BESCHIKKING VAN DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF
6 oktober 2015 ( * )
„Hogere voorziening — Interventie — Schuldeiser van een hoofdpartij — Belang bij de beslechting van het geding — Geen”
In zaak C‑362/15 P(I),
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 57 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 14 juli 2015,
Anonymos Elliniki Metalleftiki kai Metallourgiki Etairia Larymnis Larko, gevestigd te Kallithea (Griekenland), vertegenwoordigd door V. Koulouris, dikigoros,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Larko Geniki Metalleftiki kai Metallourgiki AE, gevestigd te Athene (Griekenland),
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar en É. Gippini Fournier als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF,
de eerste advocaat-generaal, M. Wathelet, gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Met haar hogere voorziening verzoekt Anonymos Elliniki Metalleftiki kai Metallourgiki Etairia Larymnis Larko (hierna: „oud Larko”) om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 11 juni 2015, Larko/Commissie (T‑412/14, EU:T:2015:431; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij haar verzoek tot interventie aan de zijde van Larko Geniki Metalleftiki kai Metallourgiki AE (hierna: „nieuw Larko”), verzoekster in eerste instantie in zaak T‑412/14, werd afgewezen.
2
Nieuw Larko is in de loop van 1989 opnieuw begonnen met het winnen, verwerken en verhandelen van ferronikkel, hetgeen daarvoor door oud Larko gebeurde. Blijkens het dossier is nieuw Larko aan laatstgenoemde aanzienlijke geldbedragen verschuldigd. Met haar verzoekschrift in zaak T‑412/14 verzoekt nieuw Larko het Gerecht om besluit C(2014) 1805 van de Commissie van 27 maart 2014 betreffende door Griekenland aan nieuw Larko toegekende staatssteun SA.37954 (2013/N), in verband met de verkoop van sommige van haar bezittingen (PB C 156, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”), nietig te verklaren. De Europese Commissie besliste daarin ten eerste dat de verkoop van bezittingen van nieuw Larko in overeenstemming met het voorgestelde overnameplan geen staatssteun vormde en ten tweede dat, gezien dit plan, er met betrekking tot de terugbetaling, in voorkomend geval, van eerdere staatssteun geen sprake was van een economische continuïteit tussen nieuw Larko en de kopers van die bezittingen.
3
Daarnaast vraagt oud Larko het Hof haar verzoek om interventie toe te wijzen.
4
Op 29 juli 2015 heeft de Commissie opmerkingen ingediend over de hogere voorziening.
Hogere voorziening
5
Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, elke persoon zich kan voegen voor een Uniegerecht als hij aannemelijk kan maken belang te hebben bij de beslechting van het voor een van die gerechten aanhangige geding.
6
Volgens vaste rechtspraak moet „belang bij de beslissing van het geding” in de zin van voornoemd artikel 40, tweede alinea, worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding zelf en moet daaronder worden verstaan een rechtstreeks en actueel belang bij de toe- of afwijzing van het gevorderde, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen. De woorden „beslissing van het [...] geding” verwijzen namelijk naar de gevraagde eindbeslechting zoals die zal blijken uit het dictum van het arrest dat zal worden uitgesproken (zie beschikking van de president van het Hof Commissie/EnBW, C‑365/12 P, EU:C:2013:83, punt 7en aldaar aangehaalde rechtspraak).
7
In dit verband moet met name worden nagegaan of de verzoeker tot interventie rechtstreeks wordt geraakt door de aangevochten handeling en of hij een stellig belang heeft bij de beslechting van het geding (zie beschikking van de president van het Hof Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:135, punt 7en aldaar aangehaalde rechtspraak). In beginsel kan slechts sprake zijn van een voldoende rechtstreeks belang bij de beslechting van het geding, wanneer die beslechting de rechtspositie van de verzoeker in interventie kan wijzigen [zie in die zin de beschikkingen van de president van het Hof National Power en PowerGen/Commissie, C‑151/97 P(I) en C‑157/97 P(I), EU:C:1997:307, punt 61; Schenker/Air France en Commissie, C‑589/11 P(I), EU:C:2012:332, punten 14 en 15, en Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:135, punten 4 en 11].
8
Tegen deze achtergrond moeten de door oud Larko aangevoerde middelen worden onderzocht.
9
Voor de hogere voorziening zijn drie middelen aangevoerd, respectievelijk:
—
ontoereikende motivering van de bestreden beschikking, voor wat betreft het gebrek aan rechtstreeks belang;
—
schending van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, voor wat betreft het gebrek aan rechtstreeks belang, wegens ten eerste een onjuiste uitlegging en toepassing van die bepaling en ten tweede een onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal en schending van de motiveringsplicht, en
—
schending van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, omdat geen sprake is van een stellig belang.
Eerste middel
10
Oud Larko merkt op dat de Commissie, naast het litigieuze besluit, op dezelfde dag, 27 maart 2014, ook besluit van de Commissie 2014/539/EU betreffende de door Griekenland toegekende staatssteun SA.34572 (13/C) (ex 13/NN) ten gunste van [nieuw Larko] (PB L 254, blz. 24; hierna: „onverenigbaarheidsbesluit”) heeft aangenomen. Zij merkt op dat de Commissie in laatstgenoemd besluit heeft besloten dat bepaalde aan nieuw Larko toegekende steunmaatregelen onverenigbaar waren met de interne markt en terugbetaling ervan heeft gelast.
11
Volgens oud Larko heeft het Gerecht, nadat het in punt 13 van de bestreden beschikking had vastgesteld dat zij, als enige belangrijke schuldeiser van nieuw Larko, zich baseert op het gecombineerde effect van het bestreden besluit en het onverenigbaarheidsbesluit om aan te tonen dat die besluiten nieuw Larko verhinderen haar openstaande schulden te betalen, verzuimd deze problematiek te onderzoeken. In de punten 15 tot en met 17 van de bestreden beschikking, met betrekking tot het stellig belang van oud Larko, zou het Gerecht zich hebben beperkt tot het verwerpen van bepaalde deelargumenten, zonder ze in hun context te aanschouwen, en zou het die argumenten niet in den brede hebben getoetst.
12
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, wat de motiveringsplicht van het Gerecht betreft, volgens vaste rechtspraak een dergelijke plicht niet inhoudt dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt, en de motivering van het Gerecht dus impliciet kan zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (arrest Gogos/Commissie, C‑583/08 P, EU:C:2010:287, punt 30en aldaar aangehaalde rechtspraak).
13
Nadat het Gerecht in punt 15 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen het litigieuze besluit en het onverenigbaarheidsbesluit enerzijds en de door oud Larko aangevoerde onbetaalde rekeningen anderzijds, heeft het in punt 16 van die beschikking opgemerkt dat het gecombineerde effect van de twee besluiten in kwestie niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat oud Larko met betrekking tot haar vorderingen ten aanzien van nieuw Larko niet schadeloos kan worden gesteld. Het heeft vervolgens in punt 17 van de bestreden beschikking opgemerkt dat de belangen van oud Larko slechts zullen worden geraakt door de financiële gevolgen die de oplossing van het voor hem aanhangige geding voor nieuw Larko met zich meebrengt. De belangen van oud Larko zouden dus slechts indirect verband houden met de beslechting van het geding.
14
Gelet op met name de in punt 12 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak, dient te worden geoordeeld dat het Gerecht in de punten 15 tot en met 17 aldus voldoende de specifieke redenen heeft uiteengezet, waarom het heeft geoordeeld dat de argumenten van oud Larko met betrekking tot het gecombineerde effect van het litigieuze besluit en het onverenigbaarheidsbesluit moesten worden verworpen. Ongeacht of zij gegrond zijn, stellen die redenen oud Larko immers in staat om de redenen te kennen waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat zij geen rechtstreeks belang heeft bij de beslechting van het geding en beschikt het Hof over voldoende elementen om zijn toezicht uit te oefenen, gelet op de rechtspraak die in herinnering is gebracht in de punten 6 en 7 van deze beschikking.
15
In deze omstandigheden moet het eerste middel worden verworpen.
Tweede middel
16
Met het eerste onderdeel van haar tweede middel verwijt oud Larko het Gerecht bij de uitlegging en de toepassing van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het die bepaling abstract heeft toegepast en zonder rekening te houden met de bijzonderheden van de zaak. Het Gerecht zou met name het gecombineerde effect van het litigieuze besluit en het onverenigbaarheidsbesluit alsook de bijzondere positie van oud Larko als enige belangrijke schuldeiser van nieuw Larko hebben genegeerd. Oud Larko zou zich overigens in een bijzondere positie bevinden die het gevolg is van door de Griekse autoriteiten genomen maatregelen die de betaling van haar vorderingen op nieuw Larko beweerdelijk moeilijker zouden maken. Al deze verhoudingen en omstandigheden zouden in feite een belang scheppen bij de oplossing van het geding. Het Gerecht zou bijgevolg voornoemde bepaling hebben geschonden door te oordelen dat dit belang ontoereikend is.
17
In dit verband moet worden opgemerkt dat de omstandigheid dat een schuldenaar, zoals nieuw Larko, alleen verplicht is staatssteun terug te betalen, een gevolg dat in onderhavig geval voortvloeit uit het gecombineerde effect van het litigieuze besluit, dat de mogelijkheid uitsluit dat de kopers van de bezittingen van nieuw Larko met nieuw Larko hoofdelijk gehouden zijn tot terugbetaling van bepaalde staatssteun, en het onverenigbaarheidsbesluit, dat die steun onverenigbaar met de interne markt verklaart, zelfs als die twee besluiten geldig zijn, inderdaad een economische en financiële impact kan hebben op de schuldeisers, voor zover hierdoor hun kansen op betaling van al hun openstaande rekeningen worden verkleind, zoals het Gerecht in punt 17 van de bestreden beschikking terecht heeft opgemerkt.
18
Het feit dat oud Larko de enige belangrijke schuldeiser van nieuw Larko is en dat zij beweerdelijk bijzondere moeilijkheden heeft gekend om betaling van haar openstaande rekeningen te verkrijgen wegens bepaalde door de Griekse autoriteiten genomen maatregelen, heeft tot gevolg dat een dergelijke aan nieuw Larko opgelegde verplichting in de praktijk in een belangrijkere mate kan inwerken op de economische en financiële belangen van oud Larko dan op die van andere schuldeisers.
19
Een dergelijke, zelfs aanzienlijke, aantasting van de economische en financiële belangen van een schuldeiser van een hoofdpartij in een zaak die voor het Gerecht aanhangig is, kan evenwel niet worden beschouwd als een rechtstreekse aantasting van de belangen van die schuldeiser in de zin van de in de punten 6 en 7 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak, zolang de rechtspositie van voornoemde schuldeiser hierdoor niet wordt gewijzigd. Dergelijke economische en financiële belangen van een schuldeiser kunnen namelijk niet worden onderscheiden van die van zijn schuldenaar die hoofdpartij is in de zaak in kwestie en worden, net als de belangen van de aandeelhouders van een dergelijke partij, slechts indirect geraakt door de beslechting van het geding, door de gevolgen die voornoemde beslechting voor die hoofdpartij heeft (zie, met betrekking tot een zaak van een aandeelhouder van een hoofdpartij, beschikking van de president van het Hof AITEC/Commissie, C‑97/92, C‑105/92 en C‑106/92, EU:C:1993:954, punt 15).
20
De zaak ligt echter anders als de oplossing van het geding de juridische situatie wijzigt die kenmerkend is voor een schuldeiser die om tussenkomst in een geding verzoekt om zijn schuldenaar te steunen. Dit is met name het geval als voornoemde oplossing een impact heeft op de juridische kwalificatie van een vordering in het nationale recht, doordat deze kan worden opgenomen onder de preferente schulden of de niet-preferente schulden van de schuldenaar, naargelang de uitkomst van het voor de Unierechter aanhangige geding (beschikking van de president van het Hof België/Commissie, C‑197/99 P, EU:C:2000:720, punten 29‑31). Hoewel oud Larko in onderhavige zaak betoogt dat de economische waarde van de vorderingen die zij op nieuw Larko heeft, kan worden geraakt door de beslechting van het voor het Gerecht aanhangige geding, voert zij echter geen enkel argument aan waarmee kan worden aangetoond dat de juridische kwalificatie van haar vorderingen als zodanig door die oplossing zal worden geraakt.
21
Hieruit volgt dat het Gerecht bij de uitlegging en de toepassing van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, geenszins blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de belangen van oud Larko niet rechtstreeks worden geraakt door de uitkomst van het bij hem aanhangige geding.
22
Met het tweede onderdeel van het tweede middel verwijt oud Larko het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal en zijn motiveringsplicht te hebben geschonden doordat het in de eerste volzin van punt 16 van zijn bestreden beschikking heeft geoordeeld dat het gecombineerde effect van het litigieuze besluit en het onverenigbaarheidsbesluit niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat oud Larko met betrekking tot haar vorderingen ten aanzien van nieuw Larko niet schadeloos kan worden gesteld. Dit onjuiste oordeel, dat essentieel zou zijn voor de redenering van het Gerecht, zou indruisen tegen de bewijzen die oud Larko aan hem heeft overgelegd, waaruit zou voortvloeien dat voornoemd gecombineerd effect nieuw Larko van al haar bezittingen zou beroven en dat oud Larko de enige belangrijke schuldeiser van nieuw Larko zou zijn. Het Gerecht zou ten minste hebben moeten motiveren waarom het geen rekening heeft gehouden met het bewijs in kwestie.
23
In dit verband moet worden opgemerkt dat de argumenten van oud Larko zijn gebaseerd op een verkeerde lezing van de eerste volzin van punt 16 van de bestreden beschikking.
24
Voornoemde volzin moet namelijk worden gelezen in het licht van de redenen die eraan voorafgaan en die welke erna komen. Nadat het in punt 15 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt dat geen sprake was van enig rechtstreeks verband tussen het litigieuze besluit en het onverenigbaarheidsbesluit en de vorderingen op nieuw Larko die oud Larko geldend maakt, heeft het Gerecht in punt 17 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de belangen van oud Larko slechts zullen worden geraakt door de financiële gevolgen die de beslechting van het voor hem aanhangige geding voor nieuw Larko met zich meebrengt.
25
De eerste volzin van punt 16 van de bestreden beschikking past binnen deze logica en is dus, anders dan oud Larko aanvoert, niet essentieel voor de redenering van het Gerecht. Met zijn opmerking dat het gecombineerde effect van de twee besluiten in kwestie niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat oud Larko met betrekking tot haar vorderingen ten aanzien van nieuw Larko geen voldoening kan krijgen, heeft het Gerecht zich in wezen beperkt tot de opmerking dat de eventuele onmogelijkheid voor oud Larko om haar openstaande rekeningen te innen niet rechtstreeks uit dat effect als zodanig zou voortvloeien, maar, in voorkomend geval, uit het gebrek aan voldoende middelen in het vermogen van nieuw Larko, een omstandigheid die juridisch gezien niet aan één enkele factor kan worden toegeschreven.
26
Hoe dan ook, zelfs als de eerste volzin van punt 16 van de bestreden beschikking is aangetast door een onjuiste voorstelling van de feiten, kan om die reden die beschikking niet worden vernietigd. Zoals namelijk blijkt uit punt 19 van onderhavige beschikking kan op grond van de aantasting van de economische en financiële belangen van nieuw Larko, die het gevolg is van het gecombineerde effect van het litigieuze besluit en het onverenigbaarheidsbesluit waarop oud Larko zich beroept, slechts een indirect belang van haar bij de beslechting van het geding worden aangetoond, waarmee niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie.
27
Met betrekking tot de bewering dat de bestreden beschikking ontoereikend zou zijn gemotiveerd, is in het kader van het eerste middel, in punt 14 van deze beschikking, geoordeeld dat het Gerecht zijn oordeel, wat het feit betreft dat de beslechting van het geding niet rechtstreeks de belangen van oud Larko zou raken, rechtens toereikend heeft gemotiveerd.
28
Hieruit volgt dat het tweede middel moet worden afgewezen.
Derde middel
29
Met zijn derde middel voert oud Larko aan dat het Gerecht in de punten 18 tot en met 20 van de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen te oordelen dat zijn belang bij de beslechting van het geding niet stellig was, doordat andere schuldeisers voorrang konden hebben ten opzichte van de schuldvorderingen van oud Larko en dat de economische middelen van nieuw Larko hoe dan ook ontoereikend konden blijken om de openstaande rekeningen van oud Larko te betalen. Daarnaast betwijfelt zij, gelet op de bewoordingen van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, of een stellig belang is vereist.
30
In dit verband zij herinnerd aan de vaste rechtspraak, dat argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen niet tot vernietiging van die uitspraak kunnen leiden, en dus falen (arrest Commissie/IPK International, C‑336/13 P, EU:C:2015:83, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
In casu moet worden vastgesteld dat, aangezien oud Larko geen rechtstreeks belang heeft bij de beslechting van het geding, een omstandigheid die gelet op de verwerping van het eerste en het tweede middel, definitief vaststaat, de vernietiging van de bestreden beschikking ook niet kan worden gebaseerd op een met het derde middel aangevoerde vermeende onjuiste toepassing van het recht, gesteld dat zij zou worden aangetoond.
32
Het derde middel faalt derhalve en moet worden verworpen in overeenstemming met de rechtspraak die in punt 30 van onderhavige beschikking in herinnering is gebracht.
33
Uit een en ander volgt dat geen enkel van de door oud Larko ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middelen is aanvaard, zodat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Kosten
34
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien oud Larko overeenkomstig de vordering van de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
De vicepresident van het Hof beschikt:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Anonymos Elliniki Metalleftiki kai Metallourgiki Etairia Larymnis Larko wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
( * ) Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy