BESCHIKKING VAN HET HOF (Achtste kamer)
27 oktober 2016 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Niet-ontvankelijkheid – Vervoer van personen per auto – Particuliere bestuurders die een smartphoneapp gebruiken om in contact te treden met personen die een stadstraject willen afleggen – Verplichting om over een exploitatievergunning te beschikken”
In zaak C‑526/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel (België) bij beslissing van 23 september 2015, ingekomen bij het Hof op 5 oktober 2015, in de procedure
Uber Belgium BVBA
tegen
Taxi Radio Bruxellois NV,
in tegenwoordigheid van:
Uber International BV,
Rasier Operations BV,
Uber BV,
Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
Belgische Federatie van Taxis,
Nationale Groepering van Ondernemingen met Taxi- en Locatievoertuigen met Chauffeur VZW,
geeft
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. Safjan en D. Šváby (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op de opmerkingen van:
– Uber Belgium BVBA, Uber International BV, Rasier Operations BV en Uber BV, vertegenwoordigd door J. Stuyck, F. Judo en A. Jacobs, advocaten, en B. Le Bret en D. Calciu, avocats,
– Taxi Radio Bruxellois NV, vertegenwoordigd door E. Maron, avocat, en J. Y. Cerckel, advocaat,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en T. Müller als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Rubio González als gemachtigde,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues, D. Colas en R. Coesme als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Gijzen en M. Bulterman als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, N. Otte Widgren, E. Karlsson en L. Swedenborg als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Wilman, E. Gippini Fournier, J. Hottiaux en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,
gelet op het besluit, de advocaat-generaal gehoord, om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5 VEU en de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, daarvan en met de artikelen 49 en 56 VWEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Uber Belgium BVBA en Taxi Radio Bruxellois NV in het kader van verzet tegen een vonnis houdende toewijzing van een vordering tot staken ingesteld onder meer op grond dat Uber Belgium de eerlijke marktpraktijken schendt door ritaanvragen door te geven aan chauffeurs die niet over een vergunning beschikken, of minstens door deel te nemen aan het doorsturen van die aanvragen en/of daarbij te helpen.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 2, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur (hierna: „ordonnantie van 27 april 1995”) omschrijft de „taxidiensten” als volgt:
„de bezoldigde vervoerdiensten van personen, met bestuurder, door middel van automobielen die aan de volgende eisen voldoen:
a) het voertuig, van het type auto, auto voor dubbel gebruik of minibus, naar de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen, hun aanhangwagens, de elementen alsook de accessoires voor de veiligheid moeten voldoen, is, naar constructie en uitrusting, geschikt voor het vervoer van ten hoogste negen personen – de bestuurder inbegrepen – en is daartoe bestemd;
b) het voertuig wordt ter beschikking gesteld van het publiek, hetzij op een bepaalde standplaats op de openbare weg naar de zin van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, hetzij op eender welke andere plaats die niet voor het openbaar verkeer is opengesteld;
c) de terbeschikkingstelling heeft betrekking op het voertuig en niet op elk van de plaatsen ervan wanneer het voertuig ingezet wordt als taxidienst, of op elk van de plaatsen van het voertuig en niet op het voertuig zelf wanneer het ingezet wordt als collectieve taxidienst met de machtiging van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
d) de bestemming wordt door de cliënt bepaald”.
4 Artikel 3 van de ordonnantie van 27 april 1995 bepaalt:
„Niemand mag, zonder vergunning van de Regering, een taxidienst exploiteren door middel van één of meer voertuigen vanop de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
5 Op 5 maart 2014 heeft Taxi Radio Bruxellois, een vennootschap die vooral op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (België) de rol van telefooncentrale tussen de cliënten en de taxi’s speelt, bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel tegen Uber Belgium een vordering tot staken ingesteld op grond van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming en de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, thans de boeken VI en XVII van het Wetboek van economisch recht.
6 Bij verstekvonnis van 31 maart 2014 heeft de voorzitter van deze rechterlijke instantie de vordering van Taxi Radio Bruxellois ontvankelijk en gegrond verklaard.
7 Bij op 24 april 2014 betekende dagvaarding heeft Uber Belgium bij de rechtbank van koophandel van Brussel verzet aangetekend tegen dit vonnis. Bij vonnis van 17 september 2014 is een wijziging van de procestaal toegestaan en is de zaak verwezen naar de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel.
8 In het kader daarvan verzoekt Taxi Radio Bruxellois de verwijzende rechterlijke instantie onder meer:
– vast te stellen dat door het doorgeven van ritaanvragen aan chauffeurs die niet over de vergunning beschikken waarvan sprake is in de artikelen 3 en 16 van de ordonnantie van 27 april 1995, of minstens door deel te nemen aan het doorsturen van die aanvragen en/of daarbij te helpen, Uber Belgium, Uber International BV, Rasier Operations BV en Uber BV (hierna tezamen: „Uber Belgium e.a.”) in strijd met de eerlijke marktpraktijken handelen;
– Uber Belgium e.a. te gelasten, op te houden met het aanbieden van ritten aan chauffeurs die niet beschikken over de vergunningen waarvan sprake is in de artikelen 3 en 16 van de ordonnantie van 27 april 1995, en op te houden met het overmaken van dergelijke ritten en/of daar enigszins aan bij te dragen;
– te gelasten, de toegang tot de „Uber”-app in de softwarewinkels Apple Store en Google Play in België in te trekken, en
– Uber Belgium e.a. te gelasten, de aanmelding van gebruikers van die app stop te zetten.
9 Ter ondersteuning van haar vordering voert Taxi Radio Bruxellois aan dat Uber Belgium e.a. een dienst – in casu „UberPOP” – commercialiseren, of minstens deelnemen aan de commercialisering ervan, in het kader waarvan ritten beantwoordend aan het begrip „taxidiensten” in de zin van artikel 2, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995 worden toevertrouwd aan chauffeurs die niet beschikken over de in de artikelen 3 en 16 van deze ordonnantie geëiste vergunningen en die de door de ter zake geldende regeling opgelegde verplichtingen niet nakomen. Deze situatie zou een concurrentievervalsing creëren ten nadele van de exploitanten en chauffeurs die een dergelijke vergunning hebben, evenals ten nadele van de telefooncentrales waarbij deze zijn aangesloten.
10 Uber Belgium e.a. voeren aan dat de app „UberPOP” kadert in de deeleconomie en een middel is om particulieren met elkaar in contact te brengen om hen in staat te stellen de autokosten te delen. Deze vennootschappen betogen ook dat zij louter tussenpersonen en dus geen exploitanten van taxidiensten zijn.
11 De Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel stelt vast dat zij dient uit te maken of de vervoerders die Uber Belgium e.a. in contact brengen met de gebruikers, moeten beschikken over de vergunning die is opgelegd bij artikel 3 juncto artikel 2, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995. Daartoe zou zij onder meer moeten nagaan of deze vervoerders een „taxidienst” verlenen en of zij dit „tegen bezoldiging” doen.
12 Deze rechterlijke instantie wijst er in dit verband op dat het begrip „taxidiensten” in de zin van artikel 2, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995 niet wordt omschreven aan de hand van de hoedanigheid van de chauffeur die de rit verricht, en dus particulieren niet uitsluit.
13 Met betrekking tot het vereiste dat het vervoer bezoldigd moet zijn, stelt deze rechterlijke instantie vast dat de via de „Uber”-app handelende chauffeurs op twee wijzen kunnen worden vergoed: ofwel kostendekkend ofwel met een vergoeding die hoger ligt dan de werkelijk gemaakte kosten voor de rit.
14 De verwijzende rechterlijke instantie is van mening dat er in dit laatste geval sprake is van bezoldigd vervoer. Zij concludeert daaruit dat „door op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanvragen voor bezoldigde ritten over te maken aan vervoerders die niet beschikken over de toelating zoals voorzien in artikel 3 van de ordonnantie van 27 april 1995, [Uber BV, Uber International BV en Rasier Operations BV (hierna tezamen: ‚Uber BV e.a.’)] handelingen stellen in strijd met de eerlijke marktpraktijken in de zin van artikel VI.104 [van het Wetboek van economisch recht]”, en gelast Uber BV die praktijk te staken onder verbeurte van een dwangsom.
15 Met betrekking tot de ritten uitgevoerd door particulieren die daarvoor slechts een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten ontvangen, is de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel daarentegen een andere mening toegedaan. Zij vraagt zich dienaangaande af, of de ordonnantie van 27 april 1995, wanneer zij in die zin wordt uitgelegd dat zij aan die vervoerders een vergunningplicht oplegt, wel verenigbaar is met de vrijheden die worden gewaarborgd in de artikelen 15 en 16 en artikel 17, lid 1, van het Handvest en in de artikelen 49 en 56 VWEU.
16 In die omstandigheden heeft de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Dient het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikelen 5 VEU en 52, lid 1, van het Handvest, in samenhang gelezen met de artikelen 15 [tot en met] 17 van het Handvest en met de artikelen [49] VWEU en 56 VWEU, aldus te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een regeling zoals neergelegd in de [ordonnantie 27 april 1995], zo begrepen dat het begrip ‚taxidiensten’ eveneens van toepassing is op onbezoldigde particuliere vervoerders die aan ridesharing (gedeeld vervoer) doen door in te gaan op ritaanvragen die hun worden aangeboden door middel van een softwareapplicatie van de in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen Uber BV et al.?”
Prejudiciële vraag
17 Volgens artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een zaak of wanneer een verzoek of een verzoekschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, te allen tijde, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.
18 Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.
19 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de procedure van artikel 267 VWEU een instrument voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, door middel waarvan het Hof deze laatste de gegevens voor de uitlegging van het Unierecht verschaft die deze nodig hebben voor de beslechting van bij hen aanhangige gedingen (beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a., C‑692/15–C‑694/15, EU:C:2016:344, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De rechtvaardigingsgrond voor een prejudiciële verwijzing is dan ook niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar een behoefte die inherent is aan de werkelijke beslechting van een geschil (beschikking van 3 maart 2016, Euro Bank, C‑537/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:143, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 De vereisten betreffende de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, en de verwijzende rechterlijke instantie wordt in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking geacht deze te kennen en nauwgezet na te leven (beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a., C‑692/15–C‑694/15, EU:C:2016:344, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Het Hof heeft er herhaaldelijk op gewezen dat de nationale rechterlijke instantie, wegens het vereiste om tot een voor haar nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving dient te geven van de feiten en de toepasselijke bepalingen in het kader waarvan de vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten moet uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd (beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a., C‑692/15–C‑694/15, EU:C:2016:344, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 De verwijzende rechterlijke instantie moet ook de precieze redenen vermelden waarom zij twijfelt over de uitlegging van bepalingen van het Unierecht en het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof noodzakelijk acht. Zo heeft het Hof al geoordeeld dat het van essentieel belang is dat de nationale rechterlijke instantie een minimum aan uitleg geeft over de redenen voor de keuze van de bepalingen van Unierecht waarvan zij om uitlegging verzoekt, en over het verband dat volgens haar bestaat tussen die bepalingen en de nationale wetgeving die toepasselijk is op het aan haar voorgelegde geschil (beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a., C‑692/15–C‑694/15, EU:C:2016:344, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Het is belangrijk te benadrukken dat de in de verwijzingsbeslissingen verstrekte inlichtingen en gestelde vragen niet alleen het Hof in staat moeten stellen een nuttig antwoord te geven, doch ook de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid moeten bieden opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge die bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen, samen met een vertaling in de officiële taal van elke lidstaat, ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht, en niet het eventueel door de verwijzende rechterlijke instantie aan het Hof toegezonden nationale dossier (beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a., C‑692/15–C‑694/15, EU:C:2016:344, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 In casu voldoet het verzoek om een prejudiciële beslissing niet aan die vereisten.
25 Enerzijds blijkt uit de door de verwijzende rechterlijke instantie aangedragen toepasselijke bepalingen dat de op grond van artikel 3 van de ordonnantie van 27 april 1995 vereiste vergunning waaromtrent deze rechterlijke instantie uitlegging van het Unierecht vraagt, volgens artikel 2, 1°, van deze ordonnantie vooronderstelt dat de dienst tegen bezoldiging wordt verleend. Uit de prejudiciële vraag blijkt echter overduidelijk dat dit niet het geval is.
26 Bij gebreke van door de verwijzende rechterlijke instantie aangedragen aanvullende gegevens waaruit niettemin zou kunnen worden opgemaakt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde activiteit daadwerkelijk aan vergunning is onderworpen, dient dan ook te worden geoordeeld dat de gestelde vraag een theoretische vraag is.
27 Anderzijds bevat deze vraag een op zijn minst summiere, zo niet tegenstrijdige, beschrijving van de door verweerster in het hoofdgeding verleende dienst die het verzoek om een prejudiciële beslissing zou rechtvaardigen.
28 Uit de aan het Hof gestelde prejudiciële vraag blijkt immers dat deze dienst wordt aangemerkt als „gedeeld vervoer” (ridesharing in de tekst van deze vraag), een activiteit die doorgaans wordt omschreven als het gebruik van één personenwagen door meerdere personen die hetzelfde traject afleggen, om het wegverkeer te ontlasten en de vervoerkosten te delen, terwijl uit lezing van de gehele tekst van de verwijzingsbeslissing blijkt dat die dienst wordt omschreven als door een chauffeur uitgevoerde ritten waarvan de bestemming uitsluitend door de passagier wordt bepaald.
29 Bij gebreke van een nadere beschrijving van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde activiteit, met name wat de aard van de betrokken dienst betreft en de wijze waarop deze wordt verleend, is het Hof niet in staat die dienst voldoende nauwkeurig te vatten.
30 Bijgevolg voldoet het door de verwijzende rechterlijke instantie ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing niet aan de in de punten 20 tot en met 23 van de onderhavige beschikking genoemde voorwaarden, namelijk een voldoende mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid die het Hof de mogelijkheid biedt te oordelen, terwijl wordt gewaarborgd dat het antwoord op de gestelde vraag noodzakelijk is voor de oplossing van het voor de verwijzende rechterlijke instantie aanhangige geding, en dat de regeringen van de lidstaten, alsook de andere belanghebbende partijen nuttig gebruik kunnen maken van de mogelijkheid opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
31 Opgemerkt zij echter dat de verwijzende rechterlijke instantie de mogelijkheid behoudt een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen wanneer zij in staat is het Hof alle gegevens te verstrekken het Hof nodig heeft om uitspraak te kunnen doen (beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a., C‑692/15–C‑694/15, EU:C:2016:344, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 In die omstandigheden staat vast dat het door de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing kennelijk niet-ontvankelijk is.
Kosten
33 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) beschikt:
Het door de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel (België) bij beslissing van 23 september 2015 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is kennelijk niet-ontvankelijk.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy