ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
11 december 2017 ( *1 )
„Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniebeeldmerk QUILAPAYÚN – Relatieve weigeringsgrond – Algemeen bekend merk – Artikel 8, lid 2, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 2, onder c), van verordening (EU) 2017/1001] – Houder van het merk”
In zaak T‑249/15,
JT, wonende te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Mena Valenzuela, advocaat,
verzoekende partij,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door E. Zaera Cuadrado als gemachtigde,
verwerende partij,
andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO:
Eduardo Carrasco Pirard, wonende te Santiago (Chili), en de andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, van wie de namen zijn vermeld in bijlage ( 1 ),
betreffende een beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 13 maart 2015 (zaak R 354/2014‑2) inzake een oppositieprocedure tussen enerzijds JT en anderzijds Carrasco Pirard en de andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, van wie de namen zijn vermeld in bijlage,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: H. Kanninen (rapporteur), president, J. Schwarcz en C. Iliopoulos, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien het op 3 juli 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 18 december 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
na de terechtzitting op 25 april 2017,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 16 september 2010 hebben Eduardo Carrasco Pirard en de andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), van wie de namen zijn vermeld in bijlage (hierna: „aanvragers”), bij het EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend op grond van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [naderhand vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].
2
Het merk waarvan de inschrijving is aangevraagd, is het volgende beeldteken:
3
De waren en diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, behoren tot de klassen 9, 16 en 41 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Deze klassen zijn respectievelijk omschreven als volgt:
–
klasse 9: „Wetenschappelijke, zeevaartkundige, landmeetkundige, fotografische, cinematografische, optische toestellen en instrumenten, en weeg-, meet-, sein-, controle- (inspectie-), hulpverlenings- (reddings-) en onderwijstoestellen en -instrumenten; apparaten en instrumenten voor de geleiding, de verdeling, de omzetting, de opslag, het regelen en het sturen van elektrische stroom; apparaten voor het opnemen, het overbrengen en het weergeven van geluid of beeld; magnetische gegevensdragers, schijfvormige geluidsdragers; verkoopautomaten en mechanismen voor apparaten met vooruitbetaling; kasregisters, rekenmachines, gegevensverwerkende apparatuur en computers; brandblusapparaten”;
–
klasse 16: „Papier, karton en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; drukwerken; boekbinderswaren; foto’s; schrijfbehoeften; kleefstoffen voor kantoorgebruik of voor de huishouding; materiaal voor kunstenaars; penselen; schrijfmachines en kantoorartikelen (uitgezonderd meubelen); leermiddelen en onderwijsmateriaal (uitgezonderd toestellen); plastic materialen voor verpakking, voor zover niet begrepen in andere klassen; drukletters; clichés”;
–
klasse 41: „Opvoeding; opleiding; ontspanning; sportieve en culturele activiteiten”.
4
De Uniemerkaanvraag is gepubliceerd in het Blad van Gemeenschapsmerken nr. 181/2010 van 27 september 2010.
5
Op 27 december 2010 heeft verzoeker, JT, op grond van artikel 41 van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 46 van verordening 2017/1001) oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de in punt 3 hierboven genoemde waren en diensten.
6
De oppositie was gebaseerd op de volgende oudere merken:
–
het in de Europese Unie algemeen bekende merk dat hieronder is weergegeven, voor zover het zich uitstrekt tot de dienst „muziekgroep”, die behoort tot klasse 41:
–
het op 22 juni 1998 onder het nummer 98738516 ingeschreven Franse merk, dat hieronder is weergegeven, voor zover het zich uitstrekt tot waren en diensten die behoren tot de klassen 9, 16 en 41:
–
het op 24 december 2002 onder het nummer 801761 ingeschreven internationale merk, dat hieronder is weergegeven, voor zover het zich uitstrekt tot waren en diensten die behoren tot de klassen 9, 16 en 41:
7
Ter ondersteuning van de oppositie zijn de gronden van artikel 8, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder a) en b), van verordening 2017/1001] aangevoerd.
8
Bij beslissing van 2 december 2013 heeft de oppositieafdeling de oppositie – uitsluitend op basis van het algemeen bekende oudere merk – gedeeltelijk toegewezen door de inschrijvingsaanvraag af te wijzen voor „magnetische gegevensdragers, schijfvormige geluidsdragers” (klasse 9) en „ontspanning; sportieve en culturele activiteiten” (klasse 41). Zij was van oordeel dat de door verzoeker overgelegde stukken bewezen dat het niet-ingeschreven oudere merk algemeen bekend was als benaming van een muziekgroep, en dat dit merk voortdurend was gebruikt in de Unie, met name in Spanje. Voorts heeft de oppositieafdeling overwogen dat de conflicterende merken betrekking hadden op „ontspanning” (klasse 41), alsook dat de door het aangevraagde merk bestreken „magnetische gegevensdragers, schijfvormige geluidsdragers” (klasse 9) en „sportieve en culturele activiteiten” (klasse 41) vergelijkbaar waren met de diensten waarop het oudere merk betrekking had. Derhalve heeft de oppositieafdeling – gelet op de identiteit van de conflicterende tekens en op de identiteit of vergelijkbaarheid van de bovengenoemde waren en diensten – vastgesteld dat er gevaar voor verwarring tussen de merken bestond wat deze waren en diensten betreft.
9
Op 29 januari 2014 hebben de aanvragers tegen de beslissing van de oppositieafdeling bij het EUIPO beroep ingesteld op grond van de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 (thans de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001).
10
Bij beslissing van 13 maart 2015 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO de beslissing van de oppositieafdeling vernietigd en de oppositie in haar geheel afgewezen. Zij heeft gepreciseerd dat de oppositie uitsluitend werd onderzocht op basis van het oudere algemeen bekende merk, omdat het onder het nummer 98738516 ingeschreven Franse merk en dientengevolge het onder het nummer 801761 ingeschreven internationale merk waren vernietigd. Voorts heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO geconstateerd dat niet alleen verzoeker had nagelaten het bewijs te leveren dat hij de „werkelijke houder” van het oudere algemeen bekende merk was, maar bovendien ook dat de aanvragers er aanspraak op maakten de houder van dat merk te zijn. De kamer van beroep heeft hieraan toegevoegd dat zij aan verordening nr. 207/2009 geen enkele bevoegdheid ontleende om vast te stellen wie de houder van het niet-ingeschreven oudere algemeen bekende merk was, omdat het aan de bevoegde nationale rechter stond deze vraag te beantwoorden.
Procedure en conclusies van partijen
11
Bij een op 15 mei 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoeker een verzoek om rechtsbijstand ingediend, dat bij beschikking van de president van het Gerecht van 29 oktober 2015 is ingewilligd.
12
Bij schrijven van 6 augustus 2015 heeft het Gerecht verzoeker eraan herinnerd dat hem in het kader van de rechtsbijstandsprocedure het recht op anonimiteit was toegekend, en hem gevraagd of hij wenste dat de anonimiteit in het kader van het hoofdgeding zou worden gehandhaafd. Met goedvinden van verzoeker heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht op 28 augustus 2015 beslist dat verzoeker in de onderhavige zaak anoniem mocht blijven.
13
Verzoeker verzoekt het Gerecht:
–
de bestreden beslissing te vernietigen;
–
de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk af te wijzen voor de waren en diensten van de klassen 9 en 41.
14
Het EUIPO verzoekt het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen;
–
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
Argumenten van partijen
15
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker één middel aan, dat gebaseerd is op de onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 2, onder c), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 2, onder c), van verordening 2017/1001], gelezen in samenhang met artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „Verdrag van Parijs”).
16
Verzoeker betoogt om te beginnen dat uit artikel 8, lid 2, onder c), en artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, gelezen in onderlinge samenhang, blijkt dat oppositie tegen een merkaanvraag kan worden ingesteld indien is voldaan aan twee voorwaarden. Ten eerste moet het merk waarop de oppositie is gebaseerd, op het relevante grondgebied algemeen bekend zijn wanneer de aanvraag tot inschrijving van het merk wordt ingediend. Ten tweede moet bij het publiek op het grondgebied waarop het oudere merk wordt beschermd, verwarring kunnen ontstaan doordat de twee merken aan elkaar gelijk zijn of met elkaar overeenstemmen en betrekking hebben op dezelfde of soortgelijke waren of diensten. Volgens verzoeker is in casu aan beide voorwaarden voldaan.
17
Voorts verwijst verzoeker – ter ondersteuning van zijn argument dat het aangevraagde merk niet ten name van de aanvragers kan worden ingeschreven omdat het teken QUILAPAYÚN verbonden is met een gemeenschap van personen waartoe zowel hijzelf als de aanvragers behoren – naar het besluit van de Oficina Española de Patentes y Marcas (Spaans octrooi- en merkenbureau) waarbij de inschrijving te zijnen name van het nationale merk QUILAPAYÚN is geweigerd, alsmede naar het besluit van de Instituto nacional de propiedad industrial (INAPI; nationaal instituut voor industriële eigendom, Chili) en naar een attest van de Sociedad chilena del derecho de autor (SCD, Chileense auteursrechtenmaatschappij).
18
Verzoeker stelt dan ook dat de oppositieafdeling artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 – gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, onder c), van dezelfde verordening en artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs – juist heeft uitgelegd door de inschrijving van het aangevraagde merk uitsluitend ten name van de aanvragers te weigeren op grond dat er een ouder merk bestond waarvan hij de houder is en dat algemeen bekend is in de Unie, met name in Spanje. Dienaangaande merkt verzoeker op dat hij de enige is die nog steeds commerciële, zakelijke en artistieke betrekkingen heeft waarbij het teken QUILAPAYÚN wordt gebruikt.
19
Verzoeker voegt hieraan toe dat het merk QUILAPAYÚN vanaf 1998 ingeschreven was in Frankrijk, voordat de inschrijving ervan in 2003 nietig werd verklaard door de Franse rechterlijke instanties. In dit verband stelt verzoeker dat de Franse rechterlijke instanties een ernstige beoordelingsfout hebben begaan door de inschrijving van het nationale merk nietig te verklaren, en dat deze beslissing hoe dan ook enkel het Franse grondgebied betreft.
20
Verzoeker merkt tevens op dat hij het merk QUILAPAYÚN in 2002 heeft laten inschrijven bij de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO), en dat deze inschrijving geldig is gebleven tot 24 december 2012, zonder dat de aanvragers zich tegen die inschrijving hebben verzet.
21
Verzoeker is van mening dat de inschrijving van de merken QUILAPAYÚN in Frankrijk en bij de WIPO aantoont dat hij het teken QUILAPAYÚN – nog voordat de aanvragers in 2003 een nieuwe muziekgroep vormden – wenste te beschermen.
22
Aangezien er geen regelgeving bestaat over het gezamenlijke houderschap van een merk of benaming en de door verzoeker geleide muziekgroep op basis van onder meer een „herenovereenkomst” is blijven optreden onder de naam Quilapayún nadat de aanvragers die groep hadden verlaten, hadden laatstgenoemden – die in 2003 een nieuwe muziekgroep hebben opgericht – volgens verzoeker geen gebruik mogen maken van het teken QUILAPAYÚN, teneinde verwarring bij het publiek en de media te voorkomen.
23
Voorts voert verzoeker aan dat de aanvragers – voordat zij in 2003 een nieuwe groep vormden – bezig waren met taken die zeer ver afstonden van muziek, in zeer verschillende delen van de wereld woonden, voornamelijk tijdens vakantieperioden bijeenkwamen voor sporadische concerten en daarbij profiteerden van het publiek dat zich toch al had verzameld naar aanleiding van andere artistieke evenementen, in de meest verschillende samenstellingen, onder meer met hun kinderen, optraden, en geen enkel werk van betekenis hadden voortgebracht onder de naam Quilapayún.
24
Wat daarentegen verzoeker betreft, wordt volgens hem – behalve door zijn exclusieve betrekkingen met een platenmaatschappij onder de naam Quilapayún en door het feit dat hij commerciële, zakelijke en artistieke betrekkingen onderhoudt waarbij hij gebruikmaakt van het teken QUILAPAYÚN – door de verschillende overgelegde persknipsels aangetoond dat hij, op zijn minst in Spanje, voortdurend heeft gebruikgemaakt van het oudere merk, en dat dit algemeen bekend is. Hij is naar eigen zeggen het enige lid van de oorspronkelijke groep dat sinds meer dan 40 jaar onafgebroken de wereld – voornamelijk Europa en Chili – heeft afgereisd onder de naam Quilapayún. Tevens heeft hij tussen 1988 en 2003 drie cd’s en twee compilaties uitgebracht, die volgens hem alle zeer goed zijn onthaald door publiek en recensenten. Gedurende al die jaren hebben de aanvragers geen deel uitgemaakt van de groep.
25
Het EUIPO merkt allereerst op dat verzoeker de bestreden beslissing niet betwist voor zover daarin wordt overwogen dat de oppositie niet kan worden gebaseerd op de oudere Franse en internationale merken.
26
Voorts stelt het EUIPO dat de voorwaarden die in elk geval moeten worden vervuld om oppositie te kunnen instellen, niet beperkt zijn tot de voorwaarden van artikel 8 van verordening nr. 207/2009. De opposant moet volgens het EUIPO ook voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in regel 19, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1) [thans artikel 7, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 van de Commissie van 18 mei 2017 ter aanvulling van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2868/95 en (EG) nr. 216/96 van de Commissie (PB 2017, L 205, blz. 1)] en in artikel 41, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 46, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001]. Op grond van deze bepalingen moet de opposant bewijzen overleggen waaruit blijkt dat hij het recht heeft om oppositie in te stellen. Bijgevolg had de opposant volgens het EUIPO niet alleen moeten bewijzen dat het oudere merk algemeen bekend was, maar ook dat hijzelf de houder van dit merk was.
27
Daarnaast constateert het EUIPO dat de algemene bekendheid van het oudere merk door de aanvragers niet in twijfel is getrokken.
28
Het EUIPO wijst er tevens op dat de argumenten die verzoeker aanvoert ten bewijze van het feit dat hij de houder is van het oudere merk, zich toespitsen op de algemene bekendheid van dat merk, waarbij hij refereert aan besluiten van nationale merkenbureaus en nationale rechterlijke instanties, aan de commerciële, zakelijke en artistieke betrekkingen die hij heeft onderhouden om het teken QUILAPAYÚN te beschermen, en aan de inschrijvingen die met het oog op de bescherming van dit teken hebben plaatsgevonden.
29
Het EUIPO betoogt dat noch verzoeker noch de aanvragers de exclusieve houders van het teken QUILAPAYÚN zijn. Zowel uit de beslissingen van de nationale bureaus en van de nationale rechterlijke instanties als uit de door verzoeker aangehaalde rechtspraak blijkt volgens het EUIPO juist dat verzoeker zich niet kan beroepen op enig uitsluitend recht op het oudere merk. Ter terechtzitting heeft het EUIPO – in antwoord op een vraag van het Gerecht – opgemerkt dat de kwestie van het gezamenlijke houderschap van het oudere merk niet aan de orde was gesteld voor het EUIPO, en dat het te laat was om deze kwestie voor het eerst aan de orde te stellen voor het Gerecht.
30
Uit de door verzoeker overgelegde documenten blijkt volgens het EUIPO niet dat de aanvragers ermee hebben ingestemd dat hij zich het exclusieve houderschap van het oudere recht toe-eigent. De commerciële, zakelijke en artistieke betrekkingen die verzoeker heeft onderhouden om de continuïteit van het oudere merk te waarborgen, tonen als zodanig niet aan dat hij moet worden aangemerkt als de exclusieve houder van dat merk. Alle merken die overeenkomen met het teken QUILAPAYÚN en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving, zijn nietig verklaard, en alle aanvragen tot inschrijving van dat teken zijn afgewezen.
31
Het EUIPO is dan ook van mening dat de kamer van beroep terecht heeft besloten de oppositie ongegrond te verklaren op grond van regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95 (thans artikel 8, lid 1, en artikel 7 van gedelegeerde verordening 2017/1430).
32
Ten slotte merkt het EUIPO op dat elk argument betreffende het gezamenlijke gebruik van het merk irrelevant is, aangezien de aanvragers dit merk mogen gebruiken, zonder dat zij evenwel recht hebben op de inschrijving ervan. Volgens het EUIPO was de enige vraag waarover de kamer van beroep zich diende uit te spreken, de vraag of verzoeker houder was van uitsluitende rechten op het oudere merk zodat hij oppositie kon instellen tegen de inschrijving van het aangevraagde merk. Zo niet, dan kon de oppositie enkel worden afgewezen, zonder dat aldus werd vooruitgelopen op de kwestie van de geldigheid van de inschrijving van het aangevraagde merk door de aanvragers. Volgens het EUIPO kan enkel bij wege van een rechterlijke instantie uitspraak worden gedaan over de kwestie van het houderschap en het recht om de inschrijving van het Uniemerk te vragen. Aangezien artikel 101, lid 2, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 129, lid 2, van verordening 2017/1001) niet voorziet in een vordering tot erkenning van de aanspraak op het houderschap van een merk, dient het nationale recht te worden toegepast.
Beoordeling door het Gerecht
33
Artikel 8, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 207/2009 luidt:
„1. Na oppositie door de houder van een ouder merk wordt inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd:
a)
wanneer het gelijk is aan het oudere merk en wanneer de waren of diensten waarvoor het merk is aangevraagd, gelijk zijn aan de waren of diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven;
b)
wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk beschermd wordt; verwarring omvat het gevaar van associatie met het oudere merk.”
34
In artikel 8, lid 2, onder c), van verordening nr. 207/2009 worden „oudere merken” gedefinieerd als de merken die op de datum van indiening van de aanvraag voor het Uniemerk of – in voorkomend geval – van het ten behoeve van de aanvraag voor het Uniemerk ingeroepen recht van voorrang, in een lidstaat algemeen bekend zijn in de zin van artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs.
35
Artikel 41, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 bepaalt dat tegen de inschrijving van een Uniemerk oppositie kan worden ingesteld, en wel in het in artikel 8, lid 1, van die verordening bedoelde geval „door de houders van in artikel 8, lid 2, bedoelde oudere merken”.
36
Regel 19, lid 2, van verordening nr. 2868/95 bepaalt:
„[D]e opposant [overlegt] bewijzen van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn ouder merk of recht, alsmede bewijsmateriaal waaruit blijkt dat hij gerechtigd is een oppositie in te dienen. De opposant verstrekt met name het volgende bewijsmateriaal:
[…]
b)
indien de oppositie berust op een algemeen bekend merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder c), van [verordening nr. 207/2009], bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het merk op het desbetreffende grondgebied algemene bekendheid geniet”.
37
Op grond van regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95 wordt de oppositie als ongegrond afgewezen indien de opposant geen bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn ouder merk of recht blijken, en hij niet kan aantonen dat hij gerechtigd is de oppositie in te dienen.
38
Uit de in de punten 33 tot en met 37 hierboven aangehaalde bepalingen vloeit voort dat op basis van een algemeen bekend merk als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder c), van verordening nr. 207/2009 oppositie in de zin van artikel 8, lid 1, van deze verordening alleen kan worden ingesteld indien degene die oppositie instelt, aantoont dat het merk in kwestie in een lidstaat algemeen bekend is in de zin van artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en dat hij de houder van dat merk is.
39
In casu heeft verzoeker tegen de inschrijving van het aangevraagde merk oppositie ingesteld op basis van drie oudere merken (zie punt 6 hierboven). De oppositieafdeling en de kamer van beroep hebben de oppositie enkel onderzocht voor zover zij steunt op het algemeen bekende niet-ingeschreven merk, hetgeen niet ter discussie wordt gesteld door partijen en – gelet op zowel de nietigverklaring van het Franse merk als het daaruit voortvloeiende verval van de rechtsgevolgen van het internationale merk – moet worden aanvaard.
40
Wat betreft de voorwaarde dat het oudere merk algemene bekendheid geniet, heeft de kamer van beroep de beoordeling van de oppositieafdeling in herinnering gebracht, die inhoudt dat het oudere merk algemeen bekend is in de Unie en met name in Spanje, wat de aanvragers niet betwisten.
41
Het door de kamer van beroep verrichte onderzoek had uitsluitend betrekking op de vraag of verzoeker de houder was van het oudere merk en dus het recht had om oppositie in te stellen tegen de inschrijving van het aangevraagde merk. Volgens de kamer van beroep leverde verzoeker niet het bewijs dat hij de „werkelijke” houder van het oudere merk was, temeer daar ook de aanvragers aanspraak maakten op het houderschap van dat merk. Samenvattend maakt de kamer van beroep verzoeker het verwijt niet te hebben bewezen dat hij de „exclusieve” houder van het oudere merk was, hetgeen het EUIPO zowel in haar memorie van antwoord als ter terechtzitting heeft bevestigd.
42
In dit verband zij er allereerst aan herinnerd dat voor het bewijs van het houderschap van een niet-ingeschreven merk zoals het oudere merk dat in casu aan de orde is, bijzondere voorwaarden gelden. Verzoeker kan in geen geval door overlegging van een indienings- of inschrijvingsbewijs voor het merk waarop de oppositie gebaseerd is, bewijzen dat hij de houder is van dat merk. Hij moet aantonen dat hij door het gebruik van het niet-ingeschreven oudere merk rechten daarop heeft verworven [zie in die zin arrest van 18 januari 2012, Tilda Riceland Private/OHMI – Siam Grains (BASmALI), T‑304/09, EU:T:2012:13, punt 17].
43
Naar aanleiding van een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde vraag heeft verzoeker zich trouwens op het standpunt gesteld dat de voorschriften inzake de oppositieprocedure niet met zich meebrachten dat het houderschap van het algemeen bekende oudere merk moest worden bewezen door overlegging van een officieel document waaruit zou blijken dat deze of gene persoon de houder is van dat merk, aangezien dat merk niet was ingeschreven. Hij heeft evenwel gesteld bewijzen te hebben overgelegd waaruit blijkt dat hij het algemeen bekende oudere merk had gebruikt, zodat kon worden geconstateerd dat er een band bestond tussen hem en dat merk.
44
Vastgesteld dient te worden dat de kamer van beroep die bewijzen van het gebruik van het oudere merk door verzoeker niet heeft onderzocht. Zij heeft enkel overwogen dat verzoeker niet had bewezen dat hij de houder van het merk in kwestie was, en dat bovendien ook de aanvragers aanspraak maakten op het houderschap van dat merk.
45
De kamer van beroep heeft dan ook geoordeeld dat verzoeker niet het recht had om oppositie in te stellen in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 207/2009, omdat hij niet kon aantonen dat hij de exclusieve houder was van het oudere merk, gelet op het overgelegde bewijsmateriaal en het feit dat ook de aanvragers aanspraak maakten op het houderschap van dat merk.
46
Uit geen enkele in de punten 33 tot en met 37 hierboven aangehaalde bepaling volgt evenwel dat de opposant die oppositie instelt op grond van artikel 8, lid 2, onder c), van verordening nr. 207/2009, moet bewijzen dat hij de „exclusieve” houder is van het algemeen bekende niet-ingeschreven oudere merk waarop hij zijn oppositie baseert. Blijkens artikel 41 van verordening nr. 207/2009 alsook regel 19, lid 2, en regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95 moet de opposant het bewijs leveren dat hij met betrekking tot het algemeen bekende niet-ingeschreven oudere merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder c), van verordening nr. 207/2009 voldoende rechten heeft verworven om te kunnen worden aangemerkt als de houder van dat merk, hetgeen niet impliceert dat hij moet aantonen er de exclusieve houder van te zijn.
47
Regel 15, lid 1, van verordening nr. 2868/95 (thans artikel 2, lid 1, van gedelegeerde verordening 2017/1430) bepaalt overigens dat „[i]ndien een ouder merk of ouder recht meer dan één eigenaar heeft (mede-eigendom), […] de oppositie [mag] geschieden door één of meer of door alle eigenaren”, wat elk van de medehouders van een ouder merk de mogelijkheid biedt zich tegen de inschrijving van een aangevraagd merk te verzetten, zoals het EUIPO ter terechtzitting heeft bevestigd.
48
In dit verband zij opgemerkt dat noch verzoeker noch de aanvragers zich tegen de inschrijving van het teken QUILAPAYÚN door een derde zouden kunnen verzetten indien het exclusieve houderschap van het oudere merk vereist was, tenzij zij zich allen samen tegen die inschrijving zouden verzetten, daar zij allen aanspraak maken op het houderschap van dat teken.
49
Indien verzoeker rechten op het niet-ingeschreven oudere merk heeft verworven, kan hij zich evenwel tegen de inschrijving van het aangevraagde merk verzetten, ongeacht of anderen – waaronder de aanvragers – eveneens rechten op dat merk hebben verworven door het gebruik dat zij op hun beurt ervan hebben kunnen maken.
50
Derhalve dient te worden geoordeeld dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verlangen dat verzoeker bewijst dat hij de exclusieve houder van het oudere merk was, zonder te onderzoeken of het niet volstond dat hij er de medehouder van was.
51
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van het EUIPO dat verzoeker voor het eerst pas voor het Gerecht heeft aangevoerd dat hij medehouder van het oudere merk was. In herinnering dient te worden gebracht dat de oppositieafdeling verzoekers oppositie heeft toegewezen zonder in te gaan op de kwestie van het houderschap van het oudere merk. Bovendien heeft verzoeker geen beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling, die voor hem immers gunstig was. Zoals het EUIPO ter terechtzitting heeft opgemerkt, hebben de aanvragers in het door hen bij de kamer van beroep ingestelde beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling onmiskenbaar betwist dat verzoeker houder was van het oudere merk. Het ontegensprekelijke feit dat verzoeker zich in zijn bij wijze van antwoord voor de kamer van beroep geformuleerde opmerkingen niet heeft beroepen op regel 15 van verordening nr. 2868/95, neemt evenwel niet weg dat hij niet heeft uitgesloten dat het oudere merk meerdere houders kent. In die zin heeft hij opgemerkt dat zich – bij gebreke van een uitdrukkelijke beslissing over het „gezamenlijke houderschap van het merk” – twee muziekgroepen naast elkaar hebben gevormd, die elk aanspraak maken op het teken QUILAPAYÚN. Het EUIPO kan dan ook niet stellen dat voor het eerst pas voor het Gerecht is verwezen naar het begrip „gezamenlijk houderschap” [zie in die zin arrest van 6 april 2017, Nanu-Nana Joachim Hoepp/EUIPO – Fink (NANA FINK), T‑39/16, EU:T:2017:263, punten 16 en 25].
52
Bijgevolg moet het enige aangevoerde middel worden aanvaard en moet de bestreden beslissing worden vernietigd. Voorts dient in verband met verzoekers vordering die ertoe strekt dat het Gerecht de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk afwijst voor de waren en diensten die behoren tot de klassen 9 en 41, in herinnering te worden gebracht dat de bij artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 72, lid 3, van verordening 2017/1001) aan het Gerecht toegekende bevoegdheid om de bestreden beslissing te wijzigen, niet impliceert dat het Gerecht bevoegd is een kwestie te beoordelen waarover de kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen. De uitoefening van de bevoegdheid tot wijziging moet derhalve in beginsel beperkt blijven tot situaties waarin het Gerecht na toetsing van de beoordeling van de kamer van beroep in staat is om op basis van de elementen, feitelijk en rechtens, zoals deze zijn vastgesteld, te bepalen welke beslissing de kamer van beroep had moeten nemen (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 72). Dienaangaande zij opgemerkt dat de kamer van beroep de bestreden beslissing uitsluitend heeft gebaseerd op het feit dat verzoeker niet had bewezen dat hij de exclusieve houder van het oudere merk was, zonder dat die kamer heeft onderzocht of het niet volstond dat hij medehouder van dat merk was. Het staat dan ook niet aan het Gerecht in casu over te gaan tot het onderzoek van het betoog dat verzoeker rechten op het niet-ingeschreven oudere merk heeft verworven. De op dit betoog gebaseerde vordering van verzoeker tot wijziging van de bestreden beslissing moet bijgevolg worden afgewezen.
Kosten
53
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
54
In casu heeft verzoeker, die in het gelijk is gesteld, evenwel niets gevorderd met betrekking tot de kosten.
55
Derhalve moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten draagt.
HET GERECHT (Vierde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 13 maart 2015 (zaak R 354/2014‑2) wordt vernietigd.
2)
De overige vorderingen van het beroep worden afgewezen.
3)
Elke partij draagt haar eigen kosten.
Kanninen
Schwarcz
Iliopoulos
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 december 2017.
( *1 ) Procestaal: Spaans.
( 1 ) De lijst van de andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO is enkel gehecht aan de versie die aan partijen is betekend.
Full & Egal Universal Law Academy