BESCHIKKING VAN DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF
6 oktober 2015 ( * )
„Hogere voorziening — Interventie — Belang bij de beslechting van het geding”
In zaak C‑418/15 P(I),
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 57 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 juli 2015,
Cap Actions SNCM, gevestigd te Marseille (Frankrijk), vertegenwoordigd door C. Bonnefoi, advocaat,
rekwirant,
andere partijen in de procedure:
Société nationale maritime Corse Méditerranée (SNCM), gevestigd te Marseille,
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en B. Stromsky als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF,
de eerste advocaat-generaal, M. Wathelet, gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Met zijn hogere voorziening verzoekt Cap Actions SNCM (hierna: „Cap Actions”), een gemeenschappelijk beleggingsfonds door middel waarvan werknemers van de Société nationale maritime Corse Méditerranée (hierna: „SNCM”) negen procent van het kapitaal van die vennootschap bezitten, om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 7 juli 2015, SNCM/Commissie (T‑1/15, EU:T:2015:489; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij zijn verzoek werd afgewezen om toelating tot interventie aan de zijde van verzoekster in eerste aanleg in zaak T‑1/15, strekkende tot nietigverklaring van besluit 2014/882/EU van de Commissie van 20 november 2013, betreffende staatssteun SA 16237 (C 58/2002) (ex N 118/2002) door Frankrijk ten uitvoer gelegd ten gunste van de SNCM (PB 2014, L 357, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”).
2
Daarnaast verzoekt Cap Actions het Hof om toewijzing van zijn interventieverzoek.
3
Op 7 september 2015 heeft de Europese Commissie haar opmerkingen over de hogere voorziening ingediend.
Hogere voorziening
4
Volgens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan iedere persoon zich voegen in een geding bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie als hij aannemelijk kan maken belang te hebben bij de beslechting van het bij een van die gerechtelijke instanties aanhangige geding.
5
Volgens vaste rechtspraak moet „belang bij de beslissing van het geding” in de zin van voornoemd artikel 40, tweede alinea, worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding zelf en moet daaronder worden verstaan een rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de toe- of afwijzing van het gevorderde, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen. De woorden „beslissing van het [...] geding” verwijzen namelijk naar de gevraagde eindbeslissing zoals die zal blijken uit het dictum van het arrest dat zal worden uitgesproken (zie beschikking van de president van het Hof Commissie/EnBW, C‑365/12 P, EU:C:2013:83, punt 7en aldaar aangehaalde rechtspraak).
6
In dit verband moet met name worden nagegaan of de verzoeker tot interventie door de bestreden handeling rechtstreeks wordt geraakt en of hij een stellig belang heeft bij de beslechting van het geding (zie beschikking van de president van het Hof Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:135, punt 7en aldaar aangehaalde rechtspraak). In beginsel kan van een voldoende rechtstreeks belang bij de beslechting van het geding slechts sprake zijn, wanneer die beslechting de rechtspositie van de verzoeker tot interventie kan wijzigen [zie in die zin beschikkingen van de president van het Hof National Power en PowerGen/Commissie, C‑151/97 P(I) en C‑157/97 P(I), EU:C:1997:307, punt 61; Schenker/Air France en Commissie, C‑589/11 P(I), EU:C:2012:332, punten 14 en 15, en Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:135, punten 4 en 11].
7
Met zijn hogere voorziening verwijt Cap Actions het Gerecht dat het artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie onjuist heeft uitgelegd. Cap Actions voert in wezen vijf middelen aan:
—
ten eerste: onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling, waar het geen rekening heeft gehouden met het feit dat er vóór het aannemen van het litigieuze besluit geen heropening is geweest van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU, na de vernietiging door het Gerecht bij het arrest Corsica Ferries France/Commissie (T‑565/08, EU:T:2012:415) van besluit 2009/611/EG van de Commissie van 8 juli 2008 betreffende de maatregelen C 58/02 (ex N 118/02) die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de [SNCM] (JO 2009, L 225, p. 180);
—
ten tweede: onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht, waar het heeft geoordeeld dat het feit dat Cap Actions het gemeenschappelijke belang van de werknemers-aandeelhouders van de SNCM vertegenwoordigt, op zichzelf geen rechtstreeks en daadwerkelijk belang van Cap Actions bij de beslechting van het voor deze rechter aanhangige geding met zich meebrengt in de zin van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie;
—
ten derde: beoordelingsfout van het Gerecht, waar het heeft geoordeeld dat Cap Actions niet heeft aangetoond dat de gerechtelijke saneringsprocedure die op het nationale niveau loopt, bij vernietiging van het litigieuze besluit zou worden geschorst;
—
ten vierde: onjuiste rechtsopvatting, waar het Gerecht de belangen van de hoofdaandeelhouder, Transdev, die zich wenst terug te trekken uit het zeevervoer, heeft gelijkgesteld met die van de aandeelhouders-werknemers, vertegenwoordigd door Cap Actions, die proberen zowel hun vermogen als hun werkgelegenheid veilig te stellen, en
—
ten vijfde: beoordelingsfout van het Gerecht, waar het heeft geoordeeld dat het belang van Cap Actions bij de beslechting van het geding dat voor die rechter aanhangig was, niet onderscheiden is van dat van de SNCM.
8
Eerst moet het eerste middel worden onderzocht, dan gezamenlijk het tweede en het vijfde middel, die in wezen dezelfde rechtsvraag aan de orde stellen, en ten slotte achtereenvolgens het derde en het vierde middel.
Eerste middel
9
Met zijn eerste middel voert Cap Actions aan dat het Gerecht in de bestreden beschikking rekening had moeten houden met het feit dat er voor het aannemen van het litigieuze besluit geen heropening is geweest van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU, na de vernietiging door het Gerecht bij het arrest Corsica Ferries France/Commissie (T‑565/08, EU:T:2012:415) van besluit 2009/611.
10
Dat hiermee geen rekening werd gehouden, zou hebben geleid tot een verstoring tussen twee verzoekers tot interventie van de gelijke toegang tot de procedures inzake staatssteun, namelijk enerzijds Corsica Ferries France (hierna: „Corsica Ferries”), die verzoekt om toelating tot interventie in zaak T‑1/15 aan de zijde van de Commissie, en anderzijds Cap Actions dat in dezelfde zaak verzoekt om toelating tot interventie aan de zijde van de SNCM. Cap Actions onderstreept hiertoe dat in punt 9 van de beschikking SNCM/Commissie (T‑1/15, EU:T:2015:487), waarbij de interventie van Corsica Ferries werd toegelaten, het Gerecht met name heeft verwezen naar het feit dat zij, als concurrent van de SNCM, actief had deelgenomen aan de administratieve procedure bij de Commissie. Cap Actions betoogt dat het door de weigering van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure te heropenen de mogelijkheid is ontnomen om hetzelfde te doen, hoewel de Franse Republiek en de SNCM haar na de nietigverklaring van besluit 2009/611 hierom hadden verzocht.
11
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat zou het een partij worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, terwijl zij over de elementen beschikte om dat te doen en dat middel geen betrekking heeft op een van de door het Gerecht in zijn uitspraak uiteengezette gronden, haar dan in feite zou worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (zie in die zin de arresten Langnese-Iglo/Commissie, C‑279/95 P, EU:C:1998:447, punt 55, en Pêra-Grave/BHIM, C‑249/14 P, EU:C:2015:459, punt 24).
12
De argumentatie van Cap Action, die in punt 10 van deze beschikking is samengevat, heeft als uitgangspunt dat het aan de formele onderzoeksprocedure zou hebben deelgenomen als die procedure na de nietigverklaring door het Gerecht van besluit 2009/611 was heropend. Volgens artikel 108, lid 2, VWEU, en artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van [108 VWEU] (PB L 83, blz. 1), zijn het evenwel de belanghebbenden in de zin van voornoemd artikel 108, lid 2, die het recht hebben om hun opmerkingen mede te delen in het kader van de formele onderzoeksprocedure. Aldus beroept Cap Actions zich impliciet doch noodzakelijkerwijs, voor het Hof op het feit dat het die hoedanigheid bezat in het kader van de formele onderzoeksprocedure met betrekking tot de staatssteun die het voorwerp is van het litigieuze besluit.
13
Toch moet worden vastgesteld dat Cap Actions zich voor het Gerecht niet op zijn vermeende hoedanigheid van belanghebbende in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU heeft beroepen. Hieruit volgt dat het voor het Hof niet met een beroep op deze hoedanigheid om vernietiging van de bestreden beschikking kan verzoeken.
14
Cap Actions klaagt voor het Hof inderdaad over een vermeende ongelijke behandeling jegens hem, vanwege het feit dat Corsica Ferries bij beschikking SNCM/Commissie (T‑1/15, EU:T:2015:487) werd toegelaten tot interventie in zaak T‑1/15 aan de zijde van de Commissie, met name omdat Corsica Ferries actief had deelgenomen aan de formele onderzoeksprocedure met betrekking tot de staatssteun die het voorwerp is van het litigieuze besluit.
15
Toch kan het feit dat het Gerecht een verzoekende partij op grond van de argumenten die zij voor deze rechterlijke instantie heeft aangevoerd, heeft toegelaten tot interventie in een procedure, op zichzelf geen gevolg hebben voor de beslissing op het verzoek tot interventie van een derde in dezelfde procedure, wanneer de situatie van deze anders was en hij zich in vergelijking met degene die tot interventie voor het Gerecht werd toegelaten, ter ondersteuning van zijn verzoek op andere argumenten had beroepen.
16
Het eerste middel is derhalve niet-ontvankelijk.
Tweede en vijfde middel
17
In het kader van zijn tweede middel, dat betrekking heeft op punt 11 van de bestreden beschikking, brengt Cap Actions in herinnering dat het de belangen vertegenwoordigt van de werknemers van de SNCM die aandelen in die vennootschap bezitten, waarvan de waarde rechtstreeks door het bestreden besluit is beïnvloed. Bedoelde werknemers zouden zo als aandeelhouders een rechtstreeks en daadwerkelijk belang hebben bij de beslechting van het geding dat bij het Gerecht is aangebracht. De interventie van Cap Actions zou grote aantallen individuele interventies vermijden, en het merkt op dat het Hof het recht op interventie daarom voor verenigingen ruim uitlegt, waarbij het ter ondersteuning van zijn stelling verwijst naar de beschikking van de president van het Hof National Power en PowerGen/Commissie [C‑151/97 P(I) en C‑157/97 P(I), EU:C:1997:307, punt 66]. Volgens Cap Actions heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in weerwil van deze omstandigheden te oordelen dat het geen rechtstreeks en daadwerkelijk belang heeft bij de beslechting van het geding in kwestie.
18
Met zijn vijfde middel, dat betrekking heeft op de punten 14 tot en met 16 van de bestreden beschikking, trekt Cap Actions de door het Gerecht gedane vaststelling in twijfel, dat het geen enkel concreet en gestaafd element heeft aangevoerd waarmee zijn belang kan worden onderscheiden van dat van de SNCM. Cap Actions onderstreept dat het een van de SNCM onderscheiden rechtspersoonlijkheid heeft en dat zijn belang bestaat in het verdedigen van het vermogen van de aandeelhouders-werknemers die het vertegenwoordigt. Het merkt op dat laatstgenoemden hun aandelen rechtstreeks in waarde zien dalen wegens de bij de instanties van de Unie lopende geschillen met betrekking tot aan de SNCM verleende staatssteun, en met name de bij het Gerecht aanhangige zaak T‑1/15, waarin het om toelating tot interventie verzoekt.
19
De geldelijke belangen van de aandeelhouders-werknemers, die door Cap Actions worden verdedigd, kunnen, evenals diens eigen belangen als rechtspersoon, inderdaad op belangrijke wijze worden geraakt door de uitkomst van het geding dat bij het Gerecht aanhangig is, waarin de SNCM hoofdpartij is. De beslechting van dit geding heeft namelijk een aanzienlijke impact op de financiële situatie van de SNCM en bijgevolg op de waarde van de aandelen die via Cap Actions worden gehouden.
20
Een dergelijke, zelfs aanzienlijke, aantasting van de economische en geldelijke belangen van de aandeelhouders van een vennootschap die een van de hoofdpartijen is in een zaak bij het Gerecht, alsook van de belangen van het beleggingsfonds door middel waarvan bepaalde investeerders hun aandelen in die vennootschap bezitten, kan evenwel niet worden beschouwd als een rechtstreekse aantasting van de belangen van die aandeelhouders en van dat fonds in de zin van de in de punten 5 en 6 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak, aangezien hierdoor hun juridische situatie niet wordt gewijzigd. Dergelijke belangen vallen namelijk samen met die van de vennootschap zelf die hoofdpartij is in het betrokken geding en worden slechts indirect door de beslechting van dat geding geraakt, door de gevolgen van voornoemde beslechting voor deze hoofdpartij (beschikking van de president van het Hof AITEC e.a./Commissie, C‑97/92, C‑105/92 en C‑106/92, EU:C:1993:954, punt 15).
21
Hieruit volgt dat het Gerecht in geen enkel opzicht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, noch in punt 11 van de bestreden beschikking, noch in de punten 14 tot en met 16 ervan, door te oordelen dat de bij hem door Cap Actions ingeroepen belangen niet rechtstreeks zijn geraakt door de uitkomst van het geding dat bij hem aanhangig is gemaakt, en derhalve niet voldoen aan de eisen van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie.
22
Het tweede en het vijfde middel moeten derhalve worden afgewezen.
Derde middel
23
Met zijn derde middel, dat betrekking heeft op punt 12 van de bestreden beschikking, voert Cap Actions aan dat het Gerecht een beoordelingsfout heeft gemaakt waar het heeft geoordeeld dat Cap Actions niet heeft aangetoond dat de lopende gerechtelijke saneringsprocedure ingeval van nietigverklaring van het litigieuze besluit zou worden geschorst. Cap Actions benadrukt het feit dat het verloop van die saneringsprocedure afhangt van de uitkomst van de lopende gedingen bij de instanties van de Unie met betrekking tot de aan de SNCM verleende staatssteun, en met name de voor het Gerecht aanhangige zaak T‑1/15. Deze geschillen zouden immers de reden zijn waarom de hoofdaandeelhouder van de SNCM, namelijk de overheidsonderneming Transdev, de gerechtelijke saneringsprocedure heeft opgestart. Volgens Cap Actions zou zonder deze gedingen een herstructurering van de onderneming een oplossing hebben gebracht voor het tekort van de SNCM.
24
In dit verband volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om ten eerste de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en ten tweede om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof bevoegd om krachtens dit artikel 256 toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (zie met name arrest Bavaria/Commissie, C‑445/11 P, EU:C:2012:828, punt 23en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
In casu heeft het Gerecht in punt 12 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de SNCM is verwikkeld in verschillende procedures voor het Hof en dat de betrokken bedragen in het litigieuze besluit daarom slechts een deel betreffen van de bedragen die in dit stadium door de begunstigde van de steun moeten worden terugbetaald. Op grond van deze vaststellingen is het Gerecht tot de conclusie gekomen dat niet vaststond dat de gerechtelijke saneringsprocedure bij de nationale rechterlijke instanties zou worden opgeschort in geval van nietigverklaring van het litigieuze besluit.
26
Bij het Hof beperkt Cap Actions zich ertoe in dit verband aan te voeren dat volgens het bewijsmateriaal dat het aan het Gerecht heeft overgelegd, de hoofdaandeelhouder Transdev heeft besloten de gerechtelijke saneringsprocedure bij de nationale rechterlijke instanties op te starten vanwege de op Unieniveau hangende geschillen inzake staatssteun. Met deze argumenten kan niet de materiële onjuistheid van de feitelijke vaststellingen waarop punt 12 van de bestreden beschikking berust, worden vastgesteld.
27
Derhalve moet worden vastgesteld dat Cap Actions door het bestrijden van de door het Gerecht in punt 12 van de bestreden beschikking gedane feitelijke vaststellingen, zonder het bewijs te leveren dat de materiële onjuistheid van die vaststellingen uit de dossierstukken blijkt, argumenten aanvoert die niet-ontvankelijk zijn.
28
Gelet op het voorgaande moet het derde middel worden verworpen.
Vierde middel
29
Met zijn vierde middel, dat betrekking heeft op punt 13 van de bestreden beschikking, voert Cap Actions aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het de belangen van de hoofdaandeelhouder, namelijk Transdev en niet de Franse Staat als zodanig, gelijk te stellen aan die van de aandeelhouders-werknemers, vertegenwoordigd door Cap Actions. Laatstgenoemde betoogt dat Transdev zich wenst terug te trekken uit het zeevervoer, terwijl de aandeelhouders-werknemers proberen zowel hun vermogen als hun werkgelegenheid veilig te stellen. Cap Actions zou bijgevolg bij de beslechting van het geding dat bij het Gerecht aanhangig is, een eigen belang hebben dat afwijkt van dat van de hoofdaandeelhouder.
30
In dit opzicht vallen, zoals in punt 20 van deze beschikking is geoordeeld, de economische en financiële belangen van de aandeelhouders van een vennootschap in beginsel samen met die van de vennootschap zelf die hoofdpartij is in een geding. De aandeelhouders van wie Cap Actions de belangen in kwestie vertegenwoordigt zijn weliswaar ook werknemers van de SNCM, maar onderstreept moet worden dat Cap Actions hun belangen als aandeelhouders vertegenwoordigt, zoals het uitdrukkelijk stelt in het kader van zijn hogere voorziening.
31
Het Gerecht heeft in punt 13 van de bestreden beschikking terecht geoordeeld dat, bij wijze van uitzondering op de regel die in het voorgaande punt van deze beschikking in herinnering is gebracht, de omstandigheid waarin een minderheidsaandeelhouder van een vennootschap belangen heeft die afwijken van die van de hoofdaandeelhouder ervan en dus in voorkomend geval van die van de vennootschap zelf, aan die minderheidsaandeelhouder in voorkomend geval een belang kan verlenen bij de beslechting van een geding waarin de vennootschap in kwestie een van de hoofdpartijen is, welk belang onderscheiden is van dat van laatstgenoemde. De minderheidsaandeelhouder kan evenwel pas een beroep doen op deze uitzondering als hij concrete bewijzen overlegt voor de vaststelling dat er bij de beslechting van het betrokken geding, gelet op het voorwerp ervan, sprake is van onderscheiden belangen.
32
In casu heeft het Gerecht in punt 13 van de bestreden beschikking geoordeeld dat Cap Actions geen enkel concreet bewijs heeft aangedragen waarmee kon worden vastgesteld dat sprake is van onderscheiden belangen. In overeenstemming met de rechtspraak die in herinnering is gebracht in punt 24 van deze beschikking, beroept Cap Actions zich op niet-ontvankelijke argumenten door die feitelijke vaststelling te bestrijden zonder het bewijs te leveren dat de materiële onjuistheid ervan uit de dossierstukken blijkt.
33
Het vierde middel is derhalve niet-ontvankelijk.
34
Uit een en ander volgt dat geen enkel van de door Cap Actions ter ondersteuning van zijn hogere voorziening aangevoerde middelen is aanvaard, zodat de hogere voorziening moet worden afgewezen in haar geheel.
Kosten
35
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Cap Actions in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Commissie.
De vicepresident van het Hof beschikt:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Cap Actions SNCM wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Commissie.
ondertekeningen
( * ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy