STANDPUNTBEPALING VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
P. MENGOZZI
van 10 september 2015 ( 1 )
Zaak C‑215/15
Vasilka Ivanova Gogova
tegen
Ilia Dimitrov Iliev
„Bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Geschil tussen de ouders over een reis van hun kind naar het buitenland en de afgifte van identiteitsdocumenten voor dat kind — Artikel 1, lid 1 — Begrip ‚burgerlijke zaak’ — Artikel 2, punt 7 — Begrip ‚ouderlijke verantwoordelijkheid’ — Artikel 12 — Niet‑verschenen verweerder — Geen betwisting van bevoegdheid door de door de rechter benoemde vertegenwoordiger van de verweerder”
1.
In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht om zich uit te spreken over het materiële toepassingsgebied van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000. ( 2 ) Deze zaak biedt het Hof de mogelijkheid tot precisering van zijn rechtspraak inzake de toepasselijkheid van deze verordening op maatregelen die, vanuit het oogpunt van het recht van een lidstaat, onder het publiekrecht vallen.
2.
Bovenal stelt deze zaak echter het Hof in de gelegenheid zich uit te spreken over de prorogatie van rechtsmacht in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, waarin is voorzien in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 ten gunste van de rechter van de lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft. Het Hof dient zich in casu te buigen over de vraag of een niet-verschenen partij kan worden geacht de bevoegdheid van de rechter in de zin van deze bepaling te hebben aanvaard, wanneer zij wordt vertegenwoordigd door een door de rechter benoemde vertegenwoordiger en deze de bevoegdheid van de rechter niet betwist. Deze vraag is reeds onderzocht voor verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( 3 ), maar nog niet voor verordening nr. 2201/2003.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
3.
Artikel 1 van verordening nr. 2201/2003 luidt:
„1. Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
a)
[...];
b)
de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
2. De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:
a)
het gezagsrecht en het omgangsrecht;
b)
voogdij, curatele en overeenkomstige rechtsinstituten;
c)
de aanwijzing en de taken van enige persoon of enig lichaam, belast met de zorg voor de persoon of het vermogen van het kind, of die het kind vertegenwoordigt of bijstaat;
d)
de plaatsing van het kind in een pleeggezin of in een inrichting;
e)
de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.
3. Deze verordening is niet van toepassing op:
a)
de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;
b)
beslissingen inzake adoptie, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie;
c)
de geslachtsnaam en de voornamen van het kind;
d)
de handlichting;
e)
onderhoudsverplichtingen;
f)
trusts en erfopvolging;
g)
maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.”
4.
Artikel 2, punt 7, van verordening nr. 2201/2003 definieert „ouderlijke verantwoordelijkheid” als „alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht.”
5.
Volgens de definitie in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 2201/2003 omvat dit omgangsrecht in het bijzonder „het recht om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats”.
6.
Artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 bepaalt het volgende:
„1. Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
2. Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.”
7.
Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat „[d]e gerechten van een lidstaat, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel [3] ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd [zijn] voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:
a)
ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;
en
b)
de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd”.
8.
Artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat „[d]e gerechten van een lidstaat ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:
a)
het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;
en
b)
hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd”.
B – Bulgaars recht
9.
Artikel 127a van de Semeen kodeks (algemene familiewet; hierna: „AFW”) luidt:
„1. Met betrekking tot reizen van kinderen naar het buitenland en de afgifte van de daartoe benodigde identiteitsdocumenten dienen de ouders onderlinge overeenstemming te bereiken.
2. Wanneer de ouders de in lid 1 bedoelde overeenstemming niet kunnen bereiken, wordt over hun geschil beslist door de Rayonen sad[ ( 4 ) ] in het arrondissement waar het kind zijn actuele woonplaats heeft.
3. De procedure wordt op verzoek van één van de ouders ingeleid. De rechtbank hoort de andere ouder, tenzij die zonder gegronde reden niet verschijnt. De rechtbank kan ook ambtshalve bewijs vergaren.
4. De rechtbank kan de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.”
10.
Artikel 45, lid 1, van de Zakon za balgarskite dokumenti za samolichnost/za balgarskite lichni dokumenti (wet inzake de Bulgaarse identiteitsdocumenten; hierna: „WBI”) bepaalt dat de aanvraag voor afgifte van een paspoort voor een minderjarige door zijn ouders in persoon wordt ingediend.
11.
Ingevolge artikel 78, lid 1, juncto artikel 76, punt 9, WBI is de minister van Justitie of een door hem hiertoe gemachtigde persoon bevoegd om de uitreis van het kind uit de Republiek Bulgarije te verbieden wanneer er geen notarieel bevestigde schriftelijke toestemming van zijn ouders voor de reis van het kind naar het buitenland kan worden overgelegd.
12.
Artikel 47 van de Grazhdanski protsesualen kodeks (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „GPK”) luidt:
„1. Wanneer de verwerende partij niet op haar in het dossier vermelde adres kan worden bereikt en de betekening door niemand anders in ontvangst wordt genomen, plakt de persoon die betekent, aan de huisdeur of de brievenbus – of wanneer daartoe geen toegang mogelijk is aan een huisdeur of op een zichtbare plaats in de buurt – een kennisgeving aan. Heeft de persoon die betekent toegang tot de brievenbus, dan deponeert hij tevens hierin een kennisgeving.
2. In de kennisgeving wordt vermeld dat de stukken ter griffie van het gerecht zijn neergelegd indien de betekening door een medewerker van het gerecht of een deurwaarder wordt verricht, dan wel ten kantore van de gemeente indien de betekening wordt verricht door een medewerker van de gemeente, en daar binnen twee weken na de aanplakking van de kennisgeving kunnen worden opgehaald.
3. Wanneer de verwerende partij de stukken niet ophaalt, gelast het gerecht de verzoeker om inlichtingen over het adres waaronder zij is ingeschreven over te leggen, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 40, lid 2, en artikel 41, lid 1, waarin deze mededeling aan het dossier wordt toegevoegd. Wanneer het opgegeven adres niet overeenstemt met het vaste en actuele adres van de partij, gelast het gerecht de betekening overeenkomstig de leden 1 en 2 op het actuele of vaste adres.
4. Indien de persoon die de betekening verricht, vaststelt dat de verwerende partij niet op het aangegeven adres woont, gelast het gerecht de verzoeker om inlichtingen over het adres waaronder zij is ingeschreven over te leggen, ongeacht de aanplakking van de kennisgeving overeenkomstig lid 1.
5. De mededeling wordt geacht om bij afloop van de termijn voor ophaling bij de griffie van het gerecht of ten kantore van de gemeente te zijn betekend.
6. Wanneer het gerecht vaststelt dat de betekening naar behoren is verricht, gelast het dat de mededeling aan het dossier wordt toegevoegd, en benoemt het op kosten van de verzoeker een bijzondere vertegenwoordiger.”
II – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
13.
Verzoekster heeft de Bulgaarse nationaliteit en woont in Italië, waar zij een aantal jaren heeft samengewoond met Ilia Dimitrov Iliev, die eveneens de Bulgaarse nationaliteit heeft. Zij hebben een gezamenlijke dochter die op 2 november 2004 is geboren.
14.
Verzoekster en Iliev wonen niet meer bij elkaar. Verzoekster woont met haar dochter in Milaan (Italië), waar zij een vaste baan heeft en haar kind de vierde klas van de basisschool bezoekt. Ook Iliev woont in Italië, waar hij eveneens een vaste baan heeft. Hij ziet zijn dochter om de 2 tot 3 weken.
15.
Aan het kind, dat de Bulgaarse nationaliteit heeft, werd een tot 5 april 2012 geldig Bulgaars paspoort afgegeven. Iliev heeft niet de nodige medewerking verleend voor de verlenging van het paspoort van zijn kind.
16.
Verzoekster heeft daarom op basis van artikel 127a AFW de Rayonen sad – Petrich (arrondissementsrechtbank Petrich) verzocht om in het geschil tussen de ouders over de reis van het kind naar het buitenland en de afgifte van het hiervoor benodigde identiteitsdocument uitspraak te doen met vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader.
17.
Na te hebben vastgesteld dat aan de voorwaarden van artikel 47, lid 6, GPK was voldaan, heeft de Rayonen sad een bijzondere vertegenwoordiger voor de vader benoemd; het door deze rechter bepaalde honorarium van deze vertegenwoordiger is door verzoekster voldaan. De bijzondere vertegenwoordiger heeft de bevoegdheid van de Bulgaarse rechter om van het geschil kennis te nemen niet bestreden.
18.
Bij beschikking van 10 november 2014 heeft de Rayonen sad – Petrich het verzoek afgewezen. Hij heeft zich onbevoegd verklaard en de procedure beëindigd. Aangezien het geschil de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft en het kind zijn gewone verblijfplaats in Italië heeft, is volgens hem overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 enkel de Italiaanse rechter bevoegd om kennis ervan te nemen.
19.
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 10 november 2014 van de Rayonen sad – Petrich.
20.
De Okrazhen sad ( 5 ) – Blagoevgrad heeft de beschikking van de Rayonen sad bevestigd. De appelrechter deelde de opvatting van de Rayonen sad dat het geschil de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft en dat, gelet op het feit dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Italië heeft, artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 de Italiaanse rechter als bevoegd aanwijst. De appelrechter zette bovendien uiteen dat prorogatie van rechtsmacht in de zin van artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 niet van toepassing is, omdat niet de verweerder zelf maar een door het gerecht benoemde vertegenwoordiger van hem was verschenen.
21.
Verzoekster heeft bij de Varhoven kasatsionen sad (cassatierechter) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de Okrazhen sad. Deze rechter heeft twijfels over de toepasselijkheid van verordening nr. 2201/2003 op het geschil en vraagt zich af of de toestemming voor reizen van het kind naar het buitenland en de afgifte van een paspoort onder de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van deze verordening valt.
22.
De Varhoven kasatsionen sad geeft aan, zelf twee tegenstrijdige beslissingen te hebben gegeven. In de eerste, die dateert van 1 december 2010, is geoordeeld dat een op de basis van artikel 127a AFW aanhangig gemaakt geschil tussen de ouders over een reis van hun kind naar het buitenland en de afgifte van de daarvoor benodigde identiteitsdocumenten niet onder het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 valt en dus ontsnapt aan het toepassingsgebied ervan. In de tweede beslissing, van 9 januari 2014, is beslist dat een dergelijk geschil wel onder het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” valt.
23.
De Varhoven kasatsionen sad vraagt zich tevens af of de in artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 bedoelde prorogatie van rechtsmacht van toepassing is, nu de verweerder de rechtsmacht van de Bulgaarse rechter weliswaar niet heeft bestreden, maar werd vertegenwoordigd door een door de rechter benoemde vertegenwoordiger.
24.
De Varhoven kasatsionen sad heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Is de bij wet voorziene mogelijkheid voor een civiele rechter om uitspraak te doen over een geschil tussen de ouders over de reis van een kind naar het buitenland en de afgifte van identiteitsdocumenten, waarbij het toepasselijke materiële recht erin voorziet dat de ouderlijke rechten gezamenlijk moeten worden uitgeoefend, een procedure die ‚de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid’ betreft in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), juncto artikel 2, punt 7, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, waarop artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 toepasselijk is?
2)
Is voldaan aan de voorwaarden voor internationale rechtsmacht in civiele gedingen over de ouderlijke verantwoordelijkheid wanneer de beslissing in de plaats treedt van een rechtsfeit dat van belang is voor een administratieve procedure betreffende het kind, waarbij het toepasselijke recht erin voorziet dat die procedure in een bepaalde lidstaat van de Europese Unie moet worden gevoerd?
3)
Is er sprake van prorogatie van rechtsmacht in de zin van en volgens de vereisten van artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 wanneer de vertegenwoordiger van de verweerder de bevoegdheid van de rechter niet heeft bestreden, doch deze vertegenwoordiger niet optreedt krachtens een volmacht van verweerder maar is aangewezen door de rechter na problemen om kennis te geven aan de verweerder en hem aldus in persoon of door middel van een door hem gemachtigde vertegenwoordiger te laten deelnemen aan het geding?”
25.
De verwijzende rechter heeft verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Dit verzoek is op 20 mei 2015 door het Hof afgewezen.
26.
Bij beschikking van 3 juli 2015 ( 6 ) heeft de president van het Hof beslist om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
27.
De Spaanse regering en de Europese Commissie hebben met betrekking tot de prejudiciële vragen schriftelijke opmerkingen ingediend. De Spaanse en de Tsjechische regering alsmede de Commissie zijn gehoord tijdens de mondelinge behandeling van 9 september 2015.
III – Beoordeling
28.
Met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter inlichtingen van het Hof over het materiële toepassingsgebied van verordening nr. 2201/2003. Ik zal derhalve ingaan op de toepasselijkheid van deze verordening in de onderhavige zaak. Vervolgens zal ik stilstaan bij de derde prejudiciële vraag, die betrekking heeft op een van de voorwaarden voor de in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid geregelde prorogatie van rechtsmacht ten gunste van de gerechten van de lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft.
A – Eerste en tweede prejudiciële vraag
29.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de toestemming voor een reis van het kind naar het buitenland en de afgifte van het daarvoor benodigde paspoort onder het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van de artikelen 1, lid 1, onder b), en 2, punt 7, van verordening nr. 2201/2003 valt. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter, kort gezegd, te vernemen of de procedure waarin een van de ouders de rechter verzoekt om vervangende toestemming voor de ontbrekende toestemming van de andere ouder wat de reis van het kind en de afgifte van het paspoort betreft, onder het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 valt, ook al is de beslissing van de rechter bestemd om in aanmerking te worden genomen door de nationale autoriteit voor de afgifte van het paspoort van het kind.
30.
Volgens artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 is „[d]eze verordening [...], ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende: [...] b) de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid”. Om bij de letter van deze bepaling te blijven, die het toepassingsgebied van de verordening definieert door verwijzing naar, eerst, burgerlijke zaken en, vervolgens, de ouderlijke verantwoordelijkheid, zal ik mij hierna eerst buigen over de vraag of de toestemming voor een reis van het kind naar het buitenland en de afgifte van het daarvoor benodigde paspoort „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 vormen, en daarna nagaan of zij onder het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van artikel 2, punt 7, van deze verordening vallen.
1. Begrip „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003
31.
Verordening nr. 2201/2003 bevat geen definitie van het begrip „burgerlijke zaken”, noch in de artikelen 1 en 2, betreffende, respectievelijk, het toepassingsgebied van de verordening en de definitie van de hierin gebruikte begrippen, noch in de overwegingen ervan. De verordening geeft enkel, in artikel 1, lid 3, een opsomming van de zaken waarop zij niet van toepassing is, namelijk de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen, beslissingen inzake adoptie, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie, de geslachtsnaam en de voornamen van het kind, de handlichting, onderhoudsverplichtingen, trusts en erfopvolging, en maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten. ( 7 )
32.
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 is geënt op het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968 ( 8 ) (hierna: „Executieverdrag”). Volgens artikel 1, eerste alinea, wordt het Executieverdrag „toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht”. Evenals verordening nr. 2201/2003 definieert het Executieverdrag het begrip „burgerlijke en handelszaken” enkel op negatieve wijze ( 9 ) door in artikel 1, tweede alinea, de uitsluitingen op te sommen. ( 10 )
33.
Het staat buiten kijf dat, zoals het Hof in het arrest C ( 11 ) heeft verklaard, het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 autonoom dient te worden uitgelegd, aangezien alleen daardoor de uniforme toepassing van deze verordening kan worden verzekerd en, zoals de Tsjechische regering ter terechtzitting heeft opgemerkt, de gelijkheid van alle kinderen ( 12 ), ongeacht of zij wel of niet wonen in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, kan worden gewaarborgd.
34.
In het onderhavige geval heeft de zaak die bij de verwijzende rechter aanhangig is gemaakt tot doel de vervangende toestemming van de rechter te verkrijgen voor de ontbrekende toestemming van de vader met betrekking tot de reis van het kind naar het buitenland en de afgifte van een paspoort. Aangezien de afgifte van een paspoort een administratiefrechtelijke handeling is, moet worden nagegaan of het geschil in het hoofdgeding onder het begrip „burgerlijke zaken” valt, in welk geval verordening nr. 2201/2003 hierop van toepassing is, dan wel moet worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening op grond dat het een administratiefrechtelijke zaak betreft.
35.
Om de hiernavolgende redenen ben ik van mening dat het geschil in het hoofdgeding een burgerlijke zaak is in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003.
36.
In de eerste plaats betreft dit geschil geen van de zaken die ingevolge artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 zijn uitgesloten van het toepassingsgebied ervan. ( 13 )
37.
In de tweede plaats is het volgens overweging 10 van verordening nr. 2201/2003 niet de bedoeling dat deze verordening van toepassing is op „publiekrechtelijke maatregelen van algemene aard inzake onderwijs en gezondheid”. ( 14 ) Hieruit leid ik af dat het de bedoeling is dat zij toepassing vindt op andere publiekrechtelijke maatregelen dan die van algemene aard inzake onderwijs en gezondheid. ( 15 )
38.
In de derde plaats bepaalt verordening nr. 44/2001 in artikel 1, lid 1, dat „[z]ij [...] met name geen betrekking [heeft] op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken”. ( 16 ) Dit voorbehoud is ingevoegd in 1978 bij de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot‑Brittannië en Noord‑Ierland tot het Executieverdrag ( 17 ), teneinde rekening te houden met het feit dat het in de rechtsstelsels van de oorspronkelijke lidstaten gebruikelijke onderscheid tussen privaat‑ en publiekrecht in het Verenigd Koninkrijk en Ierland nauwelijks bekend is, zodat diende te worden bepaald welke zaken niet als burgerlijk werden aangemerkt. ( 18 ) Anders dan verordening nr. 44/2001 bepaalt verordening nr. 2201/2003 in artikel 1 niet dat zij niet op administratiefrechtelijke zaken van toepassing is. Ik wijs erop dat verordening nr. 2201/2003, die op 27 november 2003 is vastgesteld, van latere datum is dan verordening nr. 44/2001, die dateert van 22 december 2000, en zeker van latere datum dan de invoeging in 1978 van het voorbehoud met betrekking tot administratiefrechtelijke zaken in het Executieverdrag. Zou dus de wetgever hebben bedoeld om administratiefrechtelijke zaken uit te sluiten van het toepassingsgebied van verordening nr. 2201/2003, dan zou hij dit mijns inziens uitdrukkelijk hebben bepaald.
39.
In de vierde plaats – ook al zou in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 een uitsluiting voor administratiefrechtelijke zaken moeten worden gelezen – zou een dergelijke uitsluiting mijns inziens niet alle administratiefrechtelijke zaken behoren te omvatten, maar enkel de zaken die de uitoefening van openbaar gezag betreffen.
40.
Wat verordening nr. 44/2001 betreft ( 19 ) heeft het Hof namelijk verklaard dat om te bepalen of een geschil onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 valt, de aard van de rechtsbetrekkingen tussen de partijen en het voorwerp van het geschil moet worden onderzocht. Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat ofschoon bepaalde geschillen tussen een overheidsorgaan en een privaatrechtelijke persoon onder het begrip burgerlijke en handelszaken kunnen vallen, dit anders is wanneer het overheidsorgaan handelt in de uitoefening van openbaar gezag. ( 20 )
41.
Volgens mij moet het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van verordening nr. 2201/2003 niet strikter worden uitgelegd dan het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van verordening nr. 44/2001, aangezien verordening nr. 2201/2003, anders dan verordening nr. 44/2001, administratiefrechtelijke zaken niet uitdrukkelijk uitsluit. Als artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 dus zo moet worden uitgelegd dat deze verordening niet van toepassing is op administratiefrechtelijke zaken, is een geschil derhalve niet reeds geen burgerlijke zaak omdat een overheidsorgaan en een privaatrechtelijke persoon hierin tegenover elkaar staan; hiertoe moet het betrokken overheidsorgaan tevens handelen in de uitoefening van openbaar gezag.
42.
Om te bepalen of er sprake is van een burgerlijke zaak in de zin van verordening nr. 44/2001 moeten, zoals gezegd, twee criteria in aanmerking worden genomen: in de eerste plaats de aard van de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij het geschil (zijn deze betrekkingen van zuiver burgerrechtelijke aard, dan gaat het om een burgerlijke zaak), en in de tweede plaats het voorwerp van het geschil (betreft het voorwerp van het geschil geen uitoefening van openbaar gezag, dat valt het geschil onder het begrip „burgerlijke zaken”).
43.
Wat, in de eerste plaats, de rechtsbetrekkingen tussen de partijen betreft, kiest het Hof voor een onderzoek in het licht van de hoedanigheid van de partijen – overheidsinstanties of particulieren – alsook de grondslag en de wijze van instellen van de vordering. ( 21 )
44.
Zo is in een geschil waarin de twee partijen particulieren zijn, noodzakelijkerwijs sprake van een zuiver civielrechtelijke rechtsbetrekking. In het arrest Henkel heeft het Hof de door een consumentenorganisatie ingestelde vordering strekkende tot een verbod voor handelaars om in consumentenovereenkomsten oneerlijke bedingen te gebruiken, aangemerkt als een burgerlijke zaak. In dit arrest heeft het Hof onder andere verklaard dat „[e]en vereniging voor consumentenbescherming als [de in die zaak betrokken vereniging] een privaatrechtelijk orgaan [is]”. ( 22 ) Zo ook in het arrest Frahuil, waarin het Hof een vordering waarmee een onderneming die zich tegenover de douaneautoriteiten borg had gesteld voor de betaling van douanerechten door een vervoerder terugbetaling wilde verkrijgen van het aan de importeur betaalde bedrag, als privaatrechtelijk heeft aangemerkt omdat in deze zaak twee particulieren tegenover elkaar stonden. ( 23 ) In het arrest flyLAL‑Lithuanian Airlines heeft het Hof geoordeeld dat het bij de door een Litouwse luchtvaartmaatschappij jegens de beheersentiteit van een Letse luchthaven en een Letse luchtvaartmaatschappij ingestelde vordering tot vergoeding van schade die verband hield met een beweerde inbreuk op het mededingingsrecht, om een burgerlijke zaak ging. Dienaangaande heeft het Hof onder andere erop gewezen dat ook al was de Letse Staat meerderheids‑ of zelfs enig aandeelhouder van de verwerende partijen, hij geen partij was in het geding en dat de eiser opkwam tegen de te hoge heffingen voor het gebruik van de luchthaveninstallaties, dat wil zeggen diensten die de verwerende partijen als marktdeelnemer en niet in de uitoefening van openbaar gezag verrichtten. ( 24 )
45.
Een geschil valt niet buiten het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 om de enkele reden dat een van de procespartijen een overheidsinstantie is. Het valt enkel hierbuiten, wanneer deze instantie in het kader van dit geschil openbaar gezag uitoefent. Zo heeft het Hof in het arrest Sunico e.a. de door de Britse belastingdienst ingestelde vordering tot inning van een belastingschuld als een burgerlijke zaak beschouwd: hoewel het bij de eiseres om een overheidsinstantie ging, was haar optreden uitsluitend gebaseerd op de regels van het Verenigd Koninkrijk op het gebied van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad. ( 25 ) In dezelfde zin achtte het Hof in het arrest Sapir e.a. een tegen het Land Berlin ingestelde vordering tot schadeloosstelling van slachtoffers van het naziregime een civielrechtelijke aangelegenheid. De vordering had namelijk betrekking op het Land Berlin als eigenaar van met restitutieaanspraken belaste grond, en in die hoedanigheid had het dezelfde verplichting tot schadeloosstelling als een particulier. ( 26 )
46.
Wat, in de tweede plaats, het voorwerp van het geschil betreft, dit valt niet onder het burgerlijke recht wanneer het hierbij gaat om de uitoefening van openbaar gezag, dat wil zeggen wanneer de vordering rechtstreeks haar oorsprong vindt in de uitoefening van overheidsbevoegdheden. ( 27 )
47.
Zo heeft het Hof in het arrest Lechouritou e.a. met betrekking tot een door Griekse burgers tegen de Duitse Staat ingestelde vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van een in 1943 door soldaten van de Duitse strijdkrachten onder burgers aangericht bloedbad verklaard dat die zaak de uitoefening van overheidsbevoegdheden betrof. ( 28 ) In het arrest Apostolides daarentegen zag het Hof in de vordering van een particulier – eigenaar van een stuk grond op Cyprus dat hij bij de Turkse militaire invasie van dit eiland in 1974 moest verlaten – tegen de particulier die deze grond had verkregen, hem onverwijld het onbeperkte eigendomsrecht van het stuk grond te verschaffen, geen uitoefening van openbaar gezag. ( 29 ) De tegengestelde aanpak van het Hof in deze twee arresten heeft mijns inziens te maken met het feit dat in het arrest Lechouritou e.a. de vordering betrekking had op de vergoeding van rechtstreeks door de uitoefening van overheidsgezag (het bloedbad onder burgers) veroorzaakte schade, terwijl in het arrest Apostolides de vordering betrekking had op het bezit een stuk grond verkregen na de uitoefening van overheidsgezag (de militaire invasie), dat wil zeggen dat tussen de vordering en de uitoefening van openbaar gezag slechts een indirecte relatie bestond.
48.
Zoals we hebben gezien ( 30 ), kan de rechtspraak met betrekking tot het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 worden toegepast op het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003.
49.
In het onderhavige geval staan in het bij de verwijzende rechter aanhangige geding twee particulieren tegenover elkaar, namelijk de ouders van het kind. Uiteraard kan de moeder tegen de vader geen buitengewone, van het commune recht afwijkende bevoegdheid uitoefenen. De rechtsbetrekking tussen partijen is dus van zuiver civielrechtelijke aard.
50.
Bovendien wil ik benadrukken dat de door de moeder aanhangig gemaakte procedure ertoe strekt de vervangende toestemming van de aangezochte rechter te verkrijgen voor de ontbrekende toestemming van de vader met betrekking tot de afgifte van een paspoort voor het kind. In dit geding gaat het niet om de uitoefening van openbaar gezag, aangezien de rechter niet wordt verzocht om afgifte van dit paspoort, maar om vervangende toestemming te verlenen voor de ontbrekende toestemming van de vader. Het gaat dus om een gebrek aan overeenstemming tussen de ouders, aangezien de moeder wil dat het kind de familie in Bulgarije bezoekt en de vader zich hiertegen verzet, althans op zijn minst niet de hiervoor noodzakelijk stappen onderneemt. Het voorwerp van het geding is bijgevolg zuiver civielrechtelijk van aard.
2. Het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van artikel 2, punt 7, van verordening nr. 2201/2003
51.
Artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat burgerlijke zaken betreffende de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid waarop deze verordening van toepassing is, met name betrekking hebben op het omgangsrecht. Volgens de definitie in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 2201/2003 omvat dit omgangsrecht in het bijzonder het recht om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats.
52.
Het meenemen van het kind op vakantie naar zijn familie, ook in een andere staat (artikel 2, punt 10, spreekt immers enkel van „een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats”), en het daartoe indienen van een aanvraag voor een paspoort lijken mij zonder meer te vallen onder de definitie van het begrip „omgangsrecht”.
53.
Bijgevolg moet de eerste vraag van de verwijzende rechter aldus worden beantwoord dat de procedure waarmee een van de ouders de rechter verzoekt om vervangende toestemming voor de ontbrekende toestemming van de andere ouder wat de reis van het kind en de afgifte van een paspoort betreft, onder het begrip „burgerlijke zaken” betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van de artikelen 1, lid 1, onder b), en 2, punten 7 en 10, van verordening nr. 2201/2003 valt.
B – Derde prejudiciële vraag
54.
Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een niet‑verschenen partij kan worden geacht te hebben ingestemd met de bevoegdheid van de rechter krachtens artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003, wanneer zij wordt vertegenwoordigd door een door de rechter benoemde vertegenwoordiger en deze de bevoegdheid van de rechter niet bestrijdt.
55.
Alvorens de derde prejudiciële vraag te bespreken, wil ik enkele opmerkingen maken over de verdeling van de bevoegdheden op het gebied van de in verordening nr. 2201/2003 bedoelde ouderlijke verantwoordelijkheid.
56.
Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid verleent artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Artikel 8, lid 2, van deze verordening bepaalt evenwel dat „lid 1 geldt onder voorbehoud” van onder andere artikel 12. Ingevolge artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 zijn op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten van de lidstaat bevoegd waar overeenkomstig artikel 3 ( 31 ) de bevoegdheid wordt uitgeoefend ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk ( 32 ), terwijl artikel 12, lid 3, van die verordening wat de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft de gerechten van de lidstaat bevoegd verklaard waarmee het kind een nauwe band heeft, onder andere omdat het onderdaan van die lidstaat is.
57.
De in artikel 12, leden 1 en 3, van verordening nr. 2201/2003 geregelde bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de bevoegdheid ter zake van echtscheiding wordt uitgeoefend en die van de gerechten van de lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft, zijn dus bevoegdheden die concurreren met die van de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. ( 33 )
58.
Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven moet mijns inziens de derde vraag worden geherformuleerd ( 34 ), zodat zij in het licht van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 en niet van lid 1 van die bepaling kan worden onderzocht. Ik zal hierna eerst uitleggen waarom een dergelijke herformulering noodzakelijk is, en vervolgens ingaan op de vraag zelf, namelijk of een partij die niet in persoon is verschenen maar wordt vertegenwoordigd door een door de rechter benoemde vertegenwoordiger, die de bevoegdheid van de rechter niet bestrijdt, kan worden geacht de bevoegdheid van deze rechter in de zin van, derhalve, artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 te hebben aanvaard.
1. Toepasselijkheid van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003
59.
Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 kan volgens mij niet worden toegepast in de onderhavige zaak. Zoals we hebben gezien, verleent deze bepaling namelijk in kwesties betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaat die overeenkomstig artikel 3 bevoegd zijn ter zake van echtscheiding. De verwijzingsbeslissing vermeldt evenwel enkel dat Gogova en Iliev hebben samengewoond, hetgeen doet vermoeden dat zij niet met elkaar getrouwd zijn geweest. Bijgevolg is deze bepaling niet van toepassing in het hoofdgeding.
60.
De bevoegdheid van de Bulgaarse gerechten moet veeleer worden onderzocht in het licht van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003, waarin overigens dezelfde voorwaarde is opgenomen als in artikel 12, lid 1, namelijk aanvaarding van de bevoegdheid van de rechter waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt. Ingevolge deze bepaling zijn de gerechten van een lidstaat „in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind”, indien, in de eerste plaats, het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, „met name omdat [...] het kind onderdaan van die lidstaat is”, en, in de tweede plaats, de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en deze bevoegdheid door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. ( 35 ) Aangezien uit het dossier blijkt dat het kind de Bulgaarse nationaliteit heeft, is de eerste voorwaarde van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 voor prorogatie van rechtsmacht vervuld.
61.
Ik wijs erop dat het Hof in het arrest L heeft verklaard dat de in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 bedoelde prorogatie van rechtsmacht inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid kan worden toegepast zonder dat de procedure ter zake hoeft samen te hangen met een andere procedure die reeds aanhangig is bij de rechter ten gunste van wie de prorogatie van rechtsmacht wordt gewenst. ( 36 ) Het feit dat bij de Bulgaarse gerechten geen verzoek om echtscheiding is ingediend, is dus niet van belang; een dergelijke omstandigheid doet niet af aan de toepasselijkheid van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003. ( 37 )
62.
Bijgevolg is de derde prejudiciële vraag onverminderd relevant. De leden 1 en 3 van artikel 12 van verordening nr. 2201/2003 onderwerpen namelijk de prorogatie van rechtsmacht aan dezelfde voorwaarde: de bevoegdheid van deze gerechten is uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze aanvaard door „de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen” (lid 1) of door „alle partijen bij de procedure” (lid 3). Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven volstaat het om de vraag of een partij die niet in persoon is verschenen maar wordt vertegenwoordigd door een door de rechter benoemde vertegenwoordiger, die de bevoegdheid van de rechter niet bestrijdt, kan worden geacht de bevoegdheid van deze rechter te hebben aanvaard, te onderzoeken in het licht van lid 3 en niet van lid 1.
2. Uitdrukkelijke of ondubbelzinnige aanvaarding van de bevoegdheid
63.
Een verweerder die niet is verschenen, kan mijns inziens niet worden geacht de bevoegdheid van de aangezochte rechter te hebben aanvaard in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 om de enkele reden dat deze rechter, aangezien deze hem het gedinginleidende stuk niet heeft kunnen meedelen, ambtshalve een vertegenwoordiger voor hem heeft benoemd, die inhoudelijk verweer heeft gevoerd zonder exceptie van onbevoegdheid van de rechter op te werpen.
a) Vrijheid van keuze van partijen: grondslag van de prorogatie van rechtsmacht
64.
Ik wijs erop dat de Uniewetgever de intentie had om partijen in staat te stellen de lidstaat te kiezen, waarvan de gerechten bevoegd zouden zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 biedt hun immers de mogelijkheid om af te wijken van de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, ten gunste van de gerechten van de lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft. De Uniewetgever heeft dus de autonomie van partijen willen benadrukken door hun een keuze te bieden, die weliswaar onderworpen is aan de voorwaarde van een nauwe band van het kind met de lidstaat waarvan de gerechten worden gekozen ( 38 ), maar niettemin een keuze vormt. Dit volgt uit de toelichting op het door de Commissie ingediende verordeningsvoorstel, ingevolge waarvan artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 „tot doel [heeft] overeenstemming te bevorderen, zij het slechts over de vraag welke rechterlijke instantie van de zaak kennis moet nemen, en ook om ten behoeve van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, voor een zekere flexibiliteit te zorgen”. ( 39 )
65.
Aangezien de bevoegdheid van het aangezochte gerecht berust op de wil van partijen is het van belang zich ervan te vergewissen dat beide partijen ook werkelijk met deze bevoegdheid hebben ingestemd. ( 40 ) De intentie van de wetgever, te weten benadrukking van de autonomie van partijen, pleit voor een strikte uitlegging van de voorwaarde dat de bevoegdheid van de aangezochte rechter „uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze” is aanvaard. ( 41 )
66.
Ik benadruk dat artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waarvoor partijen hebben gekozen, „door het belang van het kind” moet worden gerechtvaardigd. Volgens mij moet deze precisering, gelet op de centrale plaats van het belang van het kind in het door verordening nr. 2201/2003 in het leven geroepen stelsel van bevoegdheden ( 42 ), worden begrepen als een echte verplichting voor de aangezochte rechter om erop toe te zien dat partijen hun keuzevrijheid niet ten nadele van het belang van het kind hebben uitgeoefend. ( 43 ) Een dergelijke verplichting bevestigt het vereiste van strikte uitlegging van de aanvaarding van de bevoegdheid van de op basis van artikel 12, lid 3, aangezochte rechter.
67.
Daarom ben ik van mening dat de opvatting dat de verweerder de bevoegdheid van de Bulgaarse rechter heeft aanvaard – terwijl het gedinginleidende stuk niet aan hem kon worden medegedeeld – omdat de door de rechter benoemde vertegenwoordiger de bevoegdheid van deze rechter niet heeft bestreden, niet beantwoordt aan het vereiste van strikte uitlegging van de in artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 voorgeschreven aanvaarding.
68.
Ik kan alleen maar verbaasd zijn over het feit dat de Bulgaarse rechter een vertegenwoordiger heeft benoemd om de verweerder te vertegenwoordigen, terwijl uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vader zijn dochter om de 2 tot 3 weken ziet. Ik constateer dat artikel 47, lid 4, GPK ( 44 ) bepaalt dat indien de aangezochte rechter vaststelt dat de verwerende partij niet op het aangegeven adres woont, hij „de verzoeker [gelast] om inlichtingen” hierover te verstrekken. Het is op zijn minst merkwaardig dat de moeder het kind geregeld aan de vader toevertrouwt, maar niet diens adres kent. Ik wijs erop dat artikel 18, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat het bevoegde gerecht zijn uitspraak aanhoudt zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het gedinginleidende stuk te ontvangen, of dat „daartoe al het nodige is gedaan”. ( 45 )
69.
Ik kan mij moeilijk voorstellen dat een verweerder kan worden geacht te hebben ingestemd met de bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat, wanneer hij niet eens van het bestaan weet van de tegen hem ingestelde procedure. ( 46 ) Ook twijfel ik eraan dat een door de aangezochte rechter benoemde vertegenwoordiger geldig kan instemmen met de bevoegdheid van die rechter, gelet op het feit dat hij in het geheel geen contact heeft met de verweerder en dus niet over informatie beschikt die hem in staat zou kunnen stellen de bevoegdheid van de aangezochte rechter te beoordelen. ( 47 )
b) Juist evenwicht tussen de rechten van verdediging en het recht van de eiser op een doeltreffende voorziening in rechte
70.
Het Hof heeft in het recente arrest A, in antwoord op een verzoek om uitlegging van artikel 24, eerste volzin, van verordening nr. 44/2001, waarin is bepaald dat „[b]uiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, [...] het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd [is]”, verklaard dat de verschijning van een procesvertegenwoordiger die bij afwezigheid van de verweerder door een Oostenrijkse rechter overeenkomstig het nationale recht was aangesteld, niet gold als verschijning van die verweerder in de zin van artikel 24 van die verordening, dat wil zeggen niet leidde tot bevoegdheid van de aangezochte rechter. ( 48 )
71.
Artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 moet mijns inziens op dezelfde wijze worden uitgelegd als artikel 24, eerste volzin, van verordening nr. 44/2001.
72.
In de eerste plaats is de bevoegdheid bedoeld in artikel 24, eerste volzin, van verordening nr. 44/2001 namelijk – evenals die in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 – gebaseerd op een bewuste keuze van de partijen. ( 49 )
73.
In de tweede plaats heef het Hof in het arrest A een afweging gemaakt tussen de rechten van verdediging en het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht van de eiser op een doeltreffende voorziening in rechte. ( 50 ) In die zaak was weliswaar de verblijfplaats van de verweerder niet bekend, zodat de eisers niet konden vaststellen welke rechter bevoegd was en zij hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet konden uitoefenen. Het Hof heeft er echter op gewezen dat indien de verschijning van een procesvertegenwoordiger als geldige verschijning van de verweerder in de zin van artikel 24, eerste volzin, van verordening nr. 44/2001 moest worden beschouwd, de verweerder niet langer als niet‑verschenen kon worden aangemerkt. Hij zou niet alleen niet als niet‑verschenen in de zin van artikel 24 van deze verordening worden beschouwd, maar ook in de zin van artikel 34, punt 2, ervan, volgens hetwelk een beslissing niet wordt erkend indien het stuk dat het geding inleidt niet aan de verweerder is meegedeeld. Bijgevolg zou de verweerder zich niet op grond van artikel 34, punt 2, kunnen verzetten tegen de erkenning van de beslissing. Het Hof is tot de slotsom gekomen dat een dergelijke uitlegging van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 niet kan worden geacht te leiden tot een juist evenwicht tussen het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van verdediging. ( 51 )
74.
In het onderhavige geval gaat het bij de in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 bedoelde bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft om een bevoegdheid die concurreert met de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bedoeld in artikel 8, lid 1, van deze verordening. Wanneer dus de Bulgaarse rechter zich in casu niet bevoegd acht op grond dat de vader zijn bevoegdheid niet heeft aanvaard, zal de moeder zich tot de Italiaanse rechter kunnen wenden; van rechtsweigering zal derhalve geen sprake zijn.
75.
Voorts wil ik benadrukken dat wanneer de Bulgaarse rechter zich op basis van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 bevoegd acht, de vader geen beroepsmogelijkheid heeft.
76.
Artikel 41, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt namelijk dat een in een lidstaat gegeven beslissing, indien met betrekking tot die beslissing in de lidstaat van herkomst een certificaat is afgegeven, in een andere lidstaat wordt erkend en aldaar uitvoerbaar is zonder dat een uitvoerbaarverklaring behoeft te worden verkregen en zonder dat men zich tegen de erkenning ervan kan verzetten. Ingevolge artikel 41, lid 2, onder a), wordt het voornoemde certificaat slechts afgegeven indien het stuk dat het geding inleidt aan de verweerder is medegedeeld. Wanneer evenwel de verweerder wordt geacht de bevoegdheid van de Bulgaarse rechter in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 te hebben aanvaard, betekent dit dat hij niet als niet‑verschenen wordt beschouwd en dat hij dus niet als niet‑verschenen in de zin van artikel 41, lid 2, onder a), van verordening nr. 2201/2003 kan worden aangemerkt. Wordt de Bulgaarse rechter aangemerkt als bevoegd op basis van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003, dan zal hij dus het certificaat afgeven dat de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissing in Italië mogelijk maakt.
77.
In dat geval zal de vader zich niet kunnen verzetten tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Bulgaarse rechter. In de eerste plaats staat ingevolge artikel 43, lid 2, van verordening nr. 2201/2003 geen rechtsmiddel open tegen de afgifte van een certificaat. In de tweede plaats bepaalt artikel 41, lid 1, van deze verordening dat geen verzet mogelijk is tegen een beslissing waarvoor in het land van herkomst een certificaat is afgegeven. ( 52 )
78.
Zou bijgevolg de vader moeten worden geacht de bevoegdheid van de Bulgaarse rechter in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 te hebben aanvaard, dan zou dit mijns inziens een onevenredige inbreuk op de rechten van verdediging zijn.
79.
Hieraan wordt niet afgedaan door het arrest Hypoteční banka, waarin het Hof heeft verklaard dat verordening nr. 44/2001 zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die de mogelijkheid biedt een procedure te voeren tegen een persoon met onbekende verblijfplaats door middel van aanwijzing van een vertegenwoordiger door de aangezochte rechter. ( 53 ) Zoals namelijk het Hof in het arrest A heeft benadrukt, kon in het arrest Hypoteční banka de verweerder zich overeenkomstig artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 verzetten tegen de erkenning van de tegen hem uitgesproken rechterlijke beslissing, terwijl die mogelijkheid in het arrest A ontbrak. De beroepsmogelijkheid op basis van artikel 34, punt 2, „veronderstelt namelijk dat de verweerder niet is verschenen en dat de door de mandataris ad litem of procesvertegenwoordiger bij afwezigheid verrichte proceshandelingen niet gelden als verschijning van die verweerder in de zin van [...] verordening [nr. 44/2001]”. ( 54 ) Is dus de aangezochte rechter op basis van artikel 24 van deze verordening bevoegd, dan wordt de verweerder niet als niet‑verschenen beschouwd.
IV – Conclusie
80.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Varhoven kasatsionen sad gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
De procedure waarmee een van de ouders de rechter verzoekt om vervangende toestemming voor de ontbrekende toestemming van de andere ouder met betrekking tot de reis van het kind naar het buitenland en de afgifte van het daarvoor benodigde paspoort, valt onder het begrip ‚burgerlijke zaken’ betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van de artikelen 1, lid 1, onder b), en 2, punten 7 en 10, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000.
2)
Een verweerder die niet is verschenen, kan niet worden geacht de bevoegdheid van de aangezochte rechter te hebben aanvaard in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 om de enkele reden dat deze rechter, aangezien deze hem het gedinginleidende stuk niet heeft kunnen meedelen, ambtshalve een vertegenwoordiger voor hem heeft benoemd, die inhoudelijk verweer heeft gevoerd zonder exceptie van onbevoegdheid van de rechter op te werpen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 338, blz. 1.
( 3 ) PB 2001, L 12, blz. 1.
( 4 ) De Rayonen sad is een rechterlijke instantie van eerste aanleg.
( 5 ) De Okrazhen sad is een regionale rechtbank.
( 6 ) Beschikking Gogova (C‑215/15, EU:C:2015:466).
( 7 ) Ik wijs er dienaangaande op dat de verwijzing naar burgerlijke zaken voor de definitie van het materiële toepassingsgebied, wat de regels ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, is ingevoerd bij verordening nr. 2201/2003. Het begrip „burgerlijke zaken” kwam namelijk niet voor in verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB L 160, blz. 19), die is ingetrokken bij verordening nr. 2201/2003. Ook kwam dit begrip niet voor in het Verdrag van 28 mei 1998, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (PB C 221, blz. 2; hierna: „Verdrag Brussel II”), vervangen tussen de lidstaten door verordening nr. 1347/2000. Zowel verordening nr. 1347/2000 als het Verdrag Brussel II bepaalt dat zij van toepassing zijn op „burgerlijke rechtsvorderingen” betreffende onder andere de ouderlijke verantwoordelijkheid, en dat met gerechtelijke procedures worden gelijkgesteld de andere in een lidstaat officieel erkende procedures (zie artikel 1, leden 1 en 2, en overweging 9 van verordening nr. 1347/2000, alsmede artikel 1 van het Verdrag Brussel II).
( 8 ) PB 1972, L 299, blz. 32.
( 9 ) Dienaangaande vermeldt het rapport van de heer P. Jenard over het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968 (PB 1979, C 59, blz. 1; hierna: „rapport-Jenard”) dat het comité van deskundigen dat het Verdrag heeft opgesteld „niet nader [heeft] aangegeven wat moet worden verstaan onder ‚burgerlijke en handelszaken’, noch het kwalificatieprobleem heeft opgelost door te bepalen volgens welke wet de inhoud van deze uitdrukking moet worden beoordeeld. Het comité heeft hierin de lijn gevolgd van de bestaande verdragen” (blz. 9).
( 10 ) Artikel 1, tweede alinea, Executieverdrag bepaalt dat dit verdrag niet van toepassing is op (1) de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen; (2) het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures; (3) de sociale zekerheid, en (4) de arbitrage.
( 11 ) C‑435/06, EU:C:2007:714, punt 46.
( 12 ) Zie overweging 5 van verordening nr. 2201/2003.
( 13 ) Zie punt 3 hierboven.
( 14 ) Ik wijs erop dat overweging 10 van verordening nr. 2201/2003 overeenkomt met artikel 4, onder h), van het Haags verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (PB 2008, L 151, blz. 39; hierna: „Haags verdrag van 1996”). Ingevolge artikel 4, onder h), van het Haags verdrag van 1996 is het niet van toepassing op „overheidsmaatregelen van algemene aard op het gebied van onderwijs of gezondheidszorg”. Dienaangaande preciseert het toelichtend rapport van Paul Lagarde bij het Haags verdrag van 1996 (beschikbaar op de website van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht op het volgende adres: ) dat hiermee bijvoorbeeld maatregelen zijn bedoeld „die de schoolplicht of de verplichte inenting opleggen”.
( 15 ) Zie arresten C (C‑435/06, EU:C:2007:714, punt 52) en A (C‑523/07, EU:C:2009:225, punt 28).
( 16 ) Cursivering van mij. Ik wijs erop dat verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PB L 351, blz. 1), waarbij verordening nr. 44/2001 is ingetrokken, in artikel 1, lid 1, tweede volzin, bepaalt dat zij „met name geen betrekking [heeft] op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii)”. Verordening nr. 1215/2012 sluit op dit punt aan bij de rechtspraak, waarop ik hierna terugkom.
( 17 ) Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot‑Brittannië en Noord‑Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (ondertekend te Luxemburg op 9 oktober 1978) (PB 1978, L 304, blz. 1). Zie artikel 3 van dit verdrag.
( 18 ) Dienaangaande preciseert het rapport over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot‑Brittannië en Noord‑Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (ondertekend te Luxemburg op 9 oktober 1978), opgesteld door professor dr. P. Schlosser (PB 1979, C 59, blz. 71), dat „[h]et onderscheid tussen burgerlijke en handelszaken enerzijds, en publiekrechtelijke aangelegenheden anderzijds [...] in het recht van de oorspronkelijke lidstaten welbekend [is] en [...] ondanks belangrijke verschillen grosso modo ook volgens gelijksoortige criteria toegepast [wordt]. [...] Daarom heeft men bij de redactie van de oorspronkelijke tekst van het Executieverdrag en in het rapport‑Jenard afgezien van een nadere concretisering van het begrip ‚burgerlijke en handelszaken’, [...] Het Verenigd Koninkrijk en Ierland kennen namelijk het in de oorspronkelijke EEG‑landen gebruikelijke onderscheid tussen privaat‑ en publiekrecht nauwelijks. De aanpassingsproblemen konden daarom niet worden opgelost via een simpele verwijzing naar kwalificatiebeginselen. Aangezien in de slotfase van de onderhandelingen het arrest [LTU, 29/76, EU:C:1976:137, punt 3,] werd gewezen, waarin het Hof zich uitsprak voor een interpretatie die niet gebonden is aan de aanknoping aan een ‚toepasselijk’ nationaal recht, volstond de Groep ermee in artikel 1, lid 1, duidelijk aan te geven dat zaken op het gebied van belastingen, douane en administratief recht geen burgerlijke of handelszaken in de zin van het Executieverdrag zijn” (punt 23).
( 19 ) Het Hof is niet vaak in de gelegenheid geweest zich te buigen over het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003. In de arresten C (C‑435/06, EU:C:2007:714, punt 51), A (C‑523/07, EU:C:2009:225, punt 27) en C. (C‑92/12 PPU, EU:C:2012:255, punt 60) heeft het Hof verklaard dat het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat het ook maatregelen kan omvatten die naar het recht van een lidstaat onder het publiekrecht vallen. In alle drie de arresten ging het evenwel om een beslissing inzake ondertoezichtstelling van een kind, dat wil zeggen de beslissing van de sociale dienst van een gemeente tot plaatsing van een kind in een pleeggezin (arresten C, C‑435/06, EU:C:2007:714, en A, C‑523/07, EU:C:2009:225) en de beslissing tot plaatsing van een minderjarige voor therapeutische en opvoedkundige doeleinden in een gesloten instelling (arrest C., C‑92/12 PPU, EU:C:2012:255). Artikel 1, lid 2, onder d), van verordening nr. 2201/2003 bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat deze verordening van toepassing is op „de plaatsing van het kind in een pleeggezin of in een inrichting”. Uit deze drie arresten kan dus niet worden afgeleid dat verordening nr. 2201/2003 van toepassing is op alle denkbare soorten administratiefrechtelijke zaken. Daarom lijkt het mij interessant om stil te staan bij de rechtspraak met betrekking tot het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van verordening nr. 44/2001.
( 20 ) Arresten LTU (29/76, EU:C:1976:137, punt 4), Rüffer (814/79, EU:C:1980:291, punten 8 en 14), Rich (C‑190/89, EU:C:1991:319, punt 26), Sonntag (C‑172/91, EU:C:1993:144, punt 20), Henkel (C‑167/00, EU:C:2002:555, punt 26), Baten (C‑271/00, EU:C:2002:656, punten 29 en 30), Préservatrice foncière TIARD (C‑266/01, EU:C:2003:282, punten 21 en 22), Frahuil (C‑265/02, EU:C:2004:77, punt 20), Lechouritou e.a. (C‑292/05, EU:C:2007:102, punten 30 en 31), Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punten 42‑44), Realchemie Nederland (C‑406/09, EU:C:2011:668, punt 39), Sapir e.a. (C‑645/11, EU:C:2013:228, punten 32 en 33), Sunico e.a. (C‑49/12, EU:C:2013:545, punten 33 en 34) en flyLAL‑Lithuanian Airlines (C‑302/13, EU:C:2014:2319, punten 26 en 30).
( 21 ) Arresten Baten (C‑271/00, EU:C:2002:656, punt 31), Préservatrice foncière TIARD (C‑266/01, EU:C:2003:282, punt 23), Frahuil (C‑265/02, EU:C:2004:77, punt 20), Sapir e.a. (C‑645/11, EU:C:2013:228, punt 34) en Sunico e.a. (C‑49/12, EU:C:2013:545, punt 35), en de conclusie van advocaat‑generaal Kokott in de zaak Sunico e.a. (C‑49/12, EU:C:2013:231, punt 41).
( 22 ) C‑167/00, EU:C:2002:555, punt 30.
( 23 ) C‑265/02, EU:C:2004:77, punt 21.
( 24 ) C‑302/13, EU:C:2014:2319, punten 28, 29 en 37.
( 25 ) C‑49/12, EU:C:2013:545, punten 37‑40.
( 26 ) C‑645/11, EU:C:2013:228, punten 35 en 36. Zie ook arresten Sonntag (C‑172/91, EU:C:1993:144, punt 22), Baten (C‑271/00, EU:C:2002:656, punten 31‑37) en Préservatrice foncière TIARD (C‑266/01, EU:C:2003:282, punten 30‑36).
( 27 ) Zie de conclusie van advocaat‑generaal Kokott in de zaak Sunico e.a. (C‑49/12, EU:C:2013:231, punt 46): „Alleen wanneer de vordering haar oorsprong vindt in de uitoefening van overheidsbevoegdheden, betreft het geen burgerlijke en handelszaak. Daarbij is echter niet reeds elk verband met de uitoefening van overheidsbevoegdheden voldoende. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, is veeleer bepalend dat de concrete handeling waarin de vordering haar oorsprong vindt, in de uitoefening van overheidsbevoegdheden is verricht.”
( 28 ) C‑292/05, EU:C:2007:102, punten 37 en 38. Zie ook arrest LTU (29/76, EU:C:1976:137, punt 4).
( 29 ) C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 45.
( 30 ) Zie punt 41 van deze conclusie.
( 31 ) Artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 heeft betrekking op de algemene bevoegdheid ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk.
( 32 ) Gemakshalve zal ik hierna spreken van echtscheiding of echtscheidingsprocedure, waaronder mede is te verstaan een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, dan wel een procedure ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk.
( 33 ) Zie dienaangaande Gallant, E., „Règlement Bruxelles II bis (matières matrimoniales et responsabilité parentale)”, nr. 138, Répertoire Dalloz de droit international; Corneloup, S., „Les règles de compétence relatives à la responsabilité parentale”, nrs. 8 en 11, Le nouveau droit communautaire du divorce et de la responsabilité parentale, Dalloz, 2005, en Joubert, N., „Autorité parentale – Conflits de juridictions”, punt 31, Jurisclasseur Droit international, deel 549‑20.
( 34 ) Arrest Abcur (C‑54/13 en C‑545/13, EU:C:2015:481, punt 33).
( 35 ) Ik wijs erop dat noch verordening nr. 1347/2000, noch het Haags verdrag van 1996 de mogelijkheid kende voor de partijen om zich te wenden tot de rechter van de lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft. Deze mogelijkheid is ingevoerd bij verordening nr. 2201/2003.
( 36 ) C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 45.
( 37 ) Voordat het Hof zich over dit punt in het arrest L (aangehaald in de vorige voetnoot) had uitgesproken, vormde de vraag of de in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 geregelde prorogatie van rechtsmacht van toepassing is zonder dat bij de betrokken rechter een procedure aanhangig is, duidelijk een onderwerp van discussie. Zie dienaangaande Gallant, E., Responsabilité parentale et protection des enfants en droit international privé, Defrénois, 2004, nr. 226. Zie ook Corneloup, S., „Les règles de compétence relatives à la responsabilité parentale”, noot 39, Le nouveau droit communautaire du divorce et de la responsabilité parentale, Dalloz, 2005.
( 38 ) Zie dienaangaande Gallant, E., Responsabilité parentale et protection des enfants en droit international privé, Defrénois, 2004, nr. 227.
( 39 ) Zie de toelichting op het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 en tot wijziging, wat betreft onderhoudsverplichtingen, van verordening nr. 44/2001 [COM(2002) 222 definitief/2].
( 40 ) Des te meer omdat een op de partijwil berustende voorziening zeldzaam is in het internationale familierecht. Zie dienaangaande Pataut, E., „Article 12”, nr. 45, European Commentaries on Private International Law – Brussels II Regulation, Magnus, U., en Mankowski, P. (uitg.), Sellier European Law Publishers, 2012.
( 41 ) Zie ten gunste van een strikte uitlegging arrest E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246), waarin het Hof heeft verklaard dat „[a]angezien genoemd artikel 12, lid 3, personen die ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, in staat wil stellen om in onderlinge overeenstemming en onder bepaalde voorwaarden bij een gerecht vragen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig te maken, waarvoor dat gerecht in beginsel niet bevoegd is, [...] er voorts niet van [kan] worden uitgegaan dat een dergelijke overeenstemming na de beëindiging van de ingestelde procedure zonder meer blijft voortbestaan ten aanzien van andere vragen die nadien kunnen rijzen” (punt 48).
( 42 ) Zie overweging 12 van verordening nr. 2201/2003, waarin wordt verduidelijkt dat „[d]e in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid [...] zodanig [zijn] opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid”. Zie ook artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, waarin de mogelijkheid is opgenomen dat de op grond van deze verordening bevoegde gerechten van een lidstaat zich onbevoegd verklaren ten gunste van een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een „bijzondere band” en heeft wanneer dit in „het belang van het kind” is. Zie tot slot arrest L (C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 49) en de conclusie van advocaat‑generaal Bot in de zaak A (C‑184/14, EU:C:2015:244, voetnoot 13).
( 43 ) Zie arrest E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 47): „Wanneer een procedure overeenkomstig artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 bij een gerecht aanhangig wordt gemaakt, kan het belang van het kind dus slechts worden verzekerd indien per geval wordt nagegaan of de verlangde prorogatie van bevoegdheid dat belang dient.”
( 44 ) Zie punt 12 van deze conclusie.
( 45 ) Zie naar analogie arrest G (C‑292/10, EU:C:2012:142, punten 53‑55).
( 46 ) Zie onder andere arrest Hendrikman en Feyen (C‑78/95, EU:C:1996:380, punt 18): „Een verweerder die niet op de hoogte is van de tegen hem gevoerde procedure en voor wie, voor de rechter van herkomst, een advocaat verschijnt die hij niet heeft gemachtigd, bevindt zich immers in de volstrekte onmogelijkheid om zich te verdedigen”.
( 47 ) Zie arrest A (C‑112/13, EU:C:2014:2195), waarop ik hierna zal terugkomen, waarin het Hof heeft verklaard dat „een afwezige verweerder die niet op de hoogte is van de tegen hem ingestelde vordering of van de aanstelling van een procesvertegenwoordiger bij afwezigheid, die procesvertegenwoordiger niet alle inlichtingen [kan] verstrekken die nodig zijn om de internationale bevoegdheid van de aangezochte rechter te beoordelen en hem in staat te stellen deze bevoegdheid doeltreffend te betwisten of weloverwogen te aanvaarden” (punt 55).
( 48 ) C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 61.
( 49 ) Ibidem, punt 54, waarin het Hof heeft verklaard dat „de stilzwijgende aanwijzing van de bevoegde rechter op basis van artikel 24, eerste volzin, van verordening nr. 44/2001 [...] gebaseerd [is] op een bewuste keuze van de partijen bij het geding inzake die bevoegdheid”. Het is juist dat de bevoegdheid van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 enkel is gebaseerd op de keuze van de partijen, terwijl de bevoegdheid van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 niet enkel berust op de keuze van de partijen, maar ook op de nauwe band van het kind met de lidstaat waarvan de gerechten worden gekozen.
( 50 ) Ibidem (punt 58).
( 51 ) Arrest A (C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 60): „Deze beroepsmogelijkheid op basis van artikel 34, punt 2, van [...] verordening [nr. 44/2001] veronderstelt echter [...] dat de verweerder niet is verschenen en dat de door de mandataris ad litem of procesvertegenwoordiger bij afwezigheid verrichte proceshandelingen niet gelden als verschijning van die verweerder in de zin van die verordening. In casu hebben de proceshandelingen van de procesvertegenwoordiger bij afwezigheid krachtens [het nationale recht] daarentegen tot gevolg dat A naar nationaal recht moet worden geacht voor de aangezochte rechter te zijn verschenen”. Zie ook de conclusie van advocaat‑generaal Bot in de zaak A (C‑112/13, EU:C:2014:207, punt 50): „de verweerder, namelijk A, [zal] de bevoegdheid van de Oostenrijkse rechter niet meer [...] kunnen betwisten indien men van mening is dat de procesvertegenwoordiger bij afwezigheid verschijnt als bedoeld in artikel 24 van verordening nr. 44/2001”.
( 52 ) Zie arrest Aguirre Zarraga (C‑491/10 PPU, EU:C:2010:828, punt 56).
( 53 ) C‑327/10, EU:C:2011:745, punten 48‑55.
( 54 ) C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 60.
Full & Egal Universal Law Academy