BESCHIKKING VAN DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF
17 september 2015 ( *1 )
„Hogere voorziening — Beschikking in kort geding — Mededinging — Mededingingsregelingen — Bevel om zich aan een inspectie te onderwerpen — Schending van het beroepsgeheim — Weigering om de onderzoeksmaatregelen op te schorten — Noodzaak om voorlopige maatregelen te treffen — Geen — Niet-ontvankelijkheid”
In zaak C‑386/15 P(R),
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 57, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 17 juli 2015,
Alcogroup NV, gevestigd te Brussel (België),
Alcodis NV, gevestigd te Brussel,
vertegenwoordigd door P. de Bandt, J. Dewispelaere en J. Probst, advocaten,
rekwirantes,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Giolito, T. Christoforou, V. Bottka en F. Jimeno Fernández als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF,
de eerste advocaat-generaal, M. Wathelet, gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Met hun hogere voorziening verzoeken Alcogroup NV (hierna: „Alcogroup”) en Alcodis NV (hierna: „Alcodis”) om vernietiging van de beschikking van de president van het Gerecht van de Europese Unie van 16 juni 2015, Alcogroup en Alcodis/Commissie (T‑274/15 R, EU:T:2015:389; hierna: „bestreden beschikking”), houdende afwijzing van hun verzoek in kort geding waarmee zij ten eerste beoogden te verkrijgen dat de tenuitvoerlegging werd opgeschort van besluit C(2015) 1769 final van de Commissie van 12 maart 2015, dat is gericht aan Alcogroup en alle ondernemingen waarover zij direct of indirect zeggenschap uitoefent, waaronder Alcodis, en dat betrekking heeft op een procedure op grond van artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB L 1, blz. 1) (hierna: „eerste litigieuze besluit”), alsook van het besluit van de Commissie van 8 mei 2015 dat aan Alcogroup is toegezonden in het kader van de onderzoeken AT.40244 – Bio‑ethanol (voorheen AQUA VIT) – en AT.40054 – Oil and Biofuel Markets (hierna: „tweede litigieuze besluit”), en ten tweede dat de Europese Commissie werd gelast om in het kader van de procedures AT.40054 en AT.40244 alle hen betreffende onderzoekshandelingen of andere handelingen op te schorten.
2
Om te beginnen dient te worden gepreciseerd dat de president van het Gerecht de bestreden beschikking heeft vastgesteld toen de Commissie nog geen opmerkingen had ingediend over het verzoek in kort geding en de termijn voor de indiening van dergelijke opmerkingen nog niet was verstreken. Zoals de Commissie voor het Hof terecht opmerkt, is de bestreden beschikking dus uitsluitend gebaseerd op de in het verzoekschrift in kort geding weergegeven feiten. Indien de Commissie bepaalde van deze feiten betwist, doet zij dit slechts ten subsidiaire titel en voor het geval de bestreden beschikking zou worden vernietigd. Voor het onderzoek van de hogere voorziening wordt in de onderhavige beschikking dus uitgegaan van de premisse dat de in de bestreden beschikking geconstateerde feiten bewezen zijn, zonder dat de juistheid ervan wordt bevestigd of in twijfel getrokken.
Voorgeschiedenis van het geding, zoals in de bestreden beschikking vastgesteld
3
Alcogroup en Alcodis produceren, verwerken en verkopen ethanol. Naar aanleiding van een in maart 2013 ingediende klacht heeft de Commissie in mei 2013 inspecties verricht in de kantoren van een onderneming die een methode ter evaluatie van de ethanolprijzen had ontwikkeld en ter beschikking stelde van het publiek, alsook in de kantoren van verschillende andere ondernemingen die actief waren in de sectoren van de ruwe aardolie, de geraffineerde aardolieproducten en de biobrandstoffen. Dit onderzoek, dat is geregistreerd onder referentienummer AT.40054 (Oil and Biofuel Markets), betrof zowel de werking van die methode als eventuele collusie tussen ondernemingen ter manipulatie van die methode.
4
In het kader van dit onderzoek heeft de Commissie Alcodis op 23 mei 2014 om inlichtingen verzocht krachtens artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003. Alcodis heeft die inlichtingen op 14 juni 2014 verstrekt.
5
Op 29 september 2014 heeft de Commissie Alcogroup en Alcodis op grond van artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie in hun kantoren, die heeft plaatsgevonden van 7 tot en met 10 oktober 2014. Tijdens en na die inspectie hebben Alcogroup en Alcodis met het oog op hun verdediging de hulp van hun advocaten ingeroepen. In die context zijn talrijke documenten opgesteld en tussen hen en hun advocaten uitgewisseld. Daarbij werd gepreciseerd dat deze correspondentie en de als bijlage bijgevoegde documenten onder het beroepsgeheim van de advocaten vielen. Telkens was op de uitgewisselde documenten de Engelse uitdrukking „legally privileged” aangebracht of zaten deze documenten in een map met diezelfde Engelse vermelding als titel.
6
Naast onderzoek AT.40054 heeft de Commissie ook onderzoek AT.40244 geopend, dat betrekking had op eventuele overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot doel hadden het gedrag van de ondernemingen in de sector van de verkoop van bio-ethanol te coördineren, de markten en klanten te verdelen en informatie uit te wisselen. In het kader van dat laatste onderzoek heeft de Commissie Alcogroup en Alcodis bij het eerste litigieuze besluit gelast om zich aan een inspectie te onderwerpen, die heeft plaatsgevonden van 24 tot en met 27 maart 2015. Aan het begin van die inspectie hebben de advocaten van deze twee ondernemingen aan de inspecteurs van de Commissie gevraagd om de verweerdocumenten die waren opgesteld na de inspectie die van 7 tot en met 10 oktober 2014 had plaatsgevonden, uit te sluiten van hun onderzoekingen. Overeengekomen werd dat de inspecteurs de documenten met de Engelse vermelding „legally privileged” niet zouden inzien, maar dat zij deze onmiddellijk opzij zouden leggen en ze pas later, samen met de advocaten van Alcogroup en Alcodis, zouden onderzoeken.
7
Nadien is volgens Alcogroup en Alcodis evenwel gebleken dat de inspecteurs van de Commissie de betrokken documenten hadden geanalyseerd om te bepalen of zij nuttig waren voor het onderzoek en dat zij verschillende verweerstukken die de Engelse vermelding „legally privileged” droegen, hadden geselecteerd met het oog op inbeslagname. Nadat de advocaten van Alcogroup en Alcodis hiertegen hadden geprotesteerd, zijn die documenten geschrapt van de lijst met in beslag te nemen documenten en hebben de inspecteurs aanvaard om de documenten die deze vermelding droegen, in een afzonderlijke map te steken en ze slechts in aanwezigheid van een advocaat van Alcogroup en Alcodis te onderzoeken. Volgens deze twee ondernemingen hadden deze inspecteurs evenwel reeds documenten ingezien die met het oog op het verweer van deze ondernemingen waren opgesteld na de eerste inspectie, die was verricht in het kader van onderzoek AT.40054.
8
Op 21 april 2015 hebben Alcogroup en Alcodis een brief gestuurd aan de Commissie, waarin zij haar hebben verzocht om onmiddellijk alle hen betreffende onderzoekshandelingen in de procedures AT.40054 en AT.40244 op te schorten, inclusief de inzage of analyse van de in beslag genomen documenten. Dit verzoek is op 8 mei 2015 afgewezen bij het tweede litigieuze besluit.
Procesverloop voor de rechter in kort geding en bestreden beschikking
9
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 mei 2015, hebben Alcogroup en Alcodis een beroep tot nietigverklaring van het eerste en het tweede litigieuze besluit ingesteld.
10
Bij een op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben Alcogroup en Alcodis een verzoek in kort geding ingediend, waarmee zij de president van het Gerecht in wezen hebben verzocht:
—
de tenuitvoerlegging van het eerste en het tweede litigieuze besluit overeenkomstig artikel 105, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (thans artikel 157, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht) op te schorten tot het einde van de procedure in kort geding en in ieder geval totdat het Gerecht uitspraak zou hebben gedaan in de hoofdzaak;
—
de Commissie te gelasten om alle hen betreffende onderzoekshandelingen en andere handelingen in het kader van de procedures AT.40054 en AT.40244 op te schorten, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
11
Bij de bestreden beschikking heeft de president van het Gerecht dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard voordat de termijn waarbinnen de Commissie opmerkingen mocht indienen, was verstreken.
12
Wat de eerste vordering van Alcogroup en Alcodis betreft, heeft de president van het Gerecht in wezen geoordeeld dat het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het eerste litigieuze besluit niet-ontvankelijk was omdat dit besluit reeds volledig ten uitvoer was gelegd en de opschorting ervan dus zinloos was. Wat het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het tweede litigieuze besluit betreft, heeft hij opgemerkt dat een dergelijk negatief besluit, waarbij wordt geweigerd een administratief verzoek in te willigen, in beginsel niet het voorwerp van een dergelijke opschorting kan uitmaken. Met betrekking tot de tweede vordering van Alcogroup en Alcodis heeft de president van het Gerecht in wezen opgemerkt dat deze vordering, die ertoe strekte de Commissie te gelasten alle hen betreffende onderzoekshandelingen of andere handelingen op te schorten, het voorwerp van het beroep in de hoofdzaak te buiten ging, aangezien met de gevraagde ingreep – indien deze effectief zou worden gelast – zou worden vooruitgelopen op de maatregelen die de Commissie zou kunnen nemen na een eventueel arrest houdende nietigverklaring van het eerste en het tweede litigieuze besluit. Voorts was naar zijn oordeel niet aangetoond dat dit vooruitlopen noodzakelijk was om de volle werking van een nietigverklaringsarrest in casu te garanderen, aangezien het daartoe volstond dat in geval van nietigverklaring van de litigieuze besluiten alle onrechtmatig gebruikte gegevens werden verwijderd uit het onderzoeksdossier.
Conclusies van partijen
13
Alcogroup en Alcodis verzoeken het Hof:
—
de bestreden beschikking te vernietigen;
—
de door hen in de procedure bij het Gerecht gevraagde voorlopige maatregelen te treffen, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
14
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening af te wijzen;
—
subsidiair, het verzoek in kort geding af te wijzen, en
—
Alcogroup en Alcodis te verwijzen in de kosten, inclusief de kosten van de procedure bij het Gerecht.
Hogere voorziening
15
Tot staving van hun hogere voorziening voeren Alcogroup en Alcodis drie middelen aan. Hun eerste middel, waarmee zij stellen dat de president van het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling of de in het kader van hun tweede vordering in eerste aanleg geformuleerde verzoeken ontvankelijk waren, valt uiteen in drie onderdelen:
—
de president van het Gerecht heeft hun verzoek om voorlopige maatregelen onjuist opgevat;
—
hij heeft een vergissing begaan bij de beoordeling of de met hun tweede vordering in eerste aanleg gevraagde maatregelen noodzakelijk waren om de volle werking van het te wijzen arrest te garanderen, en
—
hij heeft het beginsel van daadwerkelijke rechterlijke bescherming geschonden.
16
Met hun tweede en derde middel verwijten Alcogroup en Alcodis de president van het Gerecht dat hij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling of hun verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het eerste, respectievelijk het tweede litigieuze besluit ontvankelijk was.
17
Voor het overige zetten Alcogroup en Alcodis uiteen om welke redenen de voorlopige maatregelen waarom zij in de procedure bij het Gerecht hebben gevraagd, moeten worden genomen.
18
De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen. Zij voegt eraan toe dat het verzoek in kort geding hoe dan ook moest worden afgewezen en dat de president van het Gerecht daartoe dus terecht heeft besloten.
Eerste middel: de president van het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling of de tweede vordering in eerste aanleg ontvankelijk was
19
Met het eerste onderdeel van hun eerste middel verwijten Alcogroup en Alcodis de president van het Gerecht dat hij in de eerste zin van punt 21 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat Alcogroup en Alcodis met hun tweede vordering in eerste aanleg „de facto [verzochten] dat de Commissie het verbod zou worden opgelegd om haar onderzoeken AT.40054 en AT.40244 voort te zetten en om in die context de door haar op onrechtmatige wijze verkregen vertrouwelijke informatie te gebruiken [...]”, terwijl hun verzoek volgens hen beperkter was. Zij stellen dat zij in werkelijkheid slechts hebben gevraagd dat in het kader van de betrokken procedures alle onderzoekshandelingen zouden worden opgeschort in afwachting van een arrest ten gronde, en enkel wat hen betrof.
20
In dit verband blijkt uit de lezing van de bestreden beschikking in haar geheel dat de president van het Gerecht wel degelijk rekening heeft gehouden met de beperkte aard van de tweede vordering in eerste aanleg. Meer in het bijzonder blijkt dit wanneer de eerste zin van punt 21 van deze beschikking wordt gelezen in het licht van ten eerste punt 12 ervan, waarin de betrokken vordering getrouw wordt weergegeven, en ten tweede punt 20 ervan, waarin eraan wordt herinnerd dat de gevraagde opschorting maar tijdelijk van aard is en dat het kort geding accessoir is aan de hoofdprocedure waarop het is geënt.
21
Hieraan moet worden toegevoegd dat Alcogroup en Alcodis zowel in hun memories bij het Gerecht als in het gedeelte van hun verzoekschrift in hogere voorziening met betrekking tot hun verzoek om voorlopige maatregelen hebben uiteengezet dat iedere onderzoekshandeling die ten aanzien van hen wordt verricht op basis van onrechtmatig verkregen inlichtingen hun schade vergroot. Hieruit volgt dat hun verzoek in kort geding, en met name hun tweede vordering in eerste aanleg, er metterdaad toe strekte te vermijden dat dergelijke schade zou intreden, namelijk door de Commissie tijdelijk te beletten om de onderzoeken AT.40054 en AT.40244 voort te zetten, wat hun eventuele deelname betrof aan de inbreuken die het voorwerp daarvan uitmaken, zoals de president van het Gerecht in de eerste zin van punt 21 van de bestreden beschikking terecht heeft opgemerkt.
22
Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
23
Met het tweede onderdeel van hun eerste middel betogen Alcogroup en Alcodis in wezen dat de president van het Gerecht met name in punt 23 van de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien hij de redenering van de beschikking Commissie/Akzo en Akcros [C‑7/04 P(R), EU:C:2004:566] naar analogie op het onderhavige geval heeft toegepast ter beantwoording van de vraag of de verlangde voorlopige maatregelen noodzakelijk waren om de volle werking van het te wijzen arrest te garanderen. De onderhavige zaak verschilt volgens rekwirantes immers van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot die beschikking. In die laatste zaak was de status van een beperkt aantal documenten in het geding, zodat de rechten van de betrokken ondernemingen afdoende werden beschermd door aan de Commissie het verbod op te leggen om deze documenten te gebruiken in geval van nietigverklaring van het besluit waarbij de verificatie was gelast. In casu hebben de inspecteurs van de Commissie daarentegen bewust alle verweerdocumenten van Alcogroup en Alcodis binnen de reikwijdte van het onderzoek gebracht en er kennis van genomen. Rekwirantes stellen dat zij later onmogelijk met voldoende zekerheid zullen kunnen aantonen dat een verband bestond tussen de kennisneming van die onrechtmatig verkregen inlichtingen en eventuele maatregelen die de Commissie in de volgende fasen van het onderzoek neemt.
24
Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de beschikking Commissie/Akzo en Akcros [C‑7/04 P(R), EU:C:2004:566] weliswaar maar een beperkt aantal documenten in het geding was, maar dat de in die beschikking geformuleerde redenering niet berustte op die omstandigheid als zodanig. Het Hof heeft in de punten 41 en 42 van die beschikking immers in wezen geoordeeld dat op grond van het feit alleen dat de Commissie kennis had genomen van in die documenten vervatte informatie die beweerdelijk onder het beroepsgeheim viel, niet kon worden besloten dat voorlopige maatregelen moesten worden genomen, wanneer die informatie niet was bekendgemaakt aan derden en evenmin was gebruikt in een procedure betreffende een inbreuk op de mededingingsregels van de Europese Unie. Het Hof heeft in punt 43 van diezelfde beschikking ook gepreciseerd dat uit de mogelijkheid voor de Commissie om grondiger kennis te nemen van de documenten in kwestie niet kon worden afgeleid dat de betrokken ondernemingen ernstige en onherstelbare schade hadden geleden.
25
Bijgevolg volstond het argument van Alcogroup en Alcodis dat de ambtenaren van de Commissie tijdens de inspectie kennis hebben genomen van onder het beroepsgeheim vallende documenten, die na die inspectie evenwel niet zijn bewaard door de Commissie, op zich a fortiori niet om aan te tonen dat de gevraagde voorlopige maatregelen moesten worden getroffen om de volle werking van het te wijzen arrest te garanderen. De Commissie kan deze gegevens, waarover zij niet langer beschikt, immers onmogelijk beschikbaar stellen voor derden en zij kan ze evenmin als zodanig aanvoeren ten bewijze dat een inbreuk is gepleegd op de mededingingsregels.
26
Voorts moeten de argumenten worden afgewezen waarmee Alcogroup en Alcodis in het kader van de onderhavige hogere voorziening betogen dat zij, indien de Commissie de onrechtmatig verkregen informatie zou gebruiken, onmogelijk zouden kunnen aantonen dat er een verband is tussen dit gebruik en de onderzoeksmaatregelen die later zouden worden getroffen, en dat de onderhavige zaak daarin verschilt van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de beschikking Commissie/Akzo en Akcros [C‑7/04 P(R), EU:C:2004:566]. Zoals de president van het Gerecht in punt 24 van de bestreden beschikking in feite heeft geoordeeld zonder daarbij blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hebben Alcogroup en Alcodis voor het Gerecht niet aangetoond dat dit inderdaad onmogelijk zou zijn. Hij heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat het aldus aangevoerde risico louter hypothetisch was.
27
Bovendien heeft de president van het Gerecht in punt 21 van de bestreden beschikking op een meer algemene manier evenzeer terecht opgemerkt dat Alcogroup en Alcodis hem in feite verzochten om zijn bevoegdheden te buiten te gaan en vooruit te lopen op de consequenties die de Commissie zou trekken indien het eerste en het tweede litigieuze besluit nietig zouden worden verklaard door het Gerecht. Onverminderd de besluiten die later zullen worden genomen door de feitenrechter van de Unie in de hoofdprocedure en door de Commissie op administratief gebied, kan immers niet worden uitgesloten dat in de toekomst indien nodig passende maatregelen zullen worden genomen – met name verwijdering van bepaalde documenten uit het dossier van de Commissie – teneinde een eventuele schending van de rechten van verdediging van Alcogroup en Alcodis te verhelpen. In de huidige fase van de procedure kan evenmin worden uitgesloten dat de Commissie besluit om de onderzoeken AT.40054 en AT.40244 niet voort te zetten, wat Alcogroup en Alcodis betreft.
28
Bijgevolg kunnen de argumenten van Alcogroup en Alcodis, volgens welke de president van het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beantwoording van de vraag of de gevraagde voorlopige maatregelen noodzakelijk waren om de volle werking van het te wijzen arrest te garanderen, niet slagen. Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
29
Met het derde onderdeel van het eerste middel betogen Alcogroup en Alcodis dat de uiterst strikte wijze waarop de president van het Gerecht de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van kortgedingverzoeken heeft uitgelegd, in strijd is met het beginsel van daadwerkelijke rechterlijke bescherming. Volgens hen kan een dergelijke bescherming in de omstandigheden van dit geval enkel worden verzekerd indien de opschorting wordt gelast van de onderzoekshandelingen die de Commissie kon en nog steeds kan nemen na de onrechtmatige inspectie, aangezien een eventueel toekomstig arrest waarbij hun beroep in de hoofdzaak wordt toegewezen de uit dergelijke onderzoekshandelingen voortvloeiende schade niet met terugwerkende kracht ongedaan kan maken. De president van het Gerecht heeft bijgevolg blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hun tweede vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
30
Zoals in de punten 24 tot en met 28 hierboven is geoordeeld, hebben Alcogroup en Alcodis echter niet aangetoond dat zij, indien de met hun tweede vordering in eerste aanleg gevraagde voorlopige maatregelen niet worden genomen, schade zullen lijden die niet met terugwerkende kracht ongedaan kan worden gemaakt, en evenmin dat die maatregelen noodzakelijk zijn om de volle werking van het te wijzen arrest te verzekeren. Derhalve volstaan hun argumenten niet om aan te tonen dat de president van het Gerecht het beginsel van daadwerkelijke rechterlijke bescherming heeft geschonden door te oordelen dat het in casu niet noodzakelijk was dergelijke maatregelen te treffen.
31
Uit het voorgaande volgt dat het derde onderdeel van het eerste middel niet kan slagen.
32
Derhalve moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel: de president van het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling of het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het eerste litigieuze besluit ontvankelijk was
33
Met hun tweede middel stellen Alcogroup en Alcodis dat de president van het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het eerste litigieuze besluit reeds volledig ten uitvoer was gelegd door de verrichting van de inspectie van 24 tot en met 27 maart 2015 en dat de door hen aangevoerde schade dus reeds was ingetreden toen zij hun verzoek in kort geding indienden. Volgens hen hebben de schadelijke gevolgen van dit besluit geen einde genomen toen de inspecteurs van de Commissie hun kantoren verlieten, aangezien dit besluit aan deze instelling het recht gaf om de tijdens die inspectie in beslag genomen documenten te bewaren en te analyseren en aangezien zij daardoor bij haar analyse rekening kon houden met de informatie die zij had verkregen door onrechtmatige inzage van de verweerdocumenten van Alcogroup en Alcodis.
34
In dit verband hoeft enkel te worden opgemerkt dat de schade waarop Alcogroup en Alcodis hun verzoek aan de president van het Gerecht baseerden om de tenuitvoerlegging van het eerste litigieuze besluit op te schorten, volgens hen voortvloeide uit het feit dat de Commissie hun verweerdocumenten had ingezien in het kader van de inspectie die van 24 tot en met 27 maart 2015 had plaatsgevonden. Zoals de president van het Gerecht in de punten 16 en 17 van de bestreden beschikking terecht heeft opgemerkt, is die schade evenwel ingetreden op het ogenblik dat dit besluit is uitgevoerd, dus tijdens de inspectie.
35
Het is juist dat aan Alcogroup en Alcodis extra schade kan worden berokkend indien later, voor de vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels, wordt gebruikgemaakt van tijdens de inspectie van 24 tot en met 27 maart 2015 in beslag genomen documenten die worden gelezen in het licht van onrechtmatig verzamelde informatie. De opschorting van de tenuitvoerlegging van het eerste litigieuze besluit – dat door het verrichten van de inspectie reeds ten uitvoer was gelegd – door de president van het Gerecht had evenwel niet kunnen beletten dat dergelijke nieuwe schade zich zou voordoen, aangezien een dergelijke opschorting noch tot doel noch tot gevolg zou hebben gehad dat de Commissie verboden werd om de reeds in beslag genomen documenten verder te analyseren.
36
Derhalve moet het tweede middel worden afgewezen.
Derde middel: de president van het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling of het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het tweede litigieuze besluit ontvankelijk was
37
Met hun derde middel betogen Alcogroup en Alcodis dat de bestreden beschikking berust op een onjuiste rechtsopvatting voor zover de president van het Gerecht heeft geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van het tweede litigieuze besluit niet kon worden opgeschort omdat het om een negatief besluit ging. Volgens hen was een dergelijke opschorting noodzakelijk om de vaststelling van de andere gevraagde voorlopige maatregelen mogelijk te maken, meer in het bijzonder de opschorting van alle onderzoekshandelingen in het kader van de procedures AT.40054 en AT.40244 waarop zij doelden met hun tweede vordering in eerste aanleg.
38
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan in beginsel niet worden verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van een negatief besluit, zoals het tweede litigieuze besluit, aangezien die opschorting de situatie van de verzoeker niet kan wijzigen [beschikkingen van de president van de Tweede kamer van het Hof, S./Commissie, 206/89 R, EU:C:1989:333, punt 14, en van de president van het Hof, Moccia Irme/Commissie, C‑89/97 P(R), EU:C:1997:226, punt 45]. Het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van dit besluit moest derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard, zoals de president van het Gerecht heeft geoordeeld in de punten 18 en 19 van de bestreden beschikking. Dit zou slechts anders zijn indien een dergelijke opschorting noodzakelijk kon zijn voor het nemen van een of meer andere gevraagde voorlopige maatregelen, ingeval de kortgedingrechter deze ontvankelijk en gegrond zou hebben geacht.
39
Daar de Commissie bij het tweede litigieuze besluit een administratief verzoek van Alcogroup en Alcodis had afgewezen waarmee deze in wezen om de vaststelling vroegen van dezelfde voorlopige maatregelen als die waarvan zij vervolgens met hun tweede vordering in eerste aanleg om vaststelling vroegen, kon met betrekking tot deze vordering een dergelijke noodzaak hebben bestaan, indien die vordering ontvankelijk en gegrond was geacht. In dit verband hoeft evenwel enkel te worden geconstateerd dat in de punten 19 tot en met 32 van de onderhavige beschikking eveneens alle argumenten van Alcogroup en Alcodis zijn afgewezen waarmee zij aanvoerden dat de president van het Gerecht de tweede vordering in eerste aanleg ten onrechte had afgewezen in de bestreden beschikking omdat deze naar zijn oordeel niet-ontvankelijk was.
40
Bijgevolg heeft de president van het Gerecht het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het tweede litigieuze besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard in de bestreden beschikking. Het derde middel van de hogere voorziening kan dus niet slagen.
41
Derhalve moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen, zonder dat rekwirantes’ argumenten met betrekking tot de redenen waarom de door hen bij het Gerecht gevraagde voorlopige maatregelen moeten worden genomen, hoeven te worden onderzocht.
Kosten
42
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Alcogroup en Alcodis in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.
De vicepresident van het Hof beschikt:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Alcogroup NV en Alcodis NV worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy