestigd te Essen (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Steinle, C. von Köckritz en A. Richter, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Meessen, M. Kellerbauer en F. van Schaik als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF,
advocaat-generaal M. Szpunar gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Met haar hogere voorziening, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 april 2015, heeft Evonik Degussa GmbH het Hof verzocht om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 28 januari 2015, Evonik Degussa/Commissie (T‑341/12, EU:T:2015:51; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van besluit C(2012) 3534 final van de Commissie van 24 mei 2012 houdende afwijzing van een verzoek tot vertrouwelijke behandeling dat Evonik Degussa had ingediend krachtens artikel 8 van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (zaak COMP/38.620 – Waterstofperoxide en perboraat) (hierna: „litigieus besluit”) heeft verworpen.
2
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 oktober 2015, heeft rekwirante krachtens de artikelen 278 VWEU en 279 VWEU het onderhavige verzoek in kort geding ingediend, waarbij het Hof wordt verzocht de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit op te schorten en de Europese Commissie te gelasten, tot de uitspraak van het arrest waarmee de procedure in hogere voorziening in de zaak C‑162/15 P wordt beëindigd, niet over te gaan tot de bekendmaking van een niet-vertrouwelijke versie van beschikking C(2006) 1766 definitief van de Commissie van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vastgesteld ten aanzien van Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals Holding AB, Eka Chemicals AB, Degussa AG, Edison SpA, FMC Corporation, FMC Foret SA, Kemira OYJ, L’Air Liquide SA, Chemoxal SA, Snia SpA, Caffaro Srl, Solvay SA/NV, Solvay Solexis SpA, Total SA, Elf Aquitaine SA en Arkema SA (zaak COMP/38.620 – Waterstofperoxide en perboraat), waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2006, L 353, blz. 54; hierna: „WPP-beschikking”), die, wat rekwirante betreft, gedetailleerder is dan de niet-vertrouwelijke versie die in 2007 is bekendgemaakt.
3
De Commissie heeft opmerkingen ingediend op 29 oktober 2015.
Voorgeschiedenis van het geding en bestreden arrest
4
In de WPP-beschikking heeft de Commissie onder meer vastgesteld dat Degussa AG, thans Evonik Degussa GmbH, rekwirante, en zestien andere in de sector waterstofperoxide en perboraat werkzame vennootschappen op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) hadden deelgenomen aan een inbreuk op artikel 81 EG. Omdat rekwirante de eerste vennootschap was die, in december 2002, krachtens de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”) met de Commissie contact had opgenomen en daarbij ten volle met de Commissie had meegewerkt door deze laatste alle in haar bezit zijnde informatie over de inbreuk te verstrekken, heeft zij volledige immuniteit tegen geldboeten gekregen.
5
In 2007 is een eerste niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking bekendgemaakt op de website van het directoraat-generaal (DG) „Concurrentie” van de Commissie.
6
In een aan rekwirante gerichte brief van 28 november 2011 heeft de Commissie eerstgenoemde laten weten dat zij van plan was een nieuwe, gedetailleerdere niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking bekend te maken, waarin de volledige inhoud van die beschikking met uitzondering van de vertrouwelijke informatie zou worden opgenomen. Daarbij heeft de Commissie rekwirante gevraagd, in de WPP-beschikking de informatie aan te wijzen die volgens haar vertrouwelijk diende te worden behandeld.
7
Omdat zij van mening was dat deze gedetailleerdere niet-vertrouwelijke versie vertrouwelijke informatie of zakengeheimen bevatte, heeft rekwirante de Commissie bij brief van 23 december 2011 laten weten dat zij bezwaar maakte tegen de voorgenomen bekendmaking. Ter ondersteuning van dit bezwaar heeft rekwirante meer in het bijzonder aangevoerd dat die niet-vertrouwelijke versie heel wat informatie bevatte die zij in het kader van het clementieprogramma aan de Commissie had verstrekt, en dat daarin ook de namen van verschillende van haar medewerkers en gegevens over haar handelsbetrekkingen voorkwamen. Volgens rekwirante zou de voorgenomen bekendmaking daardoor inbreuk maken op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en op het beginsel van gelijke behandeling en de onderzoeken van de Commissie kunnen schaden.
8
Bij brief van 15 maart 2012 heeft de Commissie rekwirante laten weten dat zij bereid was om in de nieuwe voor bekendmaking bestemde niet-vertrouwelijke versie alle informatie waaruit de herkomst van de in het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002 verstrekte informatie rechtstreeks of indirect kon worden afgeleid, alsmede de namen van medewerkers van rekwirante weg te laten. De Commissie was echter van mening dat het niet gerechtvaardigd was, het voordeel van vertrouwelijke behandeling toe te kennen aan de andere informatie waaromtrent rekwirante om vertrouwelijke behandeling had verzocht.
9
Daarop heeft rekwirante gebruikgemaakt van de mogelijkheid die wordt geboden door besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275, blz. 29; hierna: „besluit inzake de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur”), en zich tot de raadadviseur-auditeur gewend met het verzoek alle informatie die zij op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 had verstrekt, uit de voor bekendmaking bestemde niet-vertrouwelijke versie te weren.
10
Bij het litigieuze besluit heeft de raadadviseur-auditeur namens de Commissie de door rekwirante ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling afgewezen.
11
De raadadviseur-auditeur heeft er allereerst op gewezen dat zijn mandaat beperkt is en hem slechts toestaat, te onderzoeken of informatie als vertrouwelijk moet worden aangemerkt, maar niet om een gestelde beschaming van de legitieme verwachtingen van rekwirante ten aanzien van de Commissie ongedaan te maken.
12
Verder heeft hij erop gewezen dat rekwirante bezwaar maakte tegen de bekendmaking van een nieuwe, gedetailleerdere versie van de WPP-beschikking om de enkele reden dat deze op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 verstrekte informatie bevatte en dat de mededeling van dergelijke informatie aan derden haar schade zou kunnen berokkenen in het kader van beroepen tot schadevergoeding die voor nationale rechterlijke instanties tegen haar worden ingesteld. Volgens de raadadviseur-auditeur beschikt de Commissie echter over een ruime beoordelingsmarge om meer dan de belangrijkste punten van haar beschikkingen bekend te maken. Bovendien vormen verwijzingen naar in het administratieve dossier opgenomen documenten volgens hem op zichzelf geen zakengeheimen of anderszins vertrouwelijke informatie.
13
Volgens de raadadviseur-auditeur heeft rekwirante niet aangetoond dat de bekendmaking van informatie die zij aan de Commissie had meegedeeld om in aanmerking te komen voor het in de mededeling inzake medewerking vastgestelde clementieprogramma, haar ernstige schade kon berokkenen. Het belang dat een onderneming waaraan de Commissie een geldboete wegens schending van het mededingingsrecht heeft opgelegd, erbij heeft dat de details van het haar ten laste gelegde inbreukmakende gedrag niet openbaar worden gemaakt, zou in elk geval geen bijzondere bescherming verdienen. De raadadviseur-auditeur heeft dienaangaande eraan herinnerd dat de beroepen tot schadevergoeding noodzakelijk deel uitmaken van het mededingingsbeleid van de Europese Unie, en dat rekwirante dus niet op goede gronden kon aanvoeren dat zij een rechtmatig belang heeft bij bescherming tegen het risico dat wegens haar deelneming aan de inbreuk waarop de WPP-beschikking betrekking heeft, dergelijke beroepen tegen haar worden ingesteld.
14
De raadadviseur-auditeur was ook van mening dat hij niet bevoegd was om te antwoorden op rekwirantes argument dat het aan derden openbaar maken van informatie die zij in het kader van het clementieprogramma aan de Commissie had meegedeeld, dit programma zou ondermijnen, daar dit de grenzen van zijn mandaat te buiten ging. Hij heeft er in dit verband aan herinnerd dat het volgens de rechtspraak uitsluitend aan de Commissie staat om te beoordelen in hoeverre de feitelijke en historische context van het ten laste gelegde gedrag ter kennis van het publiek moet worden gebracht voor zover deze context geen vertrouwelijke informatie bevat.
15
Ten slotte heeft de raadadviseur-auditeur erop gewezen dat, aangezien het mandaat dat hem bij artikel 8 van het besluit inzake de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur is verleend, beperkt is tot het beoordelen in hoeverre informatie onder de geheimhoudingsplicht valt of op een andere grond vertrouwelijk moet worden behandeld, hij niet bevoegd is om uitspraak te doen op rekwirantes argument dat de bekendmaking van de informatie die zij in het kader van het clementieprogramma had meegedeeld, zou leiden tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling ten opzichte van de andere deelnemers aan de in de WPP-beschikking vastgestelde inbreuk.
16
Rekwirante heeft bijgevolg beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld alsook een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend.
17
De president van het Gerecht heeft dit laatste verzoek toegewezen bij de beschikking Evonik Degussa/Commissie (T‑341/12 R, EU:T:2012:604). Daarentegen heeft het Gerecht bij het bestreden arrest het beroep tot nietigverklaring afgewezen, waartegen rekwirante de in punt 1 van de onderhavige beschikking genoemde hogere voorziening heeft ingesteld.
18
Naar aanleiding van dit arrest heeft de Commissie rekwirante laten weten dat zij voornemens was over te gaan tot de bekendmaking van een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking die gedetailleerder was dan de niet-vertrouwelijke versie die in 2007 was bekendgemaakt. Daarop heeft rekwirante tevens het onderhavige verzoek in kort geding ingesteld.
Conclusies van partijen
19
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit op te schorten totdat het Hof de zaak ten gronde heeft afgedaan;
—
de Commissie te gelasten, totdat het Hof de zaak ten gronde heeft afgedaan, niet over te gaan tot het bekendmaken en/of toegang verlenen aan derden op haar website en/of op enige andere plaats van een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking die, wat rekwirante betreft, gedetailleerder is dan de niet-vertrouwelijke versie van deze beschikking die thans beschikbaar is op de website van het directoraat-generaal „Concurrentie” van de Commissie;
—
iedere andere maatregel te gelasten die het in de onderhavige omstandigheden billijk en geschikt acht, en
—
de beslissing over de kosten aan te houden.
20
De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten.
Verzoek in kort geding
21
Ter afdoening van het onderhavige verzoek in kort geding zij eraan herinnerd dat artikel 160, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat verzoeken in kort geding een duidelijke omschrijving moeten bevatten van „het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt”. De rechter in kort geding kan dus opschorting van de tenuitvoerlegging en andere voorlopige maatregelen toekennen indien vaststaat dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris) en spoedeisend zijn in die zin dat het ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker noodzakelijk is dat zij reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak worden gelast en effect sorteren. Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat een verzoek om voorlopige maatregelen moet worden afgewezen wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan. De rechter in kort geding weegt in voorkomend geval ook de betrokken belangen tegen elkaar af (beschikkingen van de vicepresident van het Hof Commissie/ANKO, C‑78/14 P‑R, EU:C:2014:93, punt 14, en AGC Glass Europe e.a./Commissie, C‑517/15 P‑R, EU:C:2016:21, punt 21).
Fumus boni juris
22
Volgens vaste rechtspraak is voldaan aan de voorwaarde inzake de fumus boni juris wanneer minstens één van de middelen die de om voorlopige maatregelen verzoekende partij ter ondersteuning van het beroep ten gronde heeft aangevoerd, op het eerste gezicht niet volstrekt ongegrond lijkt. Dit is met name het geval wanneer uit een van de aangevoerde middelen blijkt dat er sprake is van moeilijke juridische kwesties waarvan de oplossing niet voor de hand ligt en die dus een nader onderzoek verdienen, dat niet door de rechter in kort geding kan worden verricht, maar in de procedure ten gronde dient te worden uitgevoerd, of wanneer het debat tussen de partijen wijst op een aanzienlijke juridische controverse waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat [beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington Group, C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 67].
23
In de onderhavige context heeft de omstandigheid dat het verzoek in kort geding veeleer de opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit beoogt dan die van het bestreden arrest, evenwel gevolgen voor de beoordeling van de fumus boni juris (beschikking van de president van het Hof, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, C‑404/04 P‑R, EU:C:2005:267, punt 16, en beschikking van de vicepresident van het Hof Griekenland/Commissie, C‑431/14 P‑R, EU:C:2014:2418, punt 21).
24
Hoe sterk de middelen en argumenten van rekwirante tegen het bestreden arrest ook mogen zijn, zij volstaan als zodanig namelijk niet om de opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit te rechtvaardigen. Om aan te tonen dat aan de voorwaarde van fumus boni juris is voldaan, moet rekwirante bovendien aannemelijk maken dat de middelen en argumenten waarmee zij in het kader van het beroep tot nietigverklaring is opgekomen tegen de rechtmatigheid van dit besluit, de gevraagde opschorting op het eerste gezicht kunnen rechtvaardigen (beschikking van de vicepresident van het Hof Griekenland/Commissie, C‑431/14 P‑R, EU:C:2014:2418, punt 22).
25
In het kader van het onderhavige verzoek in kort geding moet er bij de beoordeling van de voorwaarde van fumus boni juris dus rekening mee worden gehouden dat het litigieuze besluit, waarvan om opschorting van de tenuitvoerlegging wordt verzocht, zowel feitelijk als rechtens reeds door een Unierechter is onderzocht en dat deze het beroep tegen dit besluit ongegrond heeft verklaard (beschikking van de president van het Hof Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, C‑404/04 P‑R, EU:C:2005:267, punt 19). In het kader van het onderhavige verzoek in kort geding moeten dus middelen worden aangevoerd die op het eerste gezicht bijzonder ernstig voorkomen, met name omdat die middelen de beoordeling ten gronde door het Gerecht van de door rekwirante in eerste aanleg aangevoerde argumenten in twijfel moeten kunnen trekken (zie in die zin beschikking van de president van het Hof, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, C‑404/04 P‑R, EU:C:2005:267, punt 20, en beschikking van de vicepresident van het Hof Griekenland/Commissie, C‑431/14 P‑R, EU:C:2014:2418, punt 24).
26
In casu voert rekwirante ter onderbouwing van haar hogere voorziening drie middelen aan. Met het eerste middel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de afbakening van de bevoegdheid waarover de raadadviseur-auditeur beschikt om te beslissen over de bekendmaking van informatie krachtens artikel 8, leden 2 en 3, van het besluit betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur. Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 339 VWEU, van artikel 30 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), van artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43), alsook van artikel 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Met haar derde middel stelt rekwirante schending van de verplichting tot motivering en van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel.
27
In dit verband moet erop worden gewezen dat het Hof, ongeacht de wijze waarop het eerste middel ten gronde zal worden afgedaan, uitspraak zal dienen te doen over het tweede middel, aangezien de bevoegdheid van de raadadviseur-auditeur om zich uit te spreken over de vraag of de gegevens waarvan de bekendmaking wordt overwogen, zakengeheimen betreffen die hoe dan ook als vertrouwelijk moeten worden beschouwd, welke vraag het voorwerp is van het tweede middel, niet alleen door rekwirante niet wordt betwist, maar kennelijk geen twijfel lijdt.
28
Bovendien vallen de ter onderbouwing van het tweede middel aangevoerde argumenten minstens gedeeltelijk samen met het in het kader van het derde middel ontwikkelde betoog, zodat deze twee middelen samen moeten worden onderzocht om uit te maken of sprake is van fumus boni juris, wat die middelen betreft.
29
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de rechter in kort geding in geschillen betreffende de voorlopige bescherming van beweerdelijk vertrouwelijke informatie in beginsel slechts kan concluderen dat er geen sprake is van een fumus boni juris wanneer de betrokken informatie overduidelijk niet vertrouwelijk is, omdat hij anders voorbij zou gaan aan het intrinsiek accessoire en voorlopige karakter van de procedure in kort geding [beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington Group, C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 68].
30
Het tweede middel is gericht tegen de punten 76 tot en met 127 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft uitgesloten dat, ten eerste, de litigieuze gegevens als zakengeheimen kunnen worden beschouwd, aangezien die informatie niet meer actueel is en, ten tweede, deze gegevens in ieder geval als onder de geheimhoudingsplicht vallende vertrouwelijk informatie zouden moeten worden beschouwd om de enkele reden dat een onderneming deze vrijwillig aan de Commissie heeft meegedeeld om in aanmerking te komen voor toepassing van het clementieprogramma.
31
Aldus stelt rekwirante in de eerste plaats dat de betrokken informatie, anders dan het Gerecht in de punten 84 tot en met 86 van het bestreden arrest heeft verklaard, haar vertrouwelijke karakter niet heeft verloren louter omdat zij meer dan vijf jaar oud is en deze gegevens dus als zakengeheimen hadden moeten worden behandeld. Rekwirante voert in dit verband aan dat de door het Gerecht aangehaalde rechtspraak niet kan worden toegepast in de onderhavige zaak en dat artikel 4, lid 7, van verordening nr. 1049/2001 juist bepaalt dat commerciële belangen in de weg kunnen staan aan de bekendmaking van informatie gedurende een periode van zelfs meer dan 30 jaar. Volgens rekwirante vormen de litigieuze inlichtingen nog steeds „wezenlijke gegevens betreffende haar commerciële positie”, alleen al omdat vaststaat dat de bekendmaking ervan haar ernstige schade kan berokkenen, zoals het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest zelf heeft erkend.
32
Wat in de tweede plaats de kwalificatie van de litigieuze gegevens als hoe dan ook vertrouwelijke informatie betreft, stelt rekwirante om te beginnen, anders dan het Gerecht in de punten 92 en 93 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, dat voor de bekendmaking van uittreksels die afkomstig zijn uit verklaringen van clementiekandidaten en voor de bekendmaking van die verklaringen zelf dezelfde criteria moeten gelden. Derhalve moeten de overwegingen op basis waarvan het Hof in het arrest Commissie/EnBW (C 365/12 P, EU:C:2014:112), verordening nr. 1049/2001 aldus heeft uitgelegd dat uit deze verordening een algemeen vermoeden kan worden afgeleid dat de commerciële belangen van de bij een kartelprocedure betrokken partijen worden aangetast in geval van bekendmaking van de verklaringen van clementiekandidaten, ook gelden voor de bekendmaking van passages uit deze verklaringen die – weergegeven in de directe of de indirecte rede – in de niet-vertrouwelijke versie van het besluit van de Commissie worden overgenomen. Dat is temeer het geval daar de bekendmaking van dergelijke passages afbreuk doet aan de waarborgen die de Commissie met betrekking tot de verklaringen van clementiekandidaten heeft gegeven in punt 32 van de mededeling inzake medewerking van 2002 en in punt 40 van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17, hierna: „mededeling inzake medewerking van 2006”). Het onderscheid dat de Commissie maakt tussen enerzijds de bekendmaking van documenten die door clementiekandidaten zijn overgelegd en anderzijds de bekendmaking van informatie die in deze documenten is opgenomen, is formalistisch en druist niet alleen in tegen de rechtspraak van het Gerecht, maar ook tegen andere relevante bepalingen van het recht van de Unie.
33
Vervolgens dient er in casu rekening mee te worden gehouden dat de Commissie reeds in 2007 een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking heeft bekendgemaakt en dat zij dus reeds is overgegaan tot het in punt 106 van het bestreden arrest vermelde afwegen van de belangen die vóór en tegen openbaarmaking van de litigieuze informatie pleiten. De administratieve procedure van de Commissie is uiterlijk op het tijdstip van die bekendmaking beëindigd, zoals in punt 172 van het bestreden arrest is erkend. Vanaf die bekendmaking is artikel 30 van verordening nr. 1/2003 niet meer van toepassing en voor de toegang tot de informatie zou dan alleen nog verordening nr. 1049/2001 gelden.
34
Bovendien zijn de belangen van rekwirante, anders dan in de punten 107 tot en met 111 van het bestreden arrest is verklaard, objectief beschermwaardig. Voor rekwirante komt het er immers niet op aan te voorkomen dat zij schadevergoeding moet betalen of dat de constateringen van de Commissie over het verloop van de vastgestelde inbreuk openbaar worden gemaakt. Veeleer is het voor haar van belang de bescherming te verzekeren die de mededelingen inzake medewerking van 2002 en 2006 bieden met betrekking tot haar verklaringen die zij uitsluitend voor het clementieprogramma heeft laten optekenen, erop vertrouwend dat de vertrouwelijkheid ervan zou worden geëerbiedigd, en met welke verklaringen zij zichzelf heeft beschuldigd.
35
Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 123 tot en met 127 van het bestreden arrest ten onrechte haar middel heeft afgewezen dat was ontleend aan schending van artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest. Rekwirante stelt dienaangaande dat de openbaarmaking van de inhoud van haar verklaringen, die in strijd met de mededeling inzake medewerking van 2002 en de vaste praktijk van de Commissie is verricht, geenszins als een voorspelbaar gevolg van de deelneming aan de mededingingsregeling kan worden beschouwd.
36
In het kader van het ter onderbouwing van haar derde middel ontwikkelde betoog voegt rekwirante in wezen hieraan toe dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door er onvoldoende rekening mee te houden dat de Commissie reeds in 2007 een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking had bekendgemaakt. Volgens rekwirante had de Commissie bij deze bekendmaking beslist dat de weggelaten informatie niet tot de kern van de motivering van de WPP-beschikking behoorde, in de zin van artikel 30 van verordening nr. 1/2003. Aangezien de bekendmaking van deze eerste niet-vertrouwelijke versie niet als voorlopig is aangemerkt, kon daaruit bovendien worden afgeleid dat de Commissie definitief had besloten dat de weggelaten passages niet hoefden te worden bekendgemaakt. Een dergelijk gunstig administratief besluit kan in beginsel niet worden ingetrokken of herroepen, althans voor zover het – zoals in casu – rechtmatig is vastgesteld.
37
Ten slotte kon de Commissie, anders dan het Gerecht in de punten 155 tot en met 157 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, niet rechtmatig haar praktijk wijzigen volgens welke zij de vertrouwelijkheid eerbiedigt van informatie zoals die waarover het thans gaat, aangezien de Commissie na de beëindiging van de procedure gebonden is door haar mededelingen inzake medewerking en door verordening nr. 1049/2001. Hoogstens zou de Commissie haar clementieprogramma kunnen wijzigen en in nieuwe zaken minder bescherming bieden aan verklaringen van clementiekandidaten.
38
De Commissie bestrijdt de door rekwirante aangevoerde argumenten.
39
Tegen het tweede middel brengt zij ten eerste in dat het Gerecht louter heeft geconstateerd dat rekwirante niet overeenkomstig de rechtspraak van het Gerecht had aangetoond waarom de litigieuze informatie bij wijze van uitzondering – ondanks de ouderdom ervan – nog steeds een wezenlijk onderdeel van haar commerciële positie of die van een derde betrof en derhalve in aanmerking kwam voor de bescherming waarin artikel 30, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voorziet. In werkelijkheid kunnen deze gegevens volgens de Commissie in geen geval nog onder de geheimhoudingsplicht of de bescherming van vertrouwelijke informatie vallen, aangezien de vermelde onrechtmatige feiten zonder uitzondering dateren van meer dan tien jaar geleden.
40
Ten tweede is de Commissie van mening dat het Gerecht om te beginnen terecht heeft geoordeeld dat verordening nr. 1049/2001 en de rechtspraak betreffende deze verordening, gelet op de werkingssfeer ervan, niet relevant zijn. Het gaat in casu immers niet om de toegang tot documenten, maar om de bekendmaking van de feitelijke vaststellingen die de Commissie heeft verricht in het kader van de motivering van de WPP-beschikking. Hoe dan ook staat het arrest Commissie/EnBW (C‑365/12 P, EU:C:2014:112) toe dat een instelling zich baseert op algemene vermoedens die voor bepaalde categorieën documenten gelden, terwijl dat niet geldt voor particulieren. Bovendien schendt de Commissie met de bekendmaking van die feitelijke vaststellingen geen enkele van de door haar aangegane verbintenissen. Punt 32 van de mededeling inzake medewerking van 2002 roept weliswaar een gewettigd vertrouwen in het leven wat de vertrouwelijkheid van de door de Commissie volgens deze mededeling ontvangen documenten betreft, maar deze bepaling schept geen legitieme verwachting dat de in deze documenten opgenomen informatie niet door de Commissie zal worden gebruikt ter omschrijving van de onrechtmatige feiten in de motivering van de WPP-beschikking en in die context niet openbaar zal worden gemaakt. Het onderscheid tussen de documenten en de door de Commissie met betrekking tot de onrechtmatige feiten verrichte feitelijke vaststellingen is dan ook niet formalistisch.
41
Voorts heeft het Gerecht er rekening mee gehouden dat de Commissie in 2007 reeds een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking had bekendgemaakt. Anders dan rekwirante aangeeft, heeft het Gerecht in dit verband in de punten 155, 156 en 161 van het bestreden arrest niet geoordeeld dat een tweede bekendmaking tot de „discretionaire” beoordelingsbevoegdheid van de Commissie behoorde, aangezien het uitdrukkelijk heeft gewezen op de specifieke beperking van deze bij artikel 30, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1/2003 verleende bevoegdheid. Bovendien kan evenmin worden geoordeeld dat artikel 30 van deze verordening vanaf de datum van een eerste voorlopige bekendmaking „niet meer van toepassing is”. Een dergelijke beperking kan niet worden afgeleid uit de bewoordingen van deze bepaling en is in strijd met de doelstelling die door artikel 1, tweede alinea, VEU en artikel 15, lid 1, VWEU wordt nagestreefd.
42
Daarnaast weerspreekt rekwirantes bewering dat het er in deze fase van de procedure voor haar niet op aankomt dat zij betaling van schadevergoeding of openbaarmaking van de feitelijke vaststellingen van de Commissie over de onrechtmatige feiten kan voorkomen, haar betoog in eerste aanleg, zoals dit voortvloeit uit punt 83 van het bestreden arrest.
43
Ten slotte heeft het Gerecht op goede gronden het middel afgewezen dat was ontleend aan schending van artikel 8 van het EVRM en van artikel 7 van het Handvest. Ook al strekt het in deze bepalingen vastgelegde recht op bescherming van het privéleven zich in beginsel uit tot de bescherming van de goede naam en de eer van een persoon en tot de bescherming van privégegevens, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft gepreciseerd dat bedoeld artikel 8 geen bescherming biedt tegen een aantasting van iemands goede naam die voorspelbaar voortvloeit uit zijn eigen handelingen, bijvoorbeeld uit een strafbare handeling. Deze conclusie geldt mutatis mutandis voor de te verwachten gevolgen van een inbreuk die wordt gemaakt op het mededingingsrecht van de Unie. In die omstandigheden had rekwirante, vanaf het tijdstip waarop zij de in de WPP-beschikking vastgestelde inbreuk heeft gepleegd, kunnen voorzien dat de Commissie – ingeval deze inbreuk werd ontdekt en bestraft – details over haar activiteiten bekend zou maken voor zover deze relevant waren om de inbreuk vast te stellen.
44
Wat het derde middel betreft, stelt de Commissie dat zij met de bekendmaking van een eerste niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking in 2007 niet op onherroepelijke wijze haar bevoegdheid heeft uitgeoefend wat de vraag betreft welke delen van die beschikking dienden te worden bekendgemaakt. Met deze eerste bekendmaking heeft zij in feite noch expliciet noch impliciet te kennen gegeven dat zij ervan afzag later een gedetailleerdere niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking te publiceren. Dat nadien nog tot een bekendmaking dient te worden overgegaan, houdt ermee verband dat de vertrouwelijkheid van informatie tijdelijk van aard is, waardoor het noodzakelijk kan zijn om na bepaalde tijd een nieuwe beoordeling te verrichten. Bijgevolg is het onjuist om met name te beweren dat de Commissie tot de slotsom was gekomen dat de weggelaten informatie niet tot de wezenlijke gegevens van die beschikking behoorde en dat deze dus niet hoefde te worden bekendgemaakt ter eerbiediging van het belang dat het publiek ermee heeft informatie te verkrijgen. De Commissie heeft eigenlijk louter besloten om eerst de passages van deze beschikking te publiceren die in wezen niet werden betwist en geen zakengeheimen bevatten, teneinde achteraf de argumenten van de belanghebbende partijen nader te kunnen onderzoeken volgens welke de andere passages dergelijke zakengeheimen opleverden. De beslissing dat de overige passages niet essentieel waren of niet hoefden te worden bekendgemaakt, is impliciet dan wel expliciet noch genomen noch meegedeeld.
45
Ten slotte heeft het Gerecht in punt 161 van het bestreden arrest op goede gronden geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de Commissie in 2007 een eerste niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking had bekendgemaakt en deze niet als voorlopig had aangemerkt, voor rekwirante geen nauwkeurige toezegging vormde dat later geen nieuwe, gedetailleerdere niet-vertrouwelijke versie van die beschikking zou worden bekendgemaakt in de zin van de in punt 135 van het bestreden arrest in herinnering geroepen rechtspraak.
46
Gelet op het voorgaande kan ervan worden uitgegaan dat rekwirante ten aanzien van het bestreden arrest het verwijt lijkt te maken dat daarin in wezen niet is geoordeeld dat zowel het verlenen van toegang tot de documenten die een onderneming in het kader van clementieprogramma heeft overgelegd, als de openbaarmaking van uittreksels van deze documenten – in de directe dan wel in de indirecte rede weergegeven – tot hetzelfde resultaat leidt, namelijk dat die informatie ter beschikking wordt gesteld van derden. Deze openbaarmaking moet dan ook – net zoals die toegang – in beginsel worden verboden, voor zover dient te worden aangenomen dat ook daardoor afbreuk wordt gedaan aan de commerciële belangen van de betrokken onderneming. Dat is temeer het geval in de onderhavige zaak, aangezien de Commissie na het verzet van rekwirante de litigieuze informatie eerst niet had gepubliceerd en deze laatste dus redelijkerwijs mocht verwachten dat de vraag van de vertrouwelijkheid van die informatie definitief was beslecht.
47
Zonder op te komen tegen de geldigheid van de door de Commissie aangevoerde argumenten, waarvan de gegrondheid dient te worden onderzocht door de rechter ten gronde, moet worden geconstateerd dat het om een ingewikkelde juridische kwestie gaat waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat en dat de vertrouwelijke aard van die informatie dus niet kennelijk ontbreekt.
48
Vooraf moet immers worden vastgesteld dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag welke criteria in aanmerking dienen te worden genomen om te bepalen of een gegeven inlichting een zakengeheim is, noch over de vraag, zoals ook in de beschikking van de president van het Gerecht Evonik Degussa/Commissie (T‑341/12 R, EU:T:2012:604, punt 44) is gepreciseerd, betreffende de beweerdelijk vertrouwelijke aard van gegevens zoals die welke aan de orde zijn in de onderhavige zaak.
49
Met betrekking tot de specifieke argumenten die partijen hebben aangevoerd, dient het hierna volgende te worden gepreciseerd.
50
In de eerste plaats is het juist, zoals de Commissie stelt, dat de openbaarmaking van informatie overeenkomstig artikel 30 van verordening nr. 1/2003 en het recht van toegang tot documenten krachtens verordening nr. 1049/2001 rechtens verschillen. Voor zover de betwiste openbaarmaking uittreksels van documenten betreft, zoals rekwirante beweert, lijkt die openbaarmaking in functioneel opzicht echter tot een soortgelijke situatie te leiden als die waarin toegang tot deze documenten wordt verleend. Ongeacht de rechtsgrondslag waarop die informatie openbaar wordt gemaakt, impliceert die openbaarmaking noodzakelijkerwijs dat derden kennis verkrijgen van de betrokken gegevens, waarvan de vertrouwelijkheid dus niet langer beschermd wordt (zie naar analogie arrest Commissie/EnBW, C‑365/12 P, EU:C:2014:112, punt 89).
51
Dat is temeer het geval aangezien rekwirante, anders dan de Commissie stelt, deze instelling geenszins verwijt dat zij haar eigen feitelijke vaststellingen waarop de WPP-beschikking was gebaseerd, heeft bekendgemaakt. In werkelijkheid erkent zij uitdrukkelijk dat de Commissie het recht daartoe heeft. Rekwirante betwist evenwel dat de Commissie bevoegd is om uittreksels van de betrokken documenten te publiceren, die soms in de directe of de indirecte rede zijn gefomuleerd, en aldus letterlijk de verklaringen weer te geven die rekwirante heeft afgelegd als kandidate voor het clementieprogramma.
52
In die omstandigheden is het juist dat de rechtspraak betreffende de toegang tot de stukken volgens verordening nr. 1049/2001 niet rechtstreeks kan worden toegepast. Niettemin kan niet worden uitgesloten dat de overwegingen op basis waarvan het Hof in die arresten heeft geoordeeld dat de Commissie ervan mocht uitgaan dat de openbaarmaking van de documenten die zijn opgenomen in een dossier betreffende een procedure tot toepassing van artikel 101 VWEU, in beginsel afbreuk doet aan de bescherming van de commerciële belangen van de ondernemingen die bij een dergelijke procedure betrokken zijn, wél relevant zijn.
53
Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat een veralgemeende toegang tot die documenten, los van de vraag of deze in het kader van het clementieprogramma vrijwillig aan de Commissie zijn meegedeeld, het evenwicht in gevaar kan brengen dat de wetgever van de Unie in verordening nr. 1/2003 en in verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB L 123, blz. 18) heeft willen verzekeren tussen de verplichting voor de betrokken ondernemingen om de Commissie mogelijkerwijs gevoelige commerciële informatie mee te delen teneinde deze in staat te stellen het bestaan van afspraken op het spoor te komen en te beoordelen of deze verenigbaar zijn met artikel 101 VWEU enerzijds, en het waarborgen van een grotere bescherming van de aldus aan de Commissie verstrekte informatie op grond van de geheimhoudingsplicht en het zakengeheim anderzijds (arrest Commissie/EnBW, C‑365/12 P, EU:C:2014:112, punten 90 en 97).
54
Het lijkt niet zonder meer te kunnen worden uitgesloten dat de openbaarmaking van de betrokken uittreksels van de documenten in de niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking niet dezelfde effecten kan sorteren, voor zover dit in wezen zou neerkomen op een veralgemeende – weliswaar gedeeltelijke – toegang tot die documenten.
55
Indien dit het geval is, dan gaat het er niet om, anders dan de Commissie suggereert, een particulier in staat te stellen zich te beroepen op een vermoeden dat alleen aan de Commissie toekomt, maar om de erkenning dat met betrekking tot een soortgelijke situatie toepassing naar analogie kan worden gemaakt van de overwegingen waarop het Hof dit vermoeden heeft gebaseerd, en om eventueel op die overwegingen een spiegelvermoeden te baseren volgens hetwelk de betrokken ondernemingen in beginsel kunnen verwachten dat, behoudens wanneer dit vermoeden kan worden weerlegd, de in het kader van een clementieprogramma verstrekte informatie onder de geheimhoudingsplicht valt.
56
Bovendien moet in dit verband, zoals rekwirante in herinnering roept, worden gewezen op de mogelijke relevantie van overweging 26 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB L 349, blz. 1), waarin wordt gepreciseerd dat – ter bescherming van het clementieprogramma – „woordelijk aangehaalde clementieverklaringen” uitdrukkelijk van openbaarmaking zijn uitgezonderd, net als deze verklaringen zelf.
57
Wat in de tweede plaats de door rekwirante ter onderbouwing van haar tweede en derde middel aangevoerde argumenten betreft, volgens welke het Gerecht het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden waar het heeft geoordeeld dat de openbaarmaking van de litigieuze informatie niet in strijd was met de toezeggingen die de Commissie met betrekking tot verklaringen van clementiekandidaten in punt 32 van de mededeling inzake medewerking van 2002 en in punt 40 van de mededeling inzake medewerking van 2006 heeft gedaan, moet erop worden gewezen dat het onderscheid dat de Commissie lijkt te maken tussen de documenten in kwestie en de informatie die daarin is opgenomen, en niet tussen deze documenten en de feitelijke vaststellingen van de Commissie die op de inhoud daarvan is gebaseerd, niet zonder meer gerechtvaardigd is, inzonderheid wanneer de informatie waarover het gaat, als uittreksel van die documenten is weergegeven.
58
De door de geheimhoudingsplicht geboden bescherming heeft immers betrekking op informatie die voor bescherming in aanmerking komt en verkrijgt concreet gestalte door het verbod om aan derden de drager waarop die informatie is opgeslagen, zoals een document, ter beschikking te stellen. Met andere woorden, de vertrouwelijkheid van een document lijkt enkel af te hangen van de kenmerken en de aard van de informatie die het bevat. Zoals rekwirante opmerkt, kan dit met name worden afgeleid uit artikel 16, lid 1, van verordening nr. 773/2004, dat gewaagt van „gegevens, met inbegrip van documenten”, waarvan de Commissie geen mededeling kan doen en waartoe zij geen toegang kan verlenen.
59
Indien het onderscheid dat de Commissie lijkt te maken tussen de betrokken documenten en de informatie die daarin is opgenomen, als ongegrond moet worden beschouwd, kan niet worden uitgesloten dat, zoals rekwirante betoogt, uittreksels van vertrouwelijke documenten op dezelfde wijze dienen te worden behandeld als die documenten zelf, met name zoals door de mededelingen inzake medewerking van 2002 en 2006 in respectievelijk de punten 32 en 40 ervan wordt voorgeschreven.
60
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie weliswaar gedragsregels vaststelt die externe gevolgen beogen jegens de marktdeelnemers, zoals de regels die zijn vastgelegd in de mededelingen inzake medewerking van 2002 en 2006, maar dat zij in een concreet geval niet daarvan mag afwijken zonder opgaaf van redenen die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling. Door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan te kennen te geven dat zij die voortaan zal toepassen op de desbetreffende gevallen, beperkt deze instelling de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid en kan zij niet van die regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het beginsel van gelijke behandeling of het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen (zie naar analogie arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punten 209‑211, en Quinn Barlo e.a./Commissie, C‑70/12 P, EU:C:2013:351, punt 53).
61
In de punten 32 en 33 van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft de Commissie geoordeeld dat „openbaarmaking van documenten die in het kader van deze mededeling zijn ontvangen, over het algemeen en ongeacht het tijdstip, afbreuk zou doen aan de bescherming van het doel van inspecties en onderzoeken in de zin van artikel 4, lid 2, van [verordening nr. 1049/2001]” en dat „[s]chriftelijke verklaringen die in verband met deze mededeling aan de Commissie zijn verstrekt, [deel uit]maken [...] van het dossier van de Commissie. Zij mogen niet worden openbaar gemaakt of voor een ander doel worden gebruikt dan voor de afdwinging van artikel 81 [EG].” Evenzo heeft de Commissie in punt 40 van de mededeling inzake medewerking van 2006 gepreciseerd dat „openbaarmaking aan het publiek van documenten en geschreven of opgenomen verklaringen die in het kader van deze mededeling zijn ontvangen, over het algemeen afbreuk zou doen aan bepaalde publieke en particuliere belangen, bijvoorbeeld de bescherming van het doel van inspecties en onderzoeken in de zin van artikel 4 van [verordening nr. 1049/2001], zelfs nadat de beschikking is genomen”, waardoor zij uitdrukkelijk de redenen om de vertrouwelijkheid van documenten te behouden, heeft uitgebreid tot de andere belangen die door artikel 4 worden beschermd, daaronder begrepen de commerciële belangen waarvan sprake is in lid 2, eerste streepje, van dat artikel.
62
De omstandigheid dat respectievelijk de punten 31 en 39 van deze mededelingen eenzelfde aanwijzing bevatten volgens welke „[h]et feit dat immuniteit tegen of vermindering van geldboeten wordt verleend, [...] een onderneming niet [kan] beschermen tegen de civielrechtelijke gevolgen van haar deelname aan een inbreuk op artikel 81 [EG]”, lijkt op zich niet te volstaan om uit te sluiten dat de betrokken ondernemingen konden verwachten dat de documenten in kwestie vertrouwelijk waren. Gelet op met name de algemene bewoordingen waarin die verklaring is geformuleerd, lijkt deze enkel aan te geven dat het feit dat de in die mededelingen vastgestelde gunsten zijn verkregen, inzonderheid met betrekking tot de gevolgen van de administratieve aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen wegens de inbreuk die zij op het mededingingsrecht hebben gemaakt, niet tot een beperking van de civiele aansprakelijkheid van die ondernemingen kan leiden, en lijkt ze niet te betekenen dat de Commissie hun zakengeheimen die bewijselementen bij de vaststelling van deze aansprakelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties kunnen opleveren, openbaar zal maken.
63
Bovendien zou dat in strijd zijn met punt 35bis van de mededeling inzake medewerking van 2006, zoals gewijzigd bij de mededeling van de Commissie met als opschrift „Wijzigingen aan de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken” (PB 2015, C 256, blz. 1), waarin is bepaald dat „de Commissie op geen enkel moment clementieverklaringen van ondernemingen [zal] verstrekken aan nationale rechters voor gebruik bij schadevorderingen wegens inbreuken op [de artikelen 101 VWEU of 102 VWEU]”.
64
Gelet op het voorgaande kan niet simpelweg worden uitgesloten dat een onderneming erop kon vertrouwen dat de Commissie de betrokken documenten niet – in hun geheel of gedeeltelijk – openbaar zou maken door deze aan derden mee te delen of in de vorm van uittreksels bekend te maken in de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU.
65
Gesteld al dat de Commissie volgens artikel 30 van verordening nr. 1/2003 de litigieuze informatie daadwerkelijk mocht publiceren, kan hoe dan ook evenmin worden uitgesloten dat – ook al heeft zij geen toezeggingen gedaan die bij de ondernemingen een gewettigd vertrouwen kon wekken – van haar verlangd wordt dat zij klare en nauwkeurige aanwijzingen verstrekt betreffende haar beslissingspraktijk en dat, indien dat niet het geval is, de eventuele verduidelijking van onduidelijke regels niet ten koste van de justitiabele en van een behoorlijk bestuur geschiedt, maar veeleer door nieuwe regels vast te stellen die voor toekomstige gevallen gelden en die voldoende duidelijk zijn.
66
Dat geldt temeer in de onderhavige zaak, daar de Commissie reeds een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking had bekendgemaakt. Voor die bekendmaking had de Commissie evenwel rekening gehouden met de bezwaren van rekwirante en had zij de meeste gegevens waarvoor deze laatste een vertrouwelijke behandeling had aangevraagd, niet openbaar gemaakt.
67
Stellig had de Commissie, zoals zij aanvoert, zich niet over de bezwaren van rekwirante uitgesproken. De niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking is echter niet in voorlopige vorm bekendgemaakt, zoals uit punt 160 van het bestreden arrest blijkt, en met deze beschikking is de administratieve procedure beëindigd.
68
In die omstandigheden kan de vraag rijzen of artikel 30 van verordening nr. 1/2003 van toepassing is op een latere bekendmaking, althans wat de mogelijkheid voor de Commissie betreft om een gedetailleerdere versie dan de niet-vertrouwelijke versie te publiceren zonder dat zij aangeeft waarom die publicatie zolang na de eerste bekendmaking noodzakelijk is.
69
Gelet op de voorgaande overwegingen, is geen sprake van het kennelijk ontbreken van de vertrouwelijke aard van de litigieuze informatie.
70
Aangezien deze overwegingen bovendien ook relevant zijn met betrekking tot de bevindingen van de raadadviseur-auditeur die in het litigieuze besluit zijn opgenomen, en dus voor de beoordeling van het beroep tot nietigverklaring, volstaan zij als bewijs van het bestaan van fumus boni juris volgens de in de punten 23 tot en met 25 van de onderhavige beschikking in herinnering gebrachte rechtspraak.
Spoedeisendheid
71
Ten bewijze dat de gevraagde voorlopige maatregelen spoedeisend zijn, stelt rekwirante om te beginnen dat moet worden uitgegaan van de premisse volgens welke de litigieuze informatie vertrouwelijk is in de zin van artikel 339 VWEU, artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001, artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest. Aangezien de hogere voorziening van rekwirante uitdrukkelijk gericht is tegen het deel van het bestreden arrest waarin het Gerecht heeft uitgesloten dat die informatie voor de in die bepalingen voorziene bescherming in aanmerking komt, zal het Hof zich volgens haar pas in de procedure ten gronde over deze vraag dienen uit te spreken.
72
Het is derhalve op basis van die premisse dat rekwirante aanvoert dat de openbaarmaking van de litigieuze informatie haar ernstige en onherstelbare schade berokkent.
73
Wat inzonderheid de ernst van die schade betreft, betoogt rekwirante dat de bekendmaking van die informatie zou leiden tot het onherroepelijke verlies van de vertrouwelijkheid ervan, sommigen in staat zou stellen om zich daarop te beroepen in het kader van tegen haar ingestelde vorderingen tot schadevergoeding en afbreuk zou doen aan haar reputatie in het handelsverkeer met haar klanten. Voor zover wordt overwogen die bekendmaking via het Internet te verrichten, zou dit tot gevolg hebben dat de litigieuze informatie, vanaf de publicatie ervan, ter beschikking wordt gesteld van de afnemers, de concurrenten en de leveranciers van rekwirante, alsook van financiële analisten en het algemene publiek, die toegang tot die informatie zouden hebben en deze vrijelijk zouden kunnen gebruiken.
74
Wat het onherstelbare karakter van de beweerde schade betreft, merkt rekwirante aanstonds op dat – zelfs indien haar hogere voorziening wordt toegewezen – noch de door haar wegens de bekendmaking van de litigieuze informatie geleden schade kan worden verholpen, noch de immateriële schade die verband houdt met haar reputatie, noch de financiële schade. Om te beginnen kan immers de kennis die van deze informatie is verkregen door de personen die de betrokken gegevens hebben gelezen, niet worden uitgewist. Voorts kan immateriële schade per definitie niet financieel worden vergoed. Ten slotte kunnen financiële verliezen niet nauwkeurig worden berekend, aangezien deze zowel naar hun aard als wat hun omvang betreft zullen variëren.
75
De Commissie merkt op dat de premisse waarop rekwirante haar betoog baseert en volgens welke de litigieuze informatie, gelet op de inhoud ervan, vertrouwelijk is, onjuist is. Het Gerecht heeft deze kwestie immers reeds beslecht, door te oordelen dat die informatie als niet meer actueel moest worden aangemerkt en dus niet meer beschermwaardig was, aangezien rekwirante niet had aangetoond waarom hat gerechtvaardigd was om daaraan bij wege van uitzondering de door artikel 30, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geboden bescherming re verlenen. Bijgevolg kan rekwirante zich volgens haar niet beroepen op de beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington Group, [C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558], aangezien de informatie die aan de orde was in de zaak die tot die beschikking heeft geleid, specifieke commerciële gegevens betroffen die, gelet op de inhoud ervan, onder de geheimhoudingsplicht konden vallen, terwijl de in de onderhavige zaak beweerdelijk geleden schade niet uit de inhoud van de litigieuze informatie maar uit exogene redenen voortvloeit, zoals het gewettigd vertrouwen dat rekwirante stelt te ontlenen aan de praktijk en de mededelingen van de Commissie.
76
Meer bepaald wijst de Commissie op twee soorten van schade die rekwirante beweert te lijden door de bekendmaking van de litigieuze informatie, en zij is van mening dat voor geen van beide de ernst ervan rechtens genoegzaam is aangetoond.
77
Wat de met eventuele veroordelingen in het kader van civiele procedures gepaard gaande financiële lasten betreft, voert de Commissie om te beginnen aan dat als doorslaggevende oorzaak van deze vermeende schade niet de voornoemde bekendmaking maar de deelneming van rekwirante aan de in de WPP-beschikking vastgestelde inbreuk moet worden beschouwd. Voorts is het belang dat een onderneming, waarvan is gebleken dat zij aan een mededingingsregeling heeft deelgenomen, erbij heeft om vorderingen tot schadevergoeding te voorkomen, niet beschermwaardig.
78
Wat de negatieve gevolgen voor het imago van rekwirante betreft, preciseert de Commissie dat de rechtstreekse oorzaak van dergelijke effecten eveneens de bekendmaking van de eerste niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking van 2007 is en dat deze hoe dan ook onvoldoende ernstig zijn om de toekenning van voorlopige maatregelen te rechtvaardigen. Zij voegt hieraan toe dat rekwirante geen enkel voor bijzondere bescherming in aanmerking komend belang kan doen gelden waar zij de bekendmaking van nadere details over de onrechtmatige feiten tracht te voorkomen, temeer daar de passages waarop die eventuele bekendmaking betrekking heeft, geen enkel waardeoordeel bevatten dat denigrerend is voor rekwirante en dat ernstig afbreuk kan doen aan haar reputatie.
79
Wat het onherroepelijke karakter van de door rekwirante aangevoerde schade betreft, erkent de Commissie dat de betrokken informatie – zodra deze bekend is – in het geheugen of op de informaticadragers van de adressaat zou blijven opgeslagen, zelfs indien de bekendmaking ervan nadien werd teruggeschroefd. Dat is in casu evenwel niet beslissend, aangezien met de hogere voorziening niet wordt opgekomen tegen de beoordeling die het Gerecht in de punten 84 tot en met 86 van het bestreden arrest heeft verricht, waar het heeft geoordeeld dat deze informatie geen enkel commercieel gevoelig gegeven bevatte dat, in geval van openbaarmaking ervan, de handelspartners en de concurrenten van rekwirante tot voordeel zou strekken.
80
Wat het toegenomen gevaar voor rekwirante betreft dat zij wordt veroordeeld ingevolge vorderingen tot schadevergoeding, herinnert de Commissie er enerzijds aan dat financiële schade slechts bij wijze van uitzondering als onherstelbaar kan worden beschouwd, aangezien deze schade financieel kan worden vergoed. Dat zou inzonderheid het geval zijn indien rekwirante zonder de gevorderde voorlopige maatregelen in een situatie dreigt te komen die haar bestaan zelf in gevaar brengt of haar marktaandeel op onherstelbare wijze verandert. In haar verzoek heeft rekwirante evenwel zelfs niet beweerd dat de voorgenomen bekendmaking haar bestaan als zodanig in gevaar brengt of haar op onherstelbare wijze marktaandelen doet verliezen. De Commissie is anderzijds van mening dat, anders dan rekwirante stelt, de beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington Group [C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558] niet relevant is ter vaststelling van de beweerde onmogelijkheid om de door rekwirante wegens vorderingen tot schadevergoeding geleden financiële schade passend te bepalen en te berekenen. In die beschikking is immers geoordeeld dat het onmogelijk is om het aantal en de hoedanigheid te bepalen van alle personen die op de hoogte zijn geraakt van de gepubliceerde gegevens en om aldus de concrete impact te beoordelen die de bekendmaking daarvan heeft gehad op de commerciële en economische belangen van de betrokken onderneming, met name rekening ermee houdend dat de informatie waarover het ging in de zaak die tot die beschikking heeft geleid, commercieel gevoelige informatie betrof die dus zakengeheimen sensu stricto opleverde. Daarentegen houdt de in de onderhavige zaak door rekwirante gestelde financiële schade volgens de Commissie enkel verband met vorderingen tot schadevergoeding of met regresvorderingen die voortvloeien uit een inbreuk op de mededingingsregels. Aangezien het dus niet onmogelijk is om het aantal personen te bepalen die als benadeelden van de mededingingsregeling vorderingen tot schadevergoeding tegen rekwirante zouden kunnen indienen, kan ook de door deze laatste geleden schade passend en nauwkeurig worden berekend. Hoe dan ook is de beweerde financiële schade grotendeels louter hypothetisch, aangezien niet kan worden voorspeld welke invloed het eventuele gebruik van de litigieuze informatie zal hebben in de civiele rechtszaken die reeds zijn ingeleid of mogelijkerwijs nog aanhangig zullen worden gemaakt.
81
De Commissie stelt zich in wezen op het standpunt dat de schade die beweerdelijk voortvloeit uit de gestelde aantasting van het imago van rekwirante niet ernstig is, zodat niet hoeft te worden onderzocht of de extra beschadiging van de reputatie waartoe de openbaarmaking van de betrokken informatie kan leiden, als onherstelbaar moet worden aangemerkt.
82
Wat de verificatie betreft of de gevorderde voorlopige maatregelen spoedeisend zijn, moet eraan worden herinnerd dat de procedure in kort geding tot doel heeft de volle werking van het toekomstige definitieve besluit te waarborgen, teneinde een lacune in de door het Hof verzekerde rechtsbescherming te voorkomen. Daartoe moet de spoedeisendheid worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt (beschikking van de vicepresident van het Hof Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie, C‑506/13 P‑R, EU:C:2013:882, punt 18en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83
In casu beroept rekwirante zich op de beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington Group [C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558] voor haar stelling dat de bekendmaking van de litigieuze informatie haar schade kan berokkenen wegens de aard zelf van die informatie.
84
Benadrukt moet worden dat, anders dan de Commissie aanvoert, niet alleen rekwirante in het kader van haar hogere voorziening is opgekomen tegen de beoordeling die het Gerecht in de punten 84 tot en met 127 van het bestreden arrest heeft verricht en volgens welke de litigieuze gegevens geen zakengeheimen betroffen en evenmin onder de geheimhoudingsplicht vielen, maar ook, zoals uit de punten 46 tot en met 69 van de onderhavige beschikking blijkt, dat uit een prima-facieonderzoek van de ter onderbouwing van de ter zake dienende middelen in hogere voorziening aangevoerde argumenten niet kan worden geconcludeerd dat die informatie kennelijk niet vertrouwelijk is.
85
Ter beoordeling van de spoedeisendheid in de onderhavige zaak moet worden uitgegaan van dezelfde premisse als die waarvan – om vergelijkbare redenen – is uitgegaan door de rechter in kort geding in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington Group [C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punten 38 en 47], volgens welke de litigieuze informatie onder de geheimhoudingsplicht valt (zie a contrario beschikking AGC Glass Europe e.a./Commissie,C‑517/15 P‑R, EU:C:2016:21, punten 29‑33).
86
Uitgaande van deze premisse veroorzaakt de openbaarmaking van de litigieuze informatie noodzakelijkerwijze grote schade voor rekwirante.
87
Net zoals de gegevens die aan de orde waren in de zaak die tot die beschikking heeft geleid, hebben de gegevens waarvan rekwirante stelt dat ze vertrouwelijk zijn, zoals uit punt 104 van het bestreden arrest blijkt, in hoofdzaak immers betrekking hebben op de rol die deze laatste heeft vervuld bij het ontstaan en de voortzetting van de in de WPP-beschikking vastgestelde inbreuk en verstrekken zij details over de collusie of over de tegen de mededinging gerichte overeenkomsten waaraan rekwirante heeft deelgenomen, waarbij onder meer mededeling wordt gedaan van namen van de producten waarop die contacten of overeenkomsten betrekking hadden en cijfers worden genoemd over de toegepaste prijzen alsook de door de deelnemers nagestreefde doelen worden aangegeven, wat de prijzen en het verdelen van de marktaandelen betreft [zie naar analogie beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington GroupC‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 47].
88
Verder heeft het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest zelf erkend dat de openbaarmaking van de informatie waarvoor rekwirante om vertrouwelijke behandeling had verzocht, haar ernstige schade kon berokkenen.
89
Bovendien kan het argument van de Commissie dat dergelijke schade geen beschermwaardig belang van rekwirante ondermijnt, niet overtuigen, aangezien het vooronderstelt dat de litigieuze informatie naar haar aard niet in aanmerking komt voor bescherming krachtens de geheimhoudingsplicht.
90
Wat de vraag betreft of de betwiste openbaarmaking tot onherstelbare schade zou leiden, is het duidelijk dat de nietigverklaring van het litigieuze besluit de gevolgen van de bekendmaking van de betrokken informatie niet zou kunnen wegwerken, aangezien deze nietigverklaring niet kan verhinderen dat de personen die deze informatie hebben gelezen, kennis ervan hebben verkregen [zie naar analogie beschikkingen van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington GroupC‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 48, en AGC Glass Europe e.a./Commissie, C‑517/15 P‑R, EU:C:2016:21, punt 35].
91
Volgens rekwirante gaat de onomkeerbaarheid van de openbaarmaking van de betrokken informatie gepaard met het onherstelbare karakter van de schade die zij erdoor zou leiden. Zij geeft dienaangaande in wezen twee soorten schade aan die uit de bekendmaking van de litigieuze informatie zouden voortvloeien. Ten eerste zou zij financiële schade lijden, aangezien de betrokken informatie kan worden gebruikt in het kader van tegen haar ingestelde beroepen tot schadevergoeding en deze hoe dan ook ter beschikking zou worden gesteld van het grote publiek, dat die informatie vrijelijk zou kunnen benutten, en ten tweede zou zij immateriële schade lijden die verband houdt met de negatieve gevolgen voor haar reputatie.
92
Zonder dat hoeft te worden nagegaan of de beweerde immateriële schade onherstelbaar is, volstaat het met betrekking tot het eerste type gestelde schade eraan te herinneren dat financiële schade behoudens uitzonderlijke omstandigheden niet als onherstelbaar kan worden beschouwd, aangezien de gelaedeerde persoon over het algemeen door een financiële vergoeding kan worden teruggebracht in de situatie die vóór het ontstaan van de schade bestond. Dat geldt echter niet, dat wil zeggen dat financiële schade met name als onherstelbaar kan worden beschouwd, indien deze schade niet kan worden becijferd [beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington GroupC‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punten 50‑52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
93
Voor zover rekwirante stelt dat de openbaarmaking van de litigieuze informatie haar aan een groter gevaar zou blootstellen in het kader van tegen haar ingestelde vorderingen tot schadevergoeding, zij eraan herinnerd dat de onzekerheid of financiële schade in het kader van een eventueel beroep tot schadevergoeding zal worden vergoed, op zich geen omstandigheid is waaruit blijkt dat deze schade onherstelbaar is in de zin van de rechtspraak van het Hof. In het stadium van het kort geding is het immers per definitie onzeker of achteraf vergoeding van financiële schade zal kunnen worden verkregen in het kader van een eventueel beroep tot schadevergoeding dat na de nietigverklaring van de bestreden handeling zou kunnen worden ingesteld. De kortgedingprocedure heeft evenwel niet tot doel, een dergelijk beroep tot schadevergoeding te vervangen om deze onzekerheid weg te nemen. Het enige doel ervan is, de volle werking te garanderen van de toekomstige definitieve uitspraak in de procedure ten gronde waarop de kortgedingprocedure betrekking heeft en waarin in casu een beroep tot nietigverklaring is ingesteld [beschikkingen van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington Group, C‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 53, en AGC Glass Europe e.a./Commissie, C‑517/15 P‑R, EU:C:2016:21, punt 56].
94
De situatie is daarentegen anders wanneer reeds bij de beoordeling door de rechter in kort geding duidelijk blijkt dat de aangevoerde schade, gelet op de aard ervan en de wijze waarop zij zich naar verwachting zal voordoen, niet op geschikte wijze zal kunnen worden vastgesteld en becijferd indien zij optreedt, en dat zij dus in de praktijk niet via een beroep tot schadevergoeding zal kunnen worden hersteld. Dit kan met name het geval zijn wanneer specifieke commerciële informatie wordt bekendgemaakt waarvan wordt gesteld dat zij vertrouwelijk is en die betrekking heeft op elementen zoals die welke in casu aan de orde zijn, met name de namen van de producten waarop de inbreuk betrekking had, de cijfers betreffende de gehanteerde prijzen en de doelstellingen die door de kartelleden op het gebied van de prijzen werden nagestreefd [zie in die zin beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington GroupC‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 54].
95
In dit verband moet worden geconstateerd dat de schade die rekwirante zou kunnen lijden door de bekendmaking van haar vermeende zakengeheimen of van de op haar betrekking hebbende informatie die in ieder geval onder de geheimhoudingsplicht valt, zowel naar de aard als naar de omvang ervan zou verschillen naargelang het gaat om haar klanten, haar concurrenten, haar leveranciers, dan wel om financiële analisten of het grote publiek. Het zou immers onmogelijk zijn om het aantal en de hoedanigheid vast te stellen van alle personen die daadwerkelijk kennis hebben genomen van de bekendgemaakte informatie en aldus de concrete weerslag te beoordelen die de bekendmaking ervan op de commerciële en economische belangen van rekwirante zou kunnen hebben [zie in die zin beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/Pilkington GroupC‑278/13 P(R), EU:C:2013:558, punt 55].
96
Aangezien minstens deze door rekwirante aangevoerde schade als ernstig en onherstelbaar moet worden aangemerkt, dient te worden geconcludeerd dat de voorwaarde betreffende de spoedeisendheid in casu vervuld is.
Af te wegen belangen
97
Wat het afwegen van de betrokken belangen betreft, betoogt rekwirante allereerst dat de schade die zij door de openbaarmaking van de litigieuze informatie zou lijden, onomkeerbaar zou zijn en zou vooruitlopen op de doeltreffendheid van de beslissing ten gronde. Indien de bekendmaking van die informatie niet wordt opgeschort, zou rekwirante immers, zelfs indien haar hogere voorziening ten gronde wordt toegewezen, dezelfde schade lijden als wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld. Dit is temeer het geval daar de litigieuze informatie zou worden bekendgemaakt op het Internet, waardoor niet kan worden belet dat die informatie ook nog beschikbaar blijft zelfs nadat deze op de webpagina van de Commissie is geschrapt. Rekwirante voegt hier in dit verband aan toe dat het door artikel 47, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte verlangt dat de gevraagde voorlopige maatregelen worden toegekend.
98
Daarnaast zou de opschorting van de bekendmaking van de litigieuze informatie de belangen van de Commissie daarentegen geenszins aantasten. Aangezien deze reeds een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking heeft bekendgemaakt, is reeds voldaan aan het recht van het publiek op informatie. Bovendien heeft de Commissie zelf erkend dat de betrokken gegevens vertrouwelijk waren gedurende vijf jaar, zodat het niet meer dan redelijk is dat zij nog een paar maanden wacht en de sinds lang bestaande status-quo behoudt totdat ten gronde definitief uitspraak is gedaan.
99
Wat ten slotte de belangen van derden betreft en inzonderheid van de personen die een beroep tot schadevergoeding hebben ingesteld, wijst rekwirante er enerzijds op dat, aangezien er veel tijd is verstreken tussen het tijdstip waarop de inbreuk is beëindigd en het tijdstip waarop de oorspronkelijke beschikking van de Commissie is vastgesteld, de belanghebbende derden geen baat hebben bij een spoedige publicatie van een gedetailleerdere niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking, en anderzijds dat deze laatsten hoe dan ook ofwel de Commissie kunnen verzoeken om hun toegang tot de litigieuze informatie te verlenen overeenkomstig verordening nr. 1049/2001, ofwel de nationale rechterlijke instanties waarbij vorderingen tot schadevergoeding zijn ingesteld kunnen verzoeken om aan de Commissie te vragen om overlegging van die informatie krachtens artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1/2003.
100
De Commissie is het daarmee niet eens en onderstreept allereerst dat de ter onderbouwing van de hogere voorziening aangevoerde argumenten en middelen onvoldoende zwaar wegen opdat sprake zou zijn van een bijzonder sterke fumus boni juris, hetgeen in aanmerking dient te worden genomen wanneer de betrokken belangen worden afgewogen.
101
Vervolgens dient volgens haar ook rekening te worden gehouden met het belang van het publiek om zo snel mogelijk kennis te kunnen nemen van de gronden van elk optreden van de Commissie, met het belang van de marktdeelnemers om te weten welke gedragingen hen aan sancties kunnen blootstellen, en met het belang van de door de inbreuk gelaedeerde personen om op de hoogte te worden gebracht van de details van de inbreuk teneinde in voorkomend geval hun rechten te kunnen doen gelden jegens de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
102
Ten slotte moeten ter eerbiediging van artikel 15 VWEU de gronden voor het handelen van de Commissie niet alleen volledig, maar ook zo spoedig mogelijk toegankelijk zijn voor het publiek. Dat is evenwel niet het geval indien de Commissie – zoals in casu – bijna tien jaar na de vaststelling van de WPP-beschikking nog dient te wachten met de openbaarmaking van de details van de inbreuk waaraan rekwirante heeft deelgenomen, terwijl vrij snel meegedeelde informatie bijdraagt tot het doeltreffend doen gelden van het recht op schadeloosstelling dat de rechtspraak erkent voor slachtoffers van inbreuken op het mededingingsrecht. Elke openbaarmaking van de gegevens betreffende de wezenlijke omstandigheden waarin de inbreuk is gepleegd, zou er evenwel toe leiden dat het instellen van beroepen tot schadevergoeding wordt belet, en zou bijgevolg afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het in artikel 101 VWEU vastgestelde verbod op mededingingsregelingen, met name gelet op de mogelijkheden voor de verzoekende partijen om via schadevorderingen het bewijs te leveren van de omstandigheden die vereist zijn om een vergoeding te verkrijgen, alsook van de verjaringsregels waarin het toepasselijke recht voorziet.
103
Ter beantwoording van deze argumenten moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak in een kortgedingprocedure de aan elk van de mogelijke oplossingen verbonden risico’s tegen elkaar dienen te worden afgewogen. Concreet betekent dit, dat moet worden onderzocht of het belang van verzoeker bij gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling zwaarder weegt dan het belang dat wordt gediend door onverwijlde tenuitvoerlegging daarvan. Daarbij gaat het erom te bepalen of de eventuele nietigverklaring van deze handeling in het geding ten gronde herstel van de door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die beschikking ontstane situatie mogelijk zal maken en, omgekeerd, of opschorting van de tenuitvoerlegging de verwezenlijking van de doelstellingen van de bestreden handeling zal verhinderen in het geval dat de beroepen in de hoofdzaak worden verworpen [beschikkingen van de president van het Hof Commissie/Atlantic Container Line e.a., C‑149/95 P(R), EU:C:1995:257, punt 50, en België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 R en C‑217/03 R, EU:C:2003:385, punt 142, alsook beschikking Verenigd Koninkrijk/Commissie, C‑180/96 R, EU:C:1996:308, punt 89].
104
In casu zal het Hof zich in het kader van het hoofdgeding dienen uit te spreken over de vraag of het bestreden arrest moet worden vernietigd en – in voorkomend geval – het litigieuze besluit nietig moet worden verklaard, met name wegens schending van de geheimhoudingsplicht waarvan rekwirante de bescherming kan inroepen volgens artikel 339 VWEU, artikel 30 van verordening nr. 1/2003, artikel 4 van verordening nr. 1049/2001, artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest, alsook wegens niet-inachtneming van de vertrouwelijkheid van de te publiceren informatie.
105
In die omstandigheden zou een arrest houdende vernietiging kennelijk elke nuttige werking missen indien het onderhavige verzoek in kort geding wordt afgewezen en indien de Commissie de litigieuze informatie onmiddellijk zou kunnen publiceren zonder dat zij hoeft te wachten op dat arrest. Door de bekendmaking ervan als zodanig verliest deze informatie immers op onomkeerbare wijze de bescherming van de geheimhoudingsplicht, zodat de afwijzing van het onderhavige verzoek in kort geding de facto zou vooruitlopen op de toekomstige beslissing ten gronde, betreffende het verzoek tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.
106
De argumenten van de Commissie kunnen niet tot de conclusie leiden dat het belang dat deze laatste erbij heeft dat het onderhavige verzoek in kort geding wordt afgewezen, voorrang heeft boven het belang van rekwirante om de door haar gevraagde opschorting te verkrijgen.
107
Anders dan de Commissie lijkt te beweren, kan op basis van de beoordeling in de punten 46 tot en met 70 van de onderhavige beschikking worden geconcludeerd dat er in casu sprake is van een toereikende fumus boni juris om de gevorderde voorlopige maatregelen toe te kennen, en kan deze beoordeling dan ook niet worden aangevochten bij het afwegen van de betrokken belangen, inzonderheid wanneer andere aspecten van die belangenafweging voor een beslissing ten gunste van rekwirante pleiten.
108
Dat is in casu juist het geval. Wat de belangen van de Commissie betreft, moet immers worden vastgesteld dat het belang van het publiek om zo spoedig mogelijk de redenen van elk optreden van de Commissie te kennen, reeds grotendeels is geëerbiedigd door de bekendmaking van een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking in 2007. Aangezien niet wordt betwist dat deze versie voldeed aan de vereisten van artikel 30 van verordening nr. 1/2003, moet worden aangenomen dat zij minstens alle wezenlijke gegevens van de ter onderbouwing van die beschikking verstrekte motivering bevatte. Het is juist dat dit belang nog beter zou worden gediend door de afwijzing van de hogere voorziening door het Hof, aangezien dan de door de Commissie voorgenomen bekendmaking van de gedetailleerdere niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking kan worden verricht. Dat belang kan evenwel niet worden geacht te kunnen worden geëerbiedigd vóór de uitspraak van dat arrest tot afwijzing zonder dat het tegengestelde belang van rekwirante wordt geschaad.
109
Wat het belang van de marktdeelnemers betreft om te weten welke gedragingen hen aan sancties kunnen blootstellen, moet erop worden gewezen dat de praktijk van de Commissie dienaangaande stellig nuttig kan zijn, maar dat het de Commissie zelf is die in de onderhavige zaak van oordeel lijkt te zijn dat de marktdeelnemers zich slechts in zeer geringe mate op eerdere beslissingen van de Commissie kunnen steunen om hun gedragingen daarop af te stemmen. Bijgevolg volstaat de spoed van de Commissie om de andere ondernemers op de hoogte te brengen van de gronden van een besluit waarop deze laatsten zich hoe dan ook slechts op beperkte wijze kunnen beroepen, niet ter rechtvaardiging van het opofferen van het tegengestelde belang van rekwirante in de onderhavige zaak. Dat geldt temeer daar de vertraging inzake de bekendmaking van de litigieuze informatie voornamelijk te wijten is aan de Commissie, die zelfs lijkt aan te geven dat zij de tijd die is verstreken sinds de eerste bekendmaking van een niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking in 2007 heeft gebruikt voor een omstandig onderzoek van de argumenten van de belanghebbende partijen volgens welke bepaalde passages van de motivering van deze beschikking zakengeheimen betroffen.
110
Wat ten slotte het belang van de door de inbreuk gelaedeerde personen betreft om kennis te nemen van de details van de inbreuk teneinde in voorkomend geval hun rechten geldend te kunnen maken jegens de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, moet worden geconstateerd dat de gronden van een besluit houdende vaststelling van een inbreuk weliswaar nuttig kunnen zijn voor deze personen in het kader van hun vorderingen tot schadevergoeding, maar dat dit niet wegneemt dat niet hoeft te worden aangenomen dat deze vorderingen enkel kunnen worden gebaseerd op gegevens die uit die gronden blijken.
111
Bovendien heeft het Hof in dergelijke gevallen reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat toegang tot de documenten wordt geweigerd, daaronder begrepen de documenten die in het kader van een nationaal clementieprogramma aan een mededingingsautoriteit zijn overgelegd, kan verhinderen dat deze vorderingen worden ingesteld, en deze weigering dan ook moet berusten op dwingende redenen die verband houden met de bescherming van het ingeroepen belang en van toepassing zijn op elk stuk waarin inzage is geweigerd. Enkel het risico dat een bepaald stuk in concreto het openbare belang van een doeltreffend nationaal clementieprogramma aantast, kan namelijk rechtvaardigen dat dit document niet wordt verspreid (zie in die zin arrest Donau Chemie e.a., C‑536/11, EU:C:2013:366, punten 47 en 48).
112
Bijgevolg kan het belang van de gelaedeerde personen die hun vorderingen alleen op aan de Commissie overgelegde documenten kunnen baseren, sneller worden gediend wanneer zij een verzoek tot toegang tot de stukken indienen dan wanneer zij wachten op de bekendmaking van de gronden van het besluit houdende vaststelling van de inbreuk.
113
Voor zover de Commissie rekwirante bovendien verwijt niet te hebben aangegeven of en in welke mate de verjaring reeds was onderbroken voor eventuele regresvorderingen van andere deelnemers aan de mededingingsregeling, moet worden vastgesteld dat de Commissie zelf geen enkel gegeven verstrekt op basis waarvan kan worden beoordeeld in welke mate de mogelijkheid voor de beweerdelijk gelaedeerde personen om via schadevorderingen hun rechten te doen gelden, mogelijkerwijs afhangt van een bekendmaking van de litigieuze informatie die wordt verricht zelfs voordat het arrest ten gronde wordt uitgesproken, en zij met name geen enkele aanwijzing verstrekt wat juist de verjaring van die vorderingen betreft.
114
Ten slotte komt de toewijzing van de gevorderde voorlopige maatregelen er enkel op neer dat – voor een beperkte periode – de status-quo wordt gehandhaafd die reeds verschillende jaren bestaat (zie naar analogie beschikking van de president van het Hof Radio Telefis Eireann e.a./Commissie, 76/89 R, 77/89 R en 91/89 R, EU:C:1989:192, punt 15).
115
Rekening houdend met deze overwegingen moet worden geconcludeerd dat de afweging van de betrokken belangen in het voordeel uitvalt van toekenning van de gevorderde voorlopige maatregelen.
116
In die omstandigheden dient de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit te worden opgeschort en dient de Commissie te worden gelast, tot de uitspraak van het arrest waarmee de procedure in hogere voorziening in zaak C‑162/15 P wordt beëindigd, geen niet-vertrouwelijke versie van de WPP-beschikking bekend te maken die, wat rekwirante betreft, gedetailleerder is dan de niet-vertrouwelijke versie van deze beschikking die in 2007 is bekendgemaakt.
De vicepresident van het Hof beschikt:
1)
De tenuitvoerlegging van besluit C(2012) 3534 final van de Commissie van 24 mei 2012 houdende afwijzing van een verzoek tot vertrouwelijke behandeling dat Evonik Degussa GmbH had ingediend krachtens artikel 8 van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (zaak COMP/38.620 – Waterstofperoxide en perboraat), wordt opgeschort tot de uitspraak van het arrest waarmee de procedure in hogere voorziening in de zaak C‑162/15 P wordt beëindigd.
2)
De Europese Commissie wordt gelast, tot de uitspraak van het arrest waarmee de procedure in hogere voorziening in zaak C‑162/15 P wordt beëindigd, niet over te gaan tot bekendmaking van een niet-vertrouwelijke versie van beschikking C(2006) 1766 definitief van de Commissie van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vastgesteld ten aanzien van Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals Holding AB, Eka Chemicals AB, Degussa AG, Edison SpA, FMC Corporation, FMC Foret SA, Kemira OYJ, L’Air Liquide SA, Chemoxal SA, Snia SpA, Caffaro Srl, Solvay SA/NV, Solvay Solexis SpA, Total SA, Elf Aquitaine SA en Arkema SA (zaak COMP/38.620 – Waterstofperoxide en perboraat), die, wat rekwirante betreft, gedetailleerder is dan de niet-vertrouwelijke versie van deze beschikking die in 2007 is bekendgemaakt.
3)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy