BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)
6 september 2017 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Uitlevering van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie aan een derde land waar hij dreigt te worden onderworpen aan de doodstraf – Burgerschap van de Unie – Artikelen 18 en 21 VWEU – Artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Bescherming tegen uitlevering”
In zaak C‑473/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bezirksgericht Linz (rechter in eerste aanleg Linz, Oostenrijk) bij beslissing van 24 juli 2015, ingekomen bij het Hof op 7 september 2015, in de procedure
Peter Schotthöfer & Florian Steiner GbR
tegen
Eugen Adelsmayr,
geeft
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, E. Regan, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev en C. G. Fernlund (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
–
Peter Schotthöfer & Florian Steiner GbR, vertegenwoordigd door A. Hawel, E. Eypeltauer, A. Gigleitner en N. Fischer, Rechtsanwälte,
–
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
–
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Vláčil en M. Smolek als gemachtigden,
–
Ierland, vertegenwoordigd door E. Creedon, L. Williams, D. Kelly en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door M. Gray, barrister,
–
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Tátrai en Z. Fehér als gemachtigden,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Troosters en S. Grünheid als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om te beslissen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 18 VWEU en van artikel 6, artikel 19, lid 2, artikel 47 en artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Peter Schotthöfer & Florian Steiner GbR en Eugen Adelsmayr, over de betaling van een schadevergoeding wegens de opzegging van een contract, ingegeven door de vrees om te worden uitgeleverd.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
3
Peter Schotthöfer & Florian Steiner, een in München (Duitsland) gevestigde maatschap van advocaten, heeft Adelsmayr, een in Oostenrijk wonende Oostenrijkse arts, uitgenodigd om in januari 2015 voor haar cliënten een voordracht te geven over de arbeidsomstandigheden en gerechtelijke vervolgingen waaraan hij was blootgesteld in de Verenigde Arabische Emiraten, in welk land hij vanaf 2004 een aantal jaren werkzaam was als anesthesist en intensivist.
4
In februari 2009 is een van Adelsmayrs patiënten in de Verenigde Arabische Emiraten, die ernstig letsel had opgelopen en verschillende hartaanvallen had gehad, na een medische ingreep en nadat hij door een nieuwe hartaanval was getroffen, overleden. Dit overlijden werd Adelsmayr aangerekend.
5
Nadat een arts van het ziekenhuis waar Adelsmayr werkzaam was een klacht had ingediend, werd onder leiding van met name die arts een onderzoek ingesteld. Diezelfde arts concludeerde dat er sprake was van opzettelijke doodslag.
6
In 2011 is in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) een proces gestart waarin het openbaar ministerie tegen Adelsmayr de doodstraf eiste. In 2012 heeft Adelsmayr niettemin de Verenigde Arabische Emiraten verlaten. In een tussentijdse procedure werd hij bij verstek veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. De oorspronkelijke procedure kan evenwel te allen tijde worden hervat en alsnog leiden tot een veroordeling tot de doodstraf.
7
Ook in Oostenrijk werd tegen Adelsmayr een strafprocedure ingeleid waarin werd ingegaan op de tegen de betrokkene in de Verenigde Arabische Emiraten uitgebrachte punten van beschuldiging. Die zaak werd evenwel op 5 mei 2014 door het Oostenrijkse openbaar ministerie geseponeerd omdat „verweerder aannemelijk kon maken dat de in Dubai aangespannen procedure vermoedelijk op een lastercampagne tegen hem berustte”.
8
Van de Oostenrijkse autoriteiten kreeg verweerder het advies enkele staten aan te schrijven om te achterhalen of hij zich op hun grondgebied kon begeven zonder het gevaar te lopen te worden uitgeleverd aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten.
9
In oktober 2014 ontving Adelsmayr het aanbod van Peter Schotthöfer & Florian Steiner met betrekking tot de in punt 3 van deze beschikking genoemde voordracht. Dit aanbod leidde tot de ondertekening van een contract.
10
Punt 5.1 van dat contract, dat betrekking heeft op de vergoeding in geval van afzegging van het contract, luidt als volgt:
„De spreker verbindt zich ertoe om een forfaitaire onkostenvergoeding ten belope van 150 EUR aan de organisatoren te betalen wanneer de betrokken voordracht uiterlijk één maand voor de afgesproken datum ervan wordt afgezegd om redenen die te wijten zijn aan de schuld van de spreker.”
11
Eind november 2014 begon Adelsmayr zich, als gevolg van spanningen tussen de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Saudi-Arabië, zorgen te maken bij de gedachte zich naar Duitsland te moeten begeven om daar deze voordracht te geven. Hij verzocht de Duitse autoriteiten om afgifte van een vrijgeleide, waarbij hij aangaf dat een spoedig antwoord noodzakelijk was, aangezien afzegging van voornoemde voordracht na 15 december 2014 niet meer mogelijk was.
12
Daar Adelsmayr op 12 december 2014 geen antwoord van die autoriteiten had ontvangen, zegde hij de voordracht bij Peter Schotthöfer & Florian Steiner schriftelijk af.
13
Op basis van punt 5.1 van het met Adelsmayr gesloten contract zonden Peter Schotthöfer & Florian Steiner hem een aanmaningsbrief met het verzoek het bedrag van 150 EUR te betalen. Op 3 februari 2015 volgde een betalingsbevel.
14
De verwijzende rechter wijst erop dat er op de datum van zijn prejudicieel verzoek aan het Hof geen internationaal aanhoudingsbevel tegen Adelsmayr bestond. Hij vraagt zich af of de afzegging van de desbetreffende voordracht wordt ingegeven door redenen die toe te schrijven zijn aan de betrokkene of dat diens angst om het Duitse grondgebied te betreden gegrond is.
15
Onder deze omstandigheden heeft het Bezirksgericht Linz (rechter in eerste aanleg Linz, Oostenrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet het in artikel 18 VWEU neergelegde non-discriminatiebeginsel aldus worden uitgelegd dat, wanneer een lidstaat in zijn rechtsorde een bepaling als artikel 16, lid 2, van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland) heeft opgenomen, die een verbod op de uitlevering van eigen onderdanen aan derde landen behelst, dat verbod ook dient te worden toegepast op onderdanen van andere lidstaten die zich op het grondgebied van de betreffende lidstaat bevinden?
2)
Moeten artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest [...] aldus worden uitgelegd dat een lidstaat van de [...] Unie een verzoek van een derde land om uitlevering van een Unieburger die zich op het grondgebied van de betreffende lidstaat bevindt, dient af te wijzen wanneer het aan dat verzoek ten grondslag liggende strafproces en verstekvonnis in het derde land niet verenigbaar zijn met de volkenrechtelijke minimumnorm, de beginselen van openbare orde van de Unie (‚ordre public’) en het beginsel van een eerlijk proces?
3)
Moet ten slotte het in artikel 50 van het Handvest [...] neergelegde en door de rechtspraak van het Hof van Justitie beschermde ,ne bis in idem’-beginsel aldus worden uitgelegd dat, wanneer iemand eerst wordt veroordeeld in een derde land en een procedure in een lidstaat van de [...] Unie daarna wordt beëindigd omdat er feitelijk geen reden bestaat om de vervolging voort te zetten, er een beletsel ontstaat voor de verdere vervolging door het derde land?
4)
Indien een van de voorgaande vragen bevestigend wordt beantwoord, moet dan met name artikel 6 van het Handvest [...] (,recht op vrijheid’) aldus worden uitgelegd dat een Unieburger in geval van een verzoek van een derde land om uitlevering evenmin in uitleveringsdetentie mag worden geplaatst?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
16
Volgens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer een gestelde prejudiciële vraag identiek is aan een vraag waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan, wanneer het antwoord op een dergelijke vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.
17
Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.
18
Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat het verzoek van een derde land om uitlevering van een Unieburger die zijn vrijheid van verkeer uitoefent en zijn lidstaat van herkomst verlaat om op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, door laatstgenoemde lidstaat moet worden afgewezen wanneer deze burger ernstig gevaar loopt in het geval van uitlevering aan de doodstraf te worden onderworpen.
19
Wat de toepasbaarheid van het Handvest op een zaak als in het hoofdgeding betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het besluit van een lidstaat om een Unieburger uit te leveren, in een situatie waarin deze gebruik heeft gemaakt van zijn recht vrij in de Unie te kunnen reizen door zich van de lidstaat waarvan hij onderdaan is naar een andere lidstaat te begeven, binnen de werkingssfeer van de artikelen 18 en 21 VWEU en dus van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest valt (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punten 31 en 52).
20
Het Hof heeft hieruit afgeleid dat de bepalingen van het Handvest, en in het bijzonder artikel 19 daarvan, op een dergelijk besluit dienen te worden toegepast (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 53).
21
Deze overwegingen gelden ook in de onderhavige zaak, die betrekking heeft op de mogelijkheid voor een Oostenrijks onderdaan om zich te begeven naar een andere lidstaat dan die waarvan hij onderdaan is, in casu de Bondsrepubliek Duitsland, om daar een voordracht te geven, en, bijgevolg, zijn vrijheid van verkeer uit te oefenen zonder het gevaar te lopen te worden uitgeleverd.
22
Wat de uitlegging van artikel 19, lid 2, van het Handvest betreft, zij eraan herinnerd dat krachtens die bepaling niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan, een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.
23
Het Hof heeft geoordeeld dat in het geval waarin een derde land een lidstaat verzoekt om uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat, de eerste van deze lidstaten moet nagaan of de uitlevering geen afbreuk doet aan de in artikel 19 van het Handvest neergelegde rechten (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 60).
24
Wanneer de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die zich bevinden in het derde land dat om uitlevering verzoekt, onmenselijk of vernederend worden behandeld, is zij verplicht om te beoordelen of dit gevaar bestaat wanneer zij moet beslissen of een persoon aan deze staat wordt uitgeleverd, waarbij zij zich dient te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punten 58 en 59).
25
In casu wijst de verwijzende rechter erop dat tegen Adelsmayr tijdens zijn proces in de Verenigde Arabische Emiraten door het openbaar ministerie de doodstraf is geëist. Hij voegt hieraan toe dat de betrokkene bij verstek is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, doch enkel in een tussentijdse procedure, en dat, wanneer de strafprocedure na zijn uitlevering wordt hervat, de doodstraf alsnog kan worden opgelegd.
26
Hieruit volgt dat Adelsmayr een „ernstig risico” loopt, in de zin van artikel 19, lid 2, van het Handvest, dat hij in geval van uitlevering aan de doodstraf wordt onderworpen.
27
Op de tweede vraag, voor zover deze betrekking heeft op artikel 19, lid 2, van het Handvest, moet derhalve worden geantwoord dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek van een derde land om uitlevering van een Unieburger die zijn vrijheid van verkeer uitoefent en zijn lidstaat van herkomst verlaat teneinde op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, door laatstgenoemde lidstaat moet worden afgewezen wanneer deze burger ernstig gevaar loopt om in het geval van uitlevering aan de doodstraf te worden onderworpen.
28
Gelet op het antwoord op dit gedeelte van de tweede vraag, hoeft deze vraag voor zover hij betrekking heeft op artikel 47 van het Handvest niet te worden onderzocht, evenmin als de eerste, derde en vierde vraag.
Kosten
29
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat een verzoek van een derde land om uitlevering van een Unieburger die zijn vrijheid van verkeer uitoefent en zijn lidstaat van herkomst verlaat teneinde op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, door laatstgenoemde lidstaat moet worden afgewezen wanneer deze burger ernstig gevaar loopt in het geval van uitlevering aan de doodstraf te worden onderworpen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy