STANDPUNTBEPALING VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. WATHELET
van 29 oktober 2015 1 ( 1 )
Zaak C‑455/15 PPU
P
tegen
Q
[verzoek van de Varbergs tingsrätt (gerecht van eerste aanleg te Varberg, Zweden) om een prejudiciële beslissing]
„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen — Grond tot weigering van de erkenning van een beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid — Artikel 23, onder a) — Beslissing die kennelijk in strijd is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat — Artikel 24 — Geen toetsing van de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst”
I – Inleiding
1.
Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing van 25 augustus 2015, dat op 28 augustus 2015 is ingekomen bij het Hof, wordt laatstgenoemde verzocht zich uit te spreken over de strekking van de artikelen 23, onder a), en 24 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 ( 2 ).
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen P en Q betreffende het gezagsrecht over een van hun twee dochters.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
3.
Artikel 2 van verordening nr. 2201/2003, „Definities”, bepaalt:
„In deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
9)
‚gezagsrecht’: de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen;
[...]”
4.
In artikel 8 („Algemene bevoegdheid”) van verordening nr. 2201/2003 is bepaald:
„1. Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
2. Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.”
5.
Artikel 15 van deze verordening, met het opschrift „Verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen”, luidt als volgt:
„1. De gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, kunnen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind:
a)
de behandeling van de zaak of het betrokken onderdeel daarvan aanhouden en de partijen uitnodigen om overeenkomstig lid 4 een daartoe strekkend verzoek te richten aan het gerecht van die andere lidstaat; of
b)
het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen.
2. Lid 1 is van toepassing:
a)
op verzoek van een van de partijen, of
b)
op initiatief van het gerecht, of
c)
op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, overeenkomstig lid 3.
Verwijzing op initiatief van het gerecht of op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat kan echter slechts plaatsvinden indien zulks door ten minste een van de partijen wordt aanvaard.
3. Het kind wordt geacht in de zin van lid 1 een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien:
a)
het kind na de aanhangigmaking van een zaak bij het in lid 1 bedoelde gerecht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen; of
b)
het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had; of
c)
het kind onderdaan van die lidstaat is; of
d)
een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft; of
e)
het geschil betrekking heeft op maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer, de instandhouding van of de beschikking over bestanddelen van het vermogen van het kind die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.
4. Het gerecht van de lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen stelt een termijn vast waarbinnen de zaak overeenkomstig lid 1 bij de gerechten van de andere lidstaat aanhangig moet worden gemaakt.
Wordt de zaak niet binnen deze termijn aanhangig gemaakt, dan blijft het gerecht waarbij de zaak aanvankelijk aanhangig is gemaakt de bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.
5. De gerechten van de andere lidstaat kunnen, wanneer dit, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, in het belang van het kind is, binnen zes weken nadat de zaak op grond van lid 1, onder a) of b), bij hen aanhangig is gemaakt, de bevoegdheid aanvaarden. Het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, ziet in dit geval af van het uitoefenen van zijn bevoegdheid. In het andere geval blijft het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, zijn bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.
6. Voor de toepassing van dit artikel zijn de gerechten gehouden hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de overeenkomstig artikel 53 aangewezen centrale autoriteiten, samen te werken.”
6.
Artikel 20 van voornoemde verordening, „Voorlopige en bewarende maatregelen”, bepaalt:
„1. In spoedeisende gevallen vormt deze verordening voor de gerechten van een lidstaat geen beletsel om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet, zelfs indien krachtens deze verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen.
2. De ter uitvoering van lid 1 genomen maatregelen houden op van toepassing te zijn, wanneer het gerecht van de lidstaat dat krachtens deze verordening bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die [het] passend acht.”
7.
Artikel 21 van verordening nr. 2201/2003 („Erkenning van een beslissing”) bepaalt in lid 1:
„De in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is.”
8.
Artikel 23 van verordening nr. 2201/2003, met het opschrift „Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid”, luidt:
„Een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt niet erkend:
a)
indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;
[...]”
9.
In artikel 24 van deze verordening, „Geen toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht”, is bepaald:
„De bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst. Het criterium van de openbare orde, bedoeld in [...] artikel 23, onder a), wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14.”
10.
Artikel 26 van voornoemde verordening („Geen onderzoek van de juistheid”) luidt:
„In geen geval wordt de juistheid van de beslissing onderzocht.”
11.
Artikel 27 van dezelfde verordening, met het opschrift „Aanhouding van de uitspraak”, luidt:
„1. Het gerecht waarbij een verzoek om een beslissing houdende erkenning van een in een andere lidstaat gegeven beslissing aanhangig is gemaakt, kan zijn uitspraak aanhouden indien tegen deze beslissing een gewoon rechtsmiddel is ingesteld.
[...]”
B – Haags verdrag van 1980
12.
Artikel 13 van het op 25 oktober 1980 te ’s‑Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: „Haags verdrag van 1980”), luidt:
„Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling [die] of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:
a)
de persoon, de instelling [die] of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust, of dat
b)
er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.
De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardig[en] dat met zijn mening rekening wordt gehouden.
Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13.
P en Q zijn de ouders van twee kinderen, van wie de oudste, V, is geboren in 2000 en de jongste, S, in 2009.
14.
Zij traden in 1997 in het huwelijk, maar op 6 februari 2006 heeft de Šilutės rajono apylinkės teismas (districtsgerecht te Šilutė, Litouwen; hierna: „districtsgerecht te Šilutė”) de huwelijksovereenkomst tussen P en Q ontbonden ( 3 ) en bepaald dat kind V bij de moeder moest wonen, terwijl beide ouders het gezagsrecht over het kind behielden.
15.
Het gezin was in 2005 echter reeds verhuisd van Litouwen naar Zweden, waar de ouders en kind V in 2006 in het bevolkingsregister werden ingeschreven. In Zweden is in 2009 kind S geboren. Beide kinderen spreken Zweeds en gingen naar school in Falkenberg in Zweden, waar het merendeel van hun vrienden en kennissen woonden.
16.
Op 27 november 2013 bemerkte P dat Q en de twee kinderen waren verdwenen. Q verklaarde tegenover de sociale dienst van de gemeente Falkenberg, waarmee zij contact had opgenomen, dat zijzelf en de kinderen slachtoffer waren van door P gepleegde strafbare feiten. Nadat van de handelingen in kwestie aangifte was gedaan bij de politie, werden Q en de kinderen in een opvangtehuis ondergebracht. Enkele maanden later werd het vooronderzoek tegen P afgesloten. Hem werd evenwel een contactverbod ten aanzien van de kinderen opgelegd.
17.
Op 29 maart 2014 heeft Q haar beide kinderen meegenomen naar Litouwen. P en Q oefenden toen gezamenlijk het gezagsrecht uit over de twee kinderen ( 4 ), die op 31 maart 2014 in het bevolkingsregister van de gemeente Šilutė (Litouwen) werden ingeschreven.
18.
Op 8 april 2014 leidde Q bij het districtsgerecht te Šilutė een procedure in tegen P en verzocht zij dit gerecht een voorlopige beslissing over de woonplaats van en het exclusieve gezagsrecht over kind S ( 5 ) te nemen, alsook een beslissing waarbij haar alimentatie voor beide kinderen zou worden toegekend.
19.
Op 11 april 2014 leidde P bij de verwijzende rechter, de Varbergs tingsrätt (gerecht van eerste aanleg te Varberg), een procedure in tegen Q die ertoe strekte dat hem voorlopig het exclusieve gezagsrecht over beide kinderen zou worden toegekend.
20.
Diezelfde dag heeft het districtsgerecht te Šilutė bij voorlopige beslissing bepaald dat kind S bij haar moeder moest wonen.
21.
In juni 2014 diende P bij het Utrikesdepartement (ministerie van Buitenlandse Zaken) van Zweden een verzoek in de zin van het Haags verdrag van 1980 tot terugkeer van de kinderen in.
22.
Op 30 juli 2014 leidde P een procedure in bij het districtsgerecht te Šilutė die met name ertoe strekte hem het exclusieve gezagsrecht over kind V toe te kennen. ( 6 ) Deze procedure is gevoegd met de door Q op 8 april 2014 aanhangig gemaakte zaak.
23.
Op 2 september 2014 verzocht Q in een memorie van antwoord op het verzoekschrift van P om afwijzing van diens vordering. Uit deze memorie bleek dat kind V wegens een posttraumatische stressstoornis in een gezondheidsinstelling in Klaipėda (Litouwen) was behandeld en volgens medische rapporten negatief reageerde op elk contact met haar vader, P.
24.
Op 29 september 2014 verzocht P hetzelfde gerecht de vordering van Q inzake het exclusieve gezagsrecht over kind S niet in behandeling te nemen, op grond dat dit gerecht volgens hem niet bevoegd was.
25.
Op 1 augustus 2014 diende P bij de Vilniaus apygardos teismas (regionaal gerecht te Vilnius, Litouwen; hierna: „regionaal gerecht te Vilnius”) een verzoek in strekkende tot met name terugkeer van kind S naar het land van haar gewone verblijfplaats, Zweden. Op 18 augustus 2014 diende Q bij hetzelfde gerecht een memorie van antwoord op dit verzoek in waarin zij betwistte dat kind S onwettig naar Litouwen was overgebracht, wees op het ontoelaatbare gedrag van de vader jegens zijn minderjarige kinderen en verzocht om afwijzing van het verzoek van P.
26.
Op 4 september 2014 heeft het regionaal gerecht te Vilnius het door P ingediende verzoek tot terugkeer van kinderen afgewezen en op 21 oktober 2014 heeft de Lietuvos apeliacinis teismas (appelrechter van Litouwen; hierna: „appelrechter van Litouwen”) deze beslissing, die was gebaseerd op artikel 13 van het Haags verdrag van 1980, bevestigd.
27.
Na deze laatste beslissing zijn aan de verwijzende rechter overeenkomstig artikel 11, lid 6, van verordening nr. 2201/2003 via de Zweedse centrale autoriteit, het ministerie van Buitenlandse Zaken ( 7 ), stukken toegezonden.
28.
Op 18 oktober 2014 heeft de verwijzende rechter, na mondelinge behandeling in afwezigheid van Q, voorlopig beslist dat P het exclusieve gezagsrecht over kind S zou hebben.
29.
Op 18 februari 2015 heeft het districtsgerecht te Šilutė beslist dat kind S bij Q moest wonen en dat P alimentatie voor beide kinderen moest betalen (hierna: „litigieuze beslissing”). Uit deze beslissing blijkt dat P zijn vordering van 30 juli 2014 inzake het exclusieve gezagsrecht over kind V had ingetrokken.
30.
De verwijzende rechter acht zich bevoegd op grond van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, aangezien de twee kinderen op het tijdstip waarop de procedure bij het districtsgerecht te Šilutė, op 8 april 2014, en de procedure bij hemzelf, op 11 april 2014, werden ingeleid, hun gewone verblijfplaats in de zin van deze bepaling in Zweden hadden.
31.
Voor de verwijzende rechter betoogt P dat, wil de procedure bij deze rechter aanhangig blijven, de litigieuze beslissing niet zou moeten worden erkend. Deze weigering tot erkenning dient volgens hem te worden gebaseerd op artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003. P erkent dat het volgens artikel 24 van deze verordening normalerwijze verboden is de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst te toetsen. Volgens hem ziet deze bepaling echter niet op artikel 15 van dezelfde verordening, waarop het districtsgerecht te Šilutė zijn bevoegdheid heeft gebaseerd. Dit gerecht heeft naar zijn mening laatstgenoemde bepaling evenwel geschonden door zelfstandig te beslissen dat het bevoegd was voor de behandeling van de zaak.
32.
Ook stelt P dat het districtsgerecht te Šilutė voorts uit het feit dat een Litouws gerecht had geweigerd de terugkeer van het kind te gelasten op grond van artikel 13 van het Haags verdrag van 1980, heeft afgeleid dat dit kind haar gewone verblijfplaats voortaan in Litouwen had. Dat is in tegenspraak met hetgeen het Hof in punt 44 van zijn arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400) heeft vastgesteld, te weten dat „de ongeoorloofde overbrenging van een kind in beginsel niet tot gevolg zou moeten hebben dat de bevoegdheid van het gerecht in de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór zijn overbrenging zijn gewone verblijfplaats had aan die van de lidstaat waar het kind naartoe is gebracht wordt overgedragen, zelfs wanneer het kind na zijn ontvoering daar een gewone verblijfplaats heeft verkregen”.
33.
P erkent dat de openbare-ordeclausule strikt moet worden uitgelegd, maar betoogt dat er een zekere beoordelingsmarge blijft bestaan voor het geval het buitenlandse gerecht een ernstige fout heeft gemaakt. Volgens hem heeft het districtsgerecht te Šilutė een dergelijke fout gemaakt toen het, opzettelijk dan wel uit onwetendheid, niet alleen artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 heeft geschonden, maar tevens het fundamentele beginsel dat ter zake van kinderontvoering de gerechten van het land van de oorspronkelijke woonplaats van het kind het laatste woord hebben.
34.
Voor de verwijzende rechter voert Q aan dat artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 toetsing van de bevoegdheid van het gerecht van een lidstaat verbiedt. De enige mogelijke grond om erkenning van de litigieuze beslissing te weigeren, is strijdigheid van deze beslissing met de openbare orde. Volgens Q is daarvan geen sprake, aangezien uit het onderzoek duidelijk blijkt dat P zijn verplichtingen als vader niet naar behoren nakomt, zodat kind S bij haar moeder dient te blijven. Dit is in vier verschillende procedures vastgesteld. Voorts gaan de kinderen in Litouwen naar school en loopt hun gezondheid of hun ontwikkeling geen gevaar. Het regionaal gerecht te Vilnius en de appelrechter van Litouwen hebben geoordeeld dat beide kinderen door hun moeder legaal naar Litouwen waren meegenomen. De verwijzende rechter heeft volgens Q geen enkele reden om de beoordeling van de Litouwse autoriteiten [waaronder de Šilutės rajono savivaldybės administracijos vaiko teisių apsaugos skyrius (dienst kinderbescherming van het lokale bestuur van het district Šilutė)] en gerechten in twijfel te trekken.
35.
Q merkt tevens op dat P tot de datum van de litigieuze beslissing actief heeft deelgenomen aan de procedures voor de Litouwse gerechten en over alle mogelijke voorzieningen in rechte beschikte om tegen de genomen beslissingen op te komen. Bovendien heeft hij eigener beweging zijn verzoek om vast te stellen dat de woonplaats van kind V bij hem was, ingetrokken en aldus aanvaard dat dit kind bij haar moeder in Litouwen zou blijven. Door het gezagsrecht over kind S te vorderen, schendt P bijgevolg de rechten en de legitieme belangen van de twee kinderen.
36.
Daarop heeft de Varbergs tingsrätt (gerecht van eerste aanleg te Varberg) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
IV – Spoedprocedure en procedure voor het Hof
37.
De verwijzende rechter heeft verzocht de prejudiciële verwijzing volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te behandelen. Ter motivering van dit verzoek heeft hij, onder verwijzing naar het arrest Detiček (C‑403/09 PPU, EU:C:2009:810), aangevoerd dat P sinds 29 maart 2014, toen het betrokken kind werd „ontvoerd” zoals de verwijzende rechter het omschrijft, het kind niet meer heeft kunnen ontmoeten. Zou de procedure nog langer duren, dan zou dit in strijd zijn met het belang van het kind en de band van het kind met haar vader schaden. Om een einde te maken aan de heersende rechtsonzekerheid is het noodzakelijk dat het Hof snel optreedt, zodat het geding definitief kan worden beslecht.
38.
De Vierde kamer van het Hof heeft, na mij te hebben gehoord, op 9 september 2015 besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de prejudiciële verwijzing volgens de spoedprocedure te behandelen, in te willigen. Verder heeft deze kamer overeenkomstig artikel 109, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering besloten de Republiek Litouwen te verzoeken schriftelijk alle nuttige inlichtingen aangaande de onderhavige zaak te verstrekken. Ook heeft de Vierde kamer van het Hof partijen in het hoofdgeding, het Koninkrijk Zweden en de Republiek Litouwen verzocht bij voorkeur schriftelijk, en anders ter terechtzitting, enkele vragen te beantwoorden.
39.
P, het Koninkrijk Zweden, de Republiek Litouwen en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. ( 8 ) P, Q, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Litouwen en de Commissie hebben ter terechtzitting van 27 oktober 2015 pleidooi gehouden.
V – Prejudiciële vraag
A – Opmerkingen van partijen
40.
P voert aan dat de bijzonderheid van het hoofdgeding erin is gelegen dat de litigieuze beslissing inzake het gezagsrecht over kind S is gegeven na een beslissing houdende niet-terugkeer maar voordat het gerecht van de oorspronkelijke lidstaat heeft kunnen uitmaken of het kind al dan niet moest terugkeren.
41.
Hij meent dat het feit dat het districtsgerecht te Šilutė de beginselen waarop het op illegale overbrengingen toepasselijke stelsel berust, heeft geschonden en het feit dat dit gerecht zich bevoegd heeft verklaard terwijl de vraag of het kind al dan niet diende terug te keren bij een gerecht van de oorspronkelijke lidstaat aanhangig was, weigering tot erkenning van de litigieuze beslissing rechtvaardigen. P haalt opnieuw het punt in het arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 44) aan dat hij voor de verwijzende rechter had aangevoerd. ( 9 )
42.
P meent dat het districtsgerecht te Šilutė in de litigieuze beslissing niet duidelijk aangeeft waarop het zijn bevoegdheid baseert. Volgens P heeft dit gerecht zich bevoegd verklaard op grond van een algemene redenering aangaande het belang van het kind of, subsidiair, van een volstrekt onjuiste uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003. Hij merkt op dat „[w]aar artikel 24 bepaalt dat het criterium van de openbare orde niet op de bevoegdheidsregels wordt toegepast, verwezen wordt naar de artikelen 3 tot en met 14. Het bezwaar waarom het hier gaat, betreft welbeschouwd niet het oordeel waartoe het Litouwse gerecht is gekomen ten aanzien van de vraag hoe een van deze artikelen moet worden toegepast, maar het feit dat het zich zelfstandig en in strijd met de verplichting om instemming [van de verwijzende rechter] te verkrijgen bevoegd heeft verklaard op grond van artikel 15 of, subsidiair, dat het volledig aan de regels van verordening nr. 2201/2003 is voorbijgegaan”.
43.
Volgens P is het beginsel dat het aan het gerecht van de oorspronkelijke woonplaats van het kind staat om uiteindelijk over kwesties inzake het gezagsrecht over het kind en de eventuele terugkeer ervan te beslissen, een hoeksteen van de regeling inzake illegale overbrenging van kinderen waarin verordening nr. 2201/2003 voorziet. Zou het niet mogelijk zijn in een situatie als deze erkenning van de litigieuze beslissing te weigeren, dan zouden de beginselen waarop die regeling berust heel eenvoudig terzijde kunnen worden geschoven.
44.
De Republiek Litouwen betoogt dat de litigieuze beslissing op grond van artikel 21 van verordening nr. 2201/2003 in Zweden moet worden erkend. Artikel 23 van deze verordening bevat een uitputtende lijst van de gronden voor weigering om een rechterlijke beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid te erkennen. Een van deze gronden is volgens de Republiek Litouwen de kennelijke strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte staat, die volgens dit artikel 23 moet worden uitgelegd in het licht van het belang van het kind. Ingevolge artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 kan evenwel niet met een beroep op de openbare-ordeclausule de bevoegdheid van de gerechten in de lidstaat van herkomst, in casu de Litouwse gerechten, worden getoetst. Bovendien bepaalt artikel 26 van dezelfde verordening in het bijzonder dat in geen geval de juistheid van een beslissing wordt onderzocht.
45.
Desalniettemin betoogt de Republiek Litouwen dat het districtsgerecht te Šilutė in de litigieuze beslissing rekening heeft gehouden met, ten eerste, de beslissing houdende niet-terugkeer van het regionaal gerecht te Vilnius en de beschikking van de appelrechter van Litouwen en, ten tweede, artikel 15, lid 3, van verordening nr. 2201/2003, „dat onder andere bepaalt dat het kind wordt geacht een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien [...] het onderdaan van die lidstaat is (beide kinderen zijn Litouws onderdaan)”.
46.
Wat de beslissing houdende niet-terugkeer betreft, wijst de Republiek Litouwen erop dat het regionaal gerecht te Vilnius en de appelrechter van Litouwen hebben vastgesteld dat van illegale overbrenging van kind S geen sprake was.
47.
Bijgevolg meent de Republiek Litouwen dat, gelet op de rechtsgeldigheid van de overbrenging van het kind, op de omstandigheid dat sinds die overbrenging bijna een jaar is verstreken en op elementen die erop duiden dat de kinderen zijn geïntegreerd, zoals het feit dat zij naar school gaan, „[het districtsgerecht te Šilutė] zich terecht en op goede gronden op deze omstandigheden heeft gebaseerd om zich bevoegd te achten en zich als het voor de behandeling van de zaak [meest] geschikte gerecht te beschouwen”.
48.
De Republiek Litouwen merkt tevens op dat het districtsgerecht te Šilutė artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 slechts in aanmerking heeft genomen voor zover daarin een van de criteria is vervat aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welk gerecht het best in staat is een zaak te behandelen, en zichzelf pas bevoegd heeft verklaard na te hebben vastgesteld dat het kind legaal uit Zweden was vertrokken en na zichzelf te hebben aangemerkt als het gerecht van de gewone verblijfplaats van het kind, zodat hem de bevoegdheid in de zin van artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 toekwam.
49.
Ter terechtzitting van 27 oktober 2015 heeft het Koninkrijk Spanje opgemerkt dat hoewel schending van een bevoegdheidsregel op zich krachtens de artikelen 23, onder a), en 24 van verordening nr. 2201/2003 niet volstaat om de erkenning van een beslissing te weigeren, een dergelijke weigering wel mogelijk is wanneer die schending evident is en de weigering tot erkenning in het belang is van het kind.
50.
De Commissie meent dat het begrip „openbare orde” strikt moet worden uitgelegd, aangezien het de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van de verordening, het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen, belemmert en er dus alleen in uitzonderlijke gevallen een beroep op kan worden gedaan. ( 10 ) Voorts kan artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 volgens de Commissie niet worden ingeroepen om de erkenning van een rechterlijke beslissing te weigeren op de enkele grond dat de beslissing kennelijk strijdig is met de openbare orde, aangezien volgens diezelfde bepaling rekening moet worden gehouden met het belang van het kind.
51.
Verder voert de Commissie aan dat het criterium van de openbare orde als bedoeld in artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 volgens artikel 24 van deze verordening niet op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14 daarvan kan worden toegepast. Zij is dan ook van mening dat deze verordening elke toetsing van de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst verbiedt. De reden dat artikel 15 van voornoemde verordening in artikel 24 daarvan niet wordt genoemd, is volgens de Commissie dat dit overbodig is, aangezien het algemene uitgangspunt is dat de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat waar de ten uitvoer te leggen beslissing is gegeven, niet wordt getoetst.
52.
De Commissie is van mening dat de aangezochte lidstaat weliswaar niet het recht heeft de bevoegdheid van de lidstaat van herkomst te toetsen, doch wel een algemene toetsing in het licht van de openbare orde mag verrichten.
53.
Volgens de Commissie heeft het districtsgerecht te Šilutė geoordeeld dat de kinderen na de beslissing houdende niet-terugkeer hun gewone verblijfplaats in Litouwen hadden verkregen. Zij acht dit standpunt aanvechtbaar, aangezien het feit dat een lidstaat weigert kinderen te doen terugkeren, volgens het arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 44) niet tot gevolg heeft dat de bevoegdheid aan de gerechten van die lidstaat wordt overgedragen.
54.
Voorts meent de Commissie dat, gesteld al dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Litouwen hadden, het districtsgerecht te Šilutė zijn bevoegdheid hoe dan ook op artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 heeft gebaseerd. Dat valt in haar ogen moeilijk te begrijpen. Was het Litouwse gerecht werkelijk van oordeel geweest dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Litouwen hadden, dan had het zich volgens haar op grond van artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd moeten achten. Bovendien heeft dit gerecht artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 toegepast zonder zich aan de daarin bepaalde voorwaarden en procedure te houden.
55.
Een van de fundamentele beginselen in de Europese rechtsruimte en dus ook in Zweden en Litouwen is volgens de Commissie wederzijds vertrouwen, dat berust op loyale samenwerking tussen de gerechten. De Commissie meent dat kennelijke niet-naleving en misbruik van de regels die gelden in de Europese rechtsruimte, schending kunnen opleveren van een rechtsregel die in de rechtsorde van de Unie en dus ook in die van Zweden van essentieel belang wordt geacht.
56.
Voorts stelt de Commissie dat ook rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat P de mogelijkheid had om tegen de litigieuze beslissing op te komen in de lidstaat van herkomst en van deze mogelijkheid gebruik had moeten maken. Dat is in haar ogen in lijn met het algemene beginsel van verordening nr. 2201/2003 dat een verkeerde toepassing van de regels moet worden aangevochten bij de gerechten van de lidstaat van herkomst. Tot slot brengt de Commissie in herinnering dat moet worden nagegaan of het al dan niet in het belang van het kind is om met een beroep op de openbare-ordeclausule de erkenning van een beslissing te weigeren.
57.
Volgens de Commissie staat het aan de verwijzende rechter om te bepalen of de schending van het Unierecht in casu een fout is die via de in de lidstaat van herkomst beschikbare rechtsmiddelen (en de rechtsmiddelen waarin verordening nr. 2201/2003 voorziet) redelijkerwijs had kunnen worden hersteld, dan wel of sprake is van kennelijke schending en misbruik van de regels van deze verordening en dus van schending van de Unierechtelijke beginselen van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking.
B – Opmerkingen vooraf
58.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of hij ondanks het in artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 neergelegde verbod om de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst te toetsen, op grond van artikel 23, onder a), van deze verordening kan weigeren de litigieuze beslissing waarbij is bepaald dat kind S bij haar moeder blijft, te erkennen. ( 11 )
59.
Allereerst zou ik willen benadrukken dat de verwijzing in de prejudiciële vraag naar artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 erop lijkt te duiden dat de verwijzende rechter enkel twijfelt over de mogelijkheid om erkenning van de litigieuze beslissing te weigeren op grond dat het districtsgerecht te Šilutė de bevoegdheidsregels heeft geschonden.
60.
Voorts ziet de prejudiciële vraag weliswaar op artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003, dat voorziet in een grond tot weigering van erkenning van een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wanneer de erkenning kennelijk in strijd zou zijn met de openbare orde, doch heeft de verwijzende rechter in het geheel niet aangegeven in welke zin de litigieuze beslissing op onaanvaardbare wijze zou botsen met de openbare orde van de aangezochte lidstaat of de Europese Unie.
61.
Alleen de argumenten van P voor deze rechter, die in het verzoek om een prejudiciële beslissing zijn overgenomen ( 12 ), verschaffen immers een aanwijzing over de gestelde schending van de openbare orde. Dienaangaande heeft P voor de verwijzende rechter betoogd dat erkenning van de litigieuze beslissing kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde omdat het districtsgerecht te Šilutė een ernstige fout had begaan toen het, opzettelijk dan wel uit onwetendheid, had gehandeld in strijd met, ten eerste, artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 en, ten tweede, de terugkeerprocedure waarin deze verordening voorziet, meer bepaald het fundamentele beginsel van artikel 11, lid 8, van de verordening dat ter zake van kinderontvoering de gerechten van het land van de oorspronkelijke woonplaats van het kind het laatste woord hebben. ( 13 )
62.
In deze standpuntbepaling zal ik deze twee vraagstukken na elkaar behandelen.
C – Vermeende schending van de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 en exceptie van openbare orde van artikel 23, onder a), van deze verordening
63.
P stelt dat de litigieuze beslissing niet duidelijk aangeeft waarop het districtsgerecht te Šilutė zich baseert om zich bevoegd te verklaren. Ook is hij van mening dat de litigieuze beslissing als een voorlopige beslissing in de zin van artikel 20 van verordening nr. 2201/2003 zou kunnen worden beschouwd en derhalve overeenkomstig het arrest Purrucker (C‑256/09, EU:C:2010:437) geen gevolgen buiten het Litouwse grondgebied heeft.
64.
Het Hof heeft in de punten 76 tot en met 78 van het arrest Purrucker (C‑256/09, EU:C:2010:437) geoordeeld dat iedere beslissing waaruit niet blijkt dat zij is gegeven volgens de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003, onder artikel 20 van deze verordening valt wanneer zij voldoet aan de voorwaarden van deze bepaling. Dienaangaande heeft het Hof in punt 83 van dit arrest voor recht verklaard dat het stelsel van erkenning en tenuitvoerlegging van verordening nr. 2201/2003 niet van toepassing is op onder artikel 20 van die verordening vallende maatregelen.
65.
Mijns inziens is deze rechtspraak niet van toepassing op de omstandigheden in het hoofdgeding.
66.
Anders dan P stelt ( 14 ), blijkt immers uit de litigieuze beslissing dat het districtsgerecht te Šilutė zijn bevoegdheid op de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 heeft gebaseerd. In dit verband vermeldt de litigieuze beslissing niet alleen artikel 15 ( 15 ) van deze verordening, maar ook ( 16 ) de artikelen 8 en 9 daarvan. ( 17 )
67.
Hieruit volgt dat de litigieuze beslissing, gegeven het feit dat zij voldoende elementen bevat waaruit blijkt dat het districtsgerecht te Šilutė zich op grond van de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 bevoegd heeft geacht, geen voorlopige beslissing in de zin van artikel 20 van die verordening is en door de verwijzende rechter moet worden erkend ( 18 ) overeenkomstig het in artikel 21, lid 1, van dezelfde verordening neergelegde beginsel van wederzijdse erkenning ( 19 ) van rechterlijke beslissingen, tenzij een van de in artikel 23 van die verordening genoemde gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid van toepassing is. ( 20 )
68.
Gelet op de zo-even door mij in herinnering gebrachte doelstellingen van verordening nr. 2201/2003 en de bewoordingen van artikel 23, onder a), van die verordening, volgens welke een beslissing niet wordt erkend indien de erkenning „gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat”, ben ik van oordeel dat de openbare-ordeclausule van artikel 23, onder a), van voornoemde verordening slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden gehanteerd. ( 21 ) Aangezien deze grond impliceert dat wordt afgeweken van het op wederzijds vertrouwen gebaseerde beginsel van de erkenning van rechterlijke beslissingen, waardoor de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van verordening nr. 2201/2003 kan worden belemmerd ( 22 ), moet hij immers strikt worden uitgelegd. ( 23 )
69.
Ik zou hieraan willen toevoegen dat, los van de zeer beperkte draagwijdte van de exceptie van artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003, de eerste zin van artikel 24 van deze verordening bevestigt dat de gerechten van de andere lidstaten de beoordeling op grond waarvan het eerst aangezochte gerecht zich bevoegd heeft geacht, niet mogen toetsen. Dit fundamentele beginsel ( 24 ) wordt kracht bijgezet door de verduidelijking in de tweede zin van diezelfde bepaling dat „[h]et criterium van de openbare orde, bedoeld in [...] artikel 23, onder a), [...] niet [wordt] toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14”.
70.
Het feit dat artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 niet verwijst naar artikel 15 van deze verordening mag geen beperking tot gevolg hebben van de draagwijdte van het in dat artikel 24 geformuleerde fundamentele beginsel dat niet met een beroep op de openbare orde van de aangezochte staat de erkenning of tenuitvoerlegging kan worden onthouden aan een in een andere lidstaat gegeven beslissing, op de enkele grond dat de rechter van de oorspronkelijke lidstaat de bevoegdheidsregels niet in acht zou hebben genomen. ( 25 )
71.
In dit verband zou ik willen benadrukken dat dit op wederzijds vertrouwen gebaseerde fundamentele beginsel, dat het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen binnen de Unie verzekert, niet naargelang van de ernst van de vermeende niet-naleving van de bevoegdheidsregels kan worden aangetast.
72.
Hieruit volgt dat, zelfs indien zou blijken dat het districtsgerecht te Šilutė de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 of artikel 15 van deze verordening niet in acht heeft genomen, zoals P en de Commissie stellen ( 26 ) (quod non, naar mijn mening), dit niet de weigering tot erkenning van de litigieuze beslissing door de verwijzende rechter met zich mee zou kunnen brengen of mogelijk zou kunnen maken.
73.
Bovendien bepaalt artikel 26 van verordening nr. 2201/2003 dat in geen geval de juistheid van een beslissing wordt onderzocht. ( 27 ) Bijgevolg mag de rechter van de aangezochte staat niet weigeren een beslissing uit een andere lidstaat te erkennen op de enkele grond dat zijns inziens het nationale recht of het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast, aangezien anders het doel van verordening nr. 2201/2003 zou worden doorkruist. ( 28 )
74.
In dergelijke gevallen dient hij integendeel ervan uit te gaan dat het in elke lidstaat bestaande stelsel van rechtsmiddelen, aangevuld door de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, de justitiabelen voldoende garanties biedt. ( 29 )
75.
Ter terechtzitting van 27 oktober 2015 heeft de Republiek Litouwen bevestigd dat tegen de litigieuze beslissing kon worden opgekomen en eventueel beroep in cassatie kon worden ingesteld. P zelf heeft tijdens diezelfde terechtzitting verklaard dat hij niet was opgekomen tegen de litigieuze beslissing bij de Litouwse gerechten. P heeft dus de hem door het Litouwse recht geboden rechtsmiddelen niet aangewend, ondanks zijn actieve deelname aan verschillende procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor en de terugkeer van zijn kinderen voor de Litouwse rechters. ( 30 ) Hij heeft dus niet de mogelijkheid benut om de bevoegdheid van het districtsgerecht te Šilutė voor het geven van de litigieuze beslissing aan te vechten.
76.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat krachtens de artikelen 23, onder a), en 24 van verordening nr. 2201/2003 niet met een beroep op de openbare orde van de aangezochte staat erkenning of tenuitvoerlegging kan worden onthouden aan een in een andere lidstaat gegeven beslissing, op de enkele grond dat het gerecht van de lidstaat van herkomst de bevoegdheidsregels van voornoemde verordening niet in acht zou hebben genomen.
77.
Ik voeg hieraan toe dat zo op grond van artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 al een beroep op de openbare orde van de aangezochte lidstaat zou kunnen worden gedaan, buiten het niet-steekhoudende, op vermeende schending van de bevoegdheidsregels van deze verordening gebaseerde argument dat ik zojuist heb afgewezen, niets is aangevoerd om aan te tonen op welke wijze deze openbare orde zou zijn geschonden.
D – Artikel 11 van verordening nr. 2201/2003 en terugkeerprocedure
78.
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en de formulering van de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter blijkt dat het voorwerp van het bij hem aanhangige geding ( 31 ) uitsluitend betrekking heeft op het gezagsrecht over een kind in de zin van artikel 2, punt 9, van verordening nr. 2201/2003.
79.
P ( 32 ), het Koninkrijk Zweden en de Republiek Litouwen hebben in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof eveneens aangegeven dat het voorwerp van het hoofdgeding samenviel met het voorwerp van het geding bij het districtsgerecht te Šilutė dat tot de litigieuze beslissing heeft geleid. Ook Q heeft zich ter terechtzitting van 27 oktober 2015 op dit standpunt gesteld. ( 33 )
80.
Ik merk evenwel op dat het Koninkrijk Zweden in zijn schriftelijke opmerkingen erop heeft gewezen dat „[s]inds de appelrechter van Litouwen op 21 oktober 2014 het verzoek tot terugkeer van de kinderen heeft afgewezen, overeenkomstig artikel 11, lid 6, van verordening [nr. 2201/2003] via de Zweedse centrale autoriteit, het ministerie van Buitenlandse Zaken, stukken aan de Varbergs tingsrätt (gerecht van eerste aanleg te Varberg) zijn toegezonden. P heeft verzocht zijn verzoek te behandelen in het kader van de lopende zaak betreffende het gezagsrecht. Artikel 11, lid 8, van verordening [nr. 2201/2003] bepaalt dat niettegenstaande een beslissing houdende niet-terugkeer op grond van artikel 13 van het [Haags verdrag van 1980], een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, gegeven door een gerecht dat krachtens [voornoemde] verordening bevoegd is, uitvoerbaar is, zulks teneinde de terugkeer van het kind te verzekeren”.
81.
Mijns inziens kan dan ook niet met zekerheid worden vastgesteld of bij de verwijzende rechter daadwerkelijk een verzoek tot terugkeer op grond van artikel 11, lid 8, van verordening nr. 2201/2003 aanhangig is gemaakt.
82.
Voorts heeft P weliswaar gewag gemaakt van „illegale overbrenging” van het kind ( 34 ), maar uit bladzijde 4 van de litigieuze beslissing blijkt dat het districtsgerecht te Šilutė heeft geoordeeld dat de betrokken overbrenging naar Litouwen geoorloofd was. Bovendien heeft het regionaal gerecht te Vilnius volgens de appelrechter van Litouwen „benadrukt dat het [P] ten tijde van het vertrek van kind S verboden was zich op te houden in de nabijheid van en contact te zoeken met [Q] en de dochters, wier identiteit en verblijfplaats geheim waren gehouden, zodat in wezen beperkingen aan zijn gezagsrecht waren gesteld. Gelet op een en ander heeft [het regionaal gerecht te Vilnius] geoordeeld dat er geen gronden waren om vast te stellen dat sprake was van een onwettig vertrek van [kind S] in de zin van het [Haags verdrag van 1980] en verordening (EG) nr. 2201/2003”. Indien de overbrenging en in voorkomend geval ook het doen verblijven van kind S in Litouwen geoorloofd zijn, is punt 44 van het arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400) niet van toepassing. ( 35 )
83.
Uit de stukken voor het Hof blijkt tevens dat na de beschikking van 4 september 2014 van het regionaal gerecht te Vilnius houdende afwijzing van het door P ingediende verzoek tot terugkeer van het kind, die is bevestigd door de appelrechter van Litouwen bij beschikking van 21 oktober 2014 ( 36 ), en ondanks de toezending, op 28 november 2014, van een afschrift van deze beslissingen houdende niet-terugkeer aan de verwijzende rechter overeenkomstig artikel 11, lid 6, van verordening nr. 2201/2003, geen latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich meebrengt in de zin van artikel 11, lid 8, van voornoemde verordening is gegeven. ( 37 ) Het Koninkrijk Zweden heeft in zijn schriftelijke opmerkingen immers aangegeven dat „[d]e kwestie nog open[stond] bij de Zweedse centrale autoriteit”.
84.
Dienaangaande zij erop gewezen dat een procedure die betrekking heeft op de ouderlijke verantwoordelijkheid zelf, niet hetzelfde voorwerp heeft en ook niet op dezelfde oorzaak berust als een procedure die als voorwerp de terugkeer naar de lidstaat van oorsprong van het ongeoorloofd naar een andere lidstaat overgebrachte of daar vastgehouden kind heeft. ( 38 )
85.
Het Hof heeft voor recht verklaard dat de uitvoerbaarheid van een beslissing op grond van artikel 11, lid 8, van verordening nr. 2201/2003 die de terugkeer van een kind met zich meebrengt, die is gegeven na een beslissing op grond van artikel 11, lid 6, van deze verordening waarbij is geweigerd de terugkeer te gelasten, ofschoon zij intrinsiek samenhangt met de overige door voornoemde verordening geregelde materies, met name het gezagsrecht, procedurele autonomie geniet, teneinde de terugkeer van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht niet te vertragen. ( 39 )
86.
Gelet op het voorgaande, de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de uiteenlopende doelen die worden beoogd met beslissingen aangaande het gezagsrecht over kinderen respectievelijk beslissingen aangaande de terugkeer, en in aanmerking nemende dat niets in de stukken voor het Hof erop duidt dat een Zweeds gerecht een beslissing tot terugkeer in de zin van artikel 11, lid 8, van verordening nr. 2201/2003 heeft gegeven ( 40 ) – terwijl er maanden zijn verstreken sinds de beslissing houdende niet-terugkeer van de appelrechter van Litouwen van 21 oktober 2014 ( 41 ) –, ben ik van mening dat de opmerkingen van P over de terugkeerprocedure niet ter zake doen voor de beantwoording van de door de verwijzende rechter voorgelegde vraag.
VI – Conclusie
87.
Gelet op het voorafgaande geef ik het Hof in overweging de door de Varbergs tingsrätt (gerecht van eerste aanleg te Varberg) gestelde vraag als volgt te beantwoorden:
„De artikelen 23, onder a), en 24 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moeten aldus worden uitgelegd dat niet met een beroep op de openbare orde van de aangezochte staat de erkenning of tenuitvoerlegging kan worden onthouden aan een in een andere lidstaat gegeven beslissing, op de enkele grond dat het gerecht van de lidstaat van herkomst de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 niet in acht zou hebben genomen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 338, blz. 1.
( 3 ) Uit de beslissing van 18 februari 2015 van het districtsgerecht te Šilutė blijkt dat het huwelijk van P en Q op 9 maart 2006 werd beëindigd (zie punt 29 van deze standpuntbepaling).
( 4 ) Uit de aan het Hof overgelegde stukken kan, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, evenwel worden opgemaakt dat het districtsgerecht te Šilutė bij beslissing van 6 februari 2006 (9 maart 2006) had bepaald dat de woonplaats van kind V bij Q was.
( 5 ) Q verzocht het gerecht vast te stellen dat de woonplaats van kind S bij haar was.
( 6 ) P verzocht het gerecht vast te stellen dat de woonplaats van kind V bij hem was.
( 7 ) Zie artikel 53 van verordening nr. 2201/2003.
( 8 ) De opmerkingen van Zweden betroffen enkel de vragen die het Hof aan dit land had voorgelegd.
( 9 ) Zie punt 32 van deze standpuntbepaling.
( 10 ) Zie naar analogie arresten Solo Kleinmotoren (C‑414/92, EU:C:1994:221, punt 20), Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 21) en Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 26).
( 11 ) Ik wil er in dit verband op wijzen dat het gezagsrecht volgens artikel 2, punt 9, van verordening nr. 2201/2003 het recht omvat de verblijfplaats van het kind te bepalen. Zie ook arrest C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 63).
( 12 ) Zie punten 32 en 33 van deze standpuntbepaling.
( 13 ) Ik wijs erop dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing op geen enkele plaats naar de Zweedse openbare orde wordt verwezen. Ter discussie staan uitsluitend Unierechtelijke bepalingen, te weten artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 en de terugkeerprocedure waarin deze verordening voorziet, meer bepaald artikel 11, lid 8, ervan. Weliswaar ziet artikel 23, onder a), van voornoemde verordening enkel op „de openbare orde van de aangezochte lidstaat”, maar deze bepaling is mijns inziens tevens van toepassing wanneer de erkenning van een beslissing kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de Unie. Zie in die zin arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 48).
( 14 ) Zie punt 42 van deze standpuntbepaling.
( 15 ) Er zijn verschillende verklaringen denkbaar voor de verwijzing naar artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 in de litigieuze beslissing. Mogelijk heeft het districtsgerecht te Šilutė simpelweg de door partijen in hun pleidooien aangehaalde bepalingen overgenomen, zoals de Republiek Litouwen beweert, maar het kan ook zijn dat dit gerecht het niet in het belang van het kind achtte de zaak aan een Zweeds gerecht over te dragen.
( 16 ) Zie opmerkingen van Litouwen (punt 48 van deze standpuntbepaling).
( 17 ) Ik ben van mening dat, hoewel het op grond van artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 niet aan de verwijzende rechter staat de beoordeling op grond waarvan het districtsgerecht te Šilutė zich bevoegd heeft geacht te toetsen, het beginsel van wederzijds vertrouwen impliceert dat het gerecht van een lidstaat waarbij een verzoek inzake ouderlijke verantwoordelijkheid is ingediend, zijn bevoegdheid aan de artikelen 8 tot en met 14 van verordening nr. 2201/2003 toetst en dat uit de door dat gerecht gegeven beslissing duidelijk blijkt dat het zich heeft willen onderwerpen aan de rechtstreeks toepasselijke bevoegdheidsregels van die verordening, of overeenkomstig die regels uitspraak heeft gedaan. Daarentegen kunnen, zoals artikel 24 van dezelfde verordening aangeeft, de gerechten van de andere lidstaten de beoordeling op grond waarvan het eerste gerecht zich bevoegd heeft geacht niet toetsen. Dit verbod belet niet dat een gerecht waaraan een beslissing is voorgelegd die geen gegevens bevat waaruit met zekerheid blijkt dat het gerecht van de lidstaat van herkomst ten gronde bevoegd is, kan nagaan of uit die beslissing blijkt dat laatstbedoeld gerecht zijn bevoegdheid op een bepaling van voornoemde verordening heeft willen baseren. Daarmee wordt immers niet de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst getoetst, maar alleen nagegaan op welke grondslag dat gerecht zich bevoegd heeft geacht. Zie in die zin arrest Purrucker (C‑256/09, EU:C:2010:437, punten 73‑75).
( 18 ) Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 4, van verordening nr. 2201/2003 betreffende de uitvoerbaarheid van bepaalde beslissingen, waaronder bepaalde beslissingen die de terugkeer van het kind met zich brengen (zie artikel 21, lid 3). In punt 65 van het arrest Rinau (C‑195/08 PPU, EU:C:2008:406) heeft het Hof geoordeeld dat „[h]et voorbehoud dat in artikel 21, lid 3, van [deze] verordening wordt gemaakt door het gebruik van de bewoordingen ‚onverminderd afdeling 4’ [...] tot doel [heeft] te verduidelijken dat waar deze bepaling elke belanghebbende de mogelijkheid biedt, om een beslissing houdende erkenning of niet-erkenning van de in een lidstaat gegeven beslissing te verzoeken, zulks niet uitsluit, wanneer de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, dat op de regeling van de artikelen 11, lid 8, 40 en 42 een beroep kan worden gedaan voor het geval van terugkeer van een kind nadat een beslissing inhoudende de niet-terugkeer is gegeven, nu deze regeling voorrang heeft boven die voorzien in hoofdstuk III, afdelingen 1 en 2”.
( 19 ) Blijkens overweging 2 van verordening nr. 2201/2003 vormt het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen de hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte. Volgens overweging 21 van deze verordening dient die erkenning te zijn gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen. Arrest Purrucker (C‑256/09, EU:C:2010:437, punten 70 en 71). Zie naar analogie arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 40). Zoals het Hof in het arrest Purrucker (C‑256/09, EU:C:2010:437, punt 72en aldaar aangehaalde rechtspraak) in herinnering heeft gebracht, heeft dit wederzijds vertrouwen het mogelijk gemaakt een bindend bevoegdheidsstelsel in te voeren dat alle rechters die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 vallen, moeten eerbiedigen. Tevens hebben de lidstaten daardoor van hun interne regels inzake erkenning en exequatur afstand kunnen doen ten gunste van een vereenvoudigd mechanisme van erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in het kader van procedures betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid.
( 20 ) In het arrest Rinau (C‑195/08 PPU, EU:C:2008:406, punt 50) heeft het Hof eraan herinnerd dat de gronden tot weigering van de erkenning overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven. Zie ook arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 40). De gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid die kunnen worden ingeroepen, worden uitdrukkelijk en uitputtend opgesomd in artikel 23 van verordening nr. 2201/2003. Zie in die zin arrest C (C‑92/12 PPU, EU:C:2012:255, punt 104).
( 21 ) Zie naar analogie arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat ziet op artikel 34, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), een bepaling die grote gelijkenis vertoont met artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003. Ik ben dan ook van oordeel dat de op artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 gebaseerde rechtspraak van het Hof op artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 kan worden toegepast, maar steeds op voorwaarde dat overeenkomstig laatstgenoemde bepaling rekening wordt gehouden met de belangen van het kind. Zie ook artikel 45 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351, blz. 1), die met ingang van 10 januari 2015 van toepassing is. Ik merk nog op dat het Hof in punt 44 van voornoemd arrest heeft geoordeeld dat „[o]p de openbare-ordeclausule van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 [...] slechts een beroep [kan] worden gedaan indien de erkenning van de in een andere lidstaat gegeven beslissing op onaanvaardbare wijze zou botsen met de rechtsorde van de aangezochte staat doordat inbreuk op een fundamenteel beginsel zou worden gemaakt. Het verbod om de juistheid van de in een andere lidstaat gegeven beslissing te onderzoeken wordt dus enkel in acht genomen indien de inbreuk bestaat in kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht”.
( 22 ) Zie naar analogie arresten Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punten 19 en 21) en Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 26), die betrekking hebben op de uitlegging van artikel 27, punt 1, van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), en bij het verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”). Artikel 27, punt 1, Executieverdrag bepaalt immers: „Beslissingen worden niet erkend [...] indien de erkenning strijdig is met de openbare orde van de aangezochte staat.” (Cursivering van mij) Met de aantekening dat het woord „kennelijk”, zoals dat voorkomt in artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en in artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001, weliswaar ontbreekt (hetgeen mijn betoog alleen maar kracht bijzet), meen ik dat de op artikel 27, punt 1, Executieverdrag gebaseerde rechtspraak van het Hof op artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 kan worden toegepast, maar steeds op voorwaarde dat overeenkomstig laatstgenoemde bepaling rekening wordt gehouden met de belangen van het kind.
( 23 ) Zie naar analogie arrest flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑302/13, EU:C:2014:2319, punten 46 en 47), dat met name ziet op artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001.
( 24 ) Zie arrest Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 90). Zie naar analogie arrest Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 31).
( 25 ) Zie naar analogie arrest Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 32). Dit arrest heeft betrekking op artikel 28, derde alinea, tweede deelzin, Executieverdrag, waarvan de formulering nauw overeenkomt met artikel 24, tweede zin, van verordening nr. 2201/2003.
( 26 ) Ik vind de opmerkingen van de Commissie hier en daar verwarrend en tegenstrijdig. Zij meent enerzijds dat de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat van herkomst niet kan worden getoetst, en anderzijds dat de aangezochte lidstaat desondanks een algemene toetsing in het licht van de openbare orde mag verrichten indien sprake is van kennelijke niet-naleving en misbruik van de bevoegdheidsregels. Een dergelijke benadering houdt mijns inziens het risico in dat niet alleen afbreuk wordt gedaan aan verordening nr. 2201/2003, maar ook aan het stelsel van vrij verkeer van rechterlijke beslissingen binnen de Unie zoals dat bij andere verordeningen is ingevoerd. Ter terechtzitting heeft de Commissie in antwoord op een vraag dienaangaande het voorbeeld genoemd van schending door het gerecht van de lidstaat van herkomst van artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In een dergelijke situatie kan inderdaad de openbare orde in het geding zijn, maar de bevoegdheidsregels staan hier geheel buiten. Bovendien kan de Commissie, wanneer zij meent dat er bewijs is dat bepaalde nationale gerechten opzettelijk de bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 hebben willen schenden, een procedure wegens niet-nakoming inleiden. Zie naar analogie arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punten 53‑55).
( 27 ) Zie arrest C (C‑92/12 PPU, EU:C:2012:255, punt 103).
( 28 ) Het is de rechter van de aangezochte staat in dit verband verboden de juistheid van de beoordelingen, rechtens of feitelijk, van het gerecht van de lidstaat van herkomst na te gaan. Zie naar analogie arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 43), dat betrekking heeft op artikel 36 van verordening nr. 44/2001, waarvan de formulering sterk lijkt op die van artikel 26 van verordening nr. 2201/2003.
( 29 ) Zie naar analogie arrest Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punten 49 en 63).
( 30 ) Buiten het hoofdgeding zijn immers nog diverse andere zaken aanhangig gemaakt bij de Litouwse gerechten, die steeds in het voordeel van Q hebben beslist. In dit verband heeft de Republiek Litouwen ter terechtzitting van 27 oktober 2015 vier procedures genoemd, te weten de procedure betreffende het gezagsrecht over kind S bij het districtsgerecht te Šilutė die tot de litigieuze beslissing heeft geleid, de terugkeerprocedure bij het regionaal gerecht te Vilnius en het hoger beroep bij de appelrechter van Litouwen, de procedure bij het regionaal gerecht te Vilnius en de appelrechter van Litouwen betreffende tijdelijke voorwaarden voor de omgang van P met kind S en tot slot de procedure bij de Klaipėdos apylinkės teismas (districtsgerecht te Klaipėda) en de Klaipėdos apygardos teismas (regionaal gerecht te Klaipėda) betreffende de naleving door P van de voor kind S vastgestelde omgangsregeling. Volgens de Republiek Litouwen hebben ten minste zestien rechters in vier verschillende procedures Q op grond van het belang van het kind in het gelijk gesteld.
( 31 ) Zie de eerste bladzijde van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
( 32 ) In zijn schriftelijke opmerkingen geeft P te kennen van oordeel te zijn dat gelet op „de uiteenlopende nationale regelingen ter zake van het gezagsrecht en de vaststelling van de woonplaats, en in aanmerking nemende dat beide zaken betrekking hebben op de woonplaats van dochter S en de ouderlijke verantwoordelijkheid van de ouders voor haar, [...] de procedures die in deze verschillende landen aanhangig zijn hetzelfde voorwerp hebben”. Dit standpunt heeft hij ter terechtzitting van 27 oktober 2015 bevestigd.
( 33 ) Dit samenvallen van het geding bij de verwijzende rechter (dat op 11 april 2014 aanhangig is gemaakt) met het geding bij het districtsgerecht te Šilutė dat tot de litigieuze beslissing heeft geleid (datum van aanhangigmaking 8 april 2014), roept de vraag op waarom de verwijzende rechter niet heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen overeenkomstig artikel 19, lid 2, van verordening nr. 2201/2003, dat bepaalt dat „[w]anneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, [...] het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan[houdt] totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat”. Zo zouden parallelle procedures bij de gerechten van verschillende lidstaten en met elkaar strijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn, zijn voorkomen (zie arrest Purrucker, C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 64).
( 34 ) Zie punt 41 van deze standpuntbepaling.
( 35 ) Zie punten 16 en 17 (voor de feiten) en 47 (voor de opmerkingen van de Republiek Litouwen) van deze standpuntbepaling.
( 36 ) De appelrechter van Litouwen heeft het hoger beroep van P verworpen op grond dat naar zijn oordeel vaststond dat P zich schuldig had gemaakt aan „ontoelaatbaar gedrag in strijd met de morele normen en gedrag jegens een minderjarige dat de normale ontwikkeling van het kind, zijn maatschappelijke welzijn en zijn belang kon schaden”.
( 37 ) Artikel 11, leden 4 tot en met 6, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt weliswaar dat een gerecht waarbij een verzoek tot terugkeer van een kind is ingediend, zoals in het hoofdgeding, de terugkeer van het kind op grond van artikel 13 van het Haags verdrag van 1980 kan weigeren, maar het krachtens die verordening bevoegde gerecht kan, in weerwil van een beslissing houdende niet-terugkeer, op grond van artikel 11, lid 8, van voornoemde verordening een latere beslissing nemen die de terugkeer van het kind met zich meebrengt en die in de lidstaat waar het kind verblijft erkend en voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt zonder dat de autoriteiten van deze staat zich tegen die erkenning kunnen verzetten.
( 38 ) Zie naar analogie arresten Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 68) en C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 40), alsook artikel 19 van het Haags verdrag van 1980, dat bepaalt dat „[e]en ingevolge dit verdrag genomen beslissing betreffende de terugkeer van het kind [...] geen betrekking [heeft] op het gezagsrecht zelf”. In punt 40 van het arrest C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268) heeft het Hof verklaard dat „bij dergelijke acties dus geen sprake [kan] zijn van aanhangigheid”. In punt 46 van het arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400) heeft het Hof bevestigd dat een gezagsbeslissing een definitieve beslissing is die is gebaseerd op een alomvattend onderzoek van alle relevante factoren, waarbij het bevoegde gerecht zich uitspreekt over de regeling van het gezag over het kind, die niet langer aan een andere administratieve of rechterlijke beslissing onderworpen is. De omstandigheid dat die regeling van het gezag over het kind voorziet in een periodieke herziening of periodiek heronderzoek binnen bepaalde termijnen of afhankelijk van bepaalde omstandigheden, doet volgens het Hof niet eraan af dat deze beslissing definitief is. In punt 43 van ditzelfde arrest heeft het Hof daarentegen benadrukt dat de procedure voor terugkeer van het kind overeenkomstig met name artikel 11 van verordening nr. 2201/2003 een afschrikkingseffect beoogt te hebben voor de ontvoering van kinderen tussen de lidstaten en in geval van ontvoering de onverwijlde terugkeer van het kind beoogt te bewerkstelligen. In het arrest Aguirre Zarraga (C‑491/10 PPU, EU:C:2010:828, punt 45) heeft het Hof geoordeeld dat het vereiste van een snelle afwikkeling, dat ten grondslag ligt aan de terugkeerregeling waarin verordening nr. 2201/2003 voorziet, verlangt dat de nationale rechterlijke instanties waarbij een verzoek tot terugkeer van het kind is ingediend, snel oordelen.
( 39 ) Zie arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400, punten 59 en 60).
( 40 ) Alvorens op grond van artikel 11, lid 8, van verordening nr. 2201/2003 een beslissing tot terugkeer te geven, moet het betrokken gerecht rekening houden met de redenen en het bewijs op grond waarvan de beslissing houdende niet-terugkeer is gegeven. „Dat hiermee rekening wordt gehouden, rechtvaardigt mede de uitvoerbaarheid van een dergelijke beslissing wanneer zij eenmaal is vastgesteld, overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen dat aan [voornoemde] verordening ten grondslag ligt”, aldus het Hof. „Een dergelijk systeem omvat bovendien een dubbel onderzoek van de kwestie van de terugkeer van het kind, zodat een betere grondslag voor de beslissing wordt gewaarborgd en meer bescherming aan de belangen van het kind wordt gegeven”; zie arrest Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400, punten 59 en 60).
( 41 ) Beklemtoond zij nog dat „de termijn om te beslissen op een verzoek inzake niet-terugkeer zeer kort [is]”. Zie arrest Rinau (C‑195/08 PPU, EU:C:2008:406, punt 66).
Full & Egal Universal Law Academy