ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
7 september 2017 ( *1 )
„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk Vermögensmanufaktur – Absolute weigeringsgronden – Beschrijvend karakter – Geen onderscheidend vermogen – Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009”
In zaak T‑374/15,
VM Vermögens-Management GmbH, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Dolde en P. Homann, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door S. Hanne als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:
DAT Vermögensmanagement GmbH, gevestigd te Baldham (Duitsland), vertegenwoordigd door H.‑G. Stache, advocaat,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 29 april 2015 (zaak R 418/2014‑5) inzake een nietigheidsprocedure tussen DAT Vermögensmanagement en VM Vermögens-Management,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Berardis, president, S. Papasavvas en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien het op 9 juli 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 21 september 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,
gezien de op 30 september 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,
gezien de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht,
gezien de nieuwe toewijzing van de zaak aan de Zesde kamer en aan een nieuwe rechter-rapporteur,
gezien de brief van het EUIPO van 15 november 2016, bij het dossier gevoegd bij beslissing van 28 november 2016, en de respectievelijk op 13 en 12 december 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen van verzoekster en interveniënte over deze brief,
na de terechtzitting op 8 maart 2017, waaraan interveniënte niet heeft deelgenomen,
het navolgende
Arrest ( 1 )
I. Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 18 december 2009 heeft verzoekster, VM Vermögens-Management GmbH, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1).
2
Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, is het woordteken Vermögensmanufaktur.
3
De waren waarvoor inschrijving werd aangevraagd, behoorden tot de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij waren voor elk van deze klassen omschreven als volgt:
–
klasse 35: „Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten”;
–
klasse 36: „Verzekeringen; financiële zaken; monetaire zaken; vermogensbeheer, vermogensadvies; makelaardij in onroerende goederen”.
4
Op 8 februari 2011 is de Uniemerkaanvraag in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 26/2011 gepubliceerd. Op 18 mei 2011 is het betrokken merk onder nummer 8770042 ingeschreven.
5
Op 30 juli 2012 heeft interveniënte, DAT Vermögensmanagement GmbH, bij het EUIPO een vordering ingediend tot nietigverklaring van het betwiste merk voor alle diensten waarvoor het was ingeschreven. Ter ondersteuning van haar vordering heeft interveniënte de bijlagen 1 tot en met 6 overgelegd, die worden vermeld in punt 3 van de beslissing van 29 april 2015 (hierna: „bestreden beslissing”), waarbij de vijfde kamer van beroep van het EUIPO haar beroep heeft toegewezen.
6
Deze vordering was gesteund op de nietigheidsgrond bedoeld in artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, juncto artikel 7, lid 1, onder b) en c), van deze verordening.
7
Op 15 januari 2013 heeft verzoekster opmerkingen ingediend, gedateerd 9 januari 2013, en verzocht de vordering tot nietigverklaring in haar geheel af te wijzen. Dienaangaande heeft zij de in punt 5 van de bestreden beslissing vermelde bijlagen 1 tot en met 17 overgelegd.
8
Op 7 juni 2013 heeft interveniënte haar opmerkingen over verzoeksters opmerkingen van 15 januari 2013 ingediend (hierna: „opmerkingen van 7 juni 2013”) en de in punt 3 van de bestreden beslissing vermelde bijlagen 7 tot en met 25 overgelegd. Zij heeft tevens verzocht om termijnverlenging om de extra bewijzen waarvan zij om inzage had verzocht bij het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau), maar die zij nog niet had ontvangen, over te leggen.
[omissis]
10
Op 23 augustus 2013 heeft interveniënte nieuwe opmerkingen ingediend (hierna: „opmerkingen van 23 augustus 2013”) waarbij de in punt 3 van de bestreden beslissing vermelde bijlagen 26 tot en met 30 waren gevoegd. De nietigheidsafdeling heeft deze opmerkingen van interveniënte bij vergissing aangemerkt als opmerkingen van verzoekster en deze op 2 september 2013 als zodanig ter kennis van interveniënte gebracht. Zij heeft beide partijen er tevens van op de hoogte gebracht dat de contradictoire fase van de procedure was beëindigd. Op dezelfde dag heeft de nietigheidsafdeling, die haar vergissing had opgemerkt, haar eerdere mededeling van diezelfde dag aan verzoekster ingetrokken.
11
Op 14 oktober 2013 heeft het EUIPO verzoekster meegedeeld dat het verzoek om termijnverlenging dat interveniënte op 7 juni 2013 had ingediend, was afgewezen omdat interveniënte dit verzoek niet met redenen had omkleed, en dat de opmerkingen van 23 augustus 2013 niet in aanmerking werden genomen. Het EUIPO heeft haar verduidelijkt dat een kopie van interveniëntes brief van 23 augustus 2013 haar louter ter informatie was toegestuurd.
[omissis]
14
Op 10 december 2013 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring in haar geheel afgewezen. In wezen heeft zij haar beslissing met name gebaseerd op het feit dat het Duitse woord „Manufaktur” geen concrete betekenis kon hebben voor de bedoelde diensten, omdat deze immaterieel zijn. Bijgevolg bezat de combinatie van de Duitse woorden „Vermögen” en „Manufaktur” volgens haar op de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag van het betwiste merk (hierna: „relevante datum”) onderscheidend vermogen en kon het geen diensten beschrijven.
15
Op 5 februari 2014 heeft interveniënte krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling. Op 10 april 2014 heeft zij een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep ingediend en de in punt 8 van de bestreden beslissing vermelde documenten overgelegd. Op 25 juni 2014 heeft verzoekster opmerkingen ingediend en de in punt 9 van de bestreden beslissing vermelde documenten overgelegd.
16
Bij de bestreden beslissing heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO interveniëntes beroep toegewezen. In de eerste plaats was zij van oordeel dat de documenten die verzoekster en interveniënte voor haar hadden overgelegd slechts bewijzen waren die de reeds overgelegde bewijzen aanvulden en concretiseerden en dat zij dus van haar beoordelingsbevoegdheid gebruikmaakte om deze te aanvaarden. In de tweede plaats heeft zij geoordeeld dat het betwiste merk beschrijvend was en onderscheidend vermogen miste. Bijgevolg heeft zij de beslissing van de nietigheidsafdeling vernietigd en het betwiste merk nietig verklaard.
[omissis]
III. Conclusies van partijen
18
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
–
de bestreden beslissing te vernietigen;
–
het EUIPO te verwijzen in de kosten.
[omissis]
20
Het EUIPO verzoekt het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten.
21
Interveniënte heeft in de memorie van antwoord formeel geen conclusies ingediend.
II. In rechte
A. Vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing
[omissis]
1. Derde middel: schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009
24
Verzoekster stelt in wezen dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat het betwiste merk voor de bedoelde diensten beschrijvend was in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009. Haar argumenten betreffen, ten eerste, een onjuiste omschrijving van het relevante publiek en, ten tweede, een onjuiste beoordeling bij de perceptie van het betwiste merk, zowel globaal genomen als in alle afzonderlijke elementen ervan beschouwd.
25
Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.
[omissis]
b) Perceptie van het betwiste merk
[omissis]
2) Betekenis van het Duitse woord „Manufaktur”
40
De kamer van beroep heeft in wezen in punt 25 van de bestreden beslissing, onder verwijzing naar de online versie van het Duitse woordenboek Duden, zonder daarbij – klaarblijkelijk als gevolg van een schrijffout – het woord „hoge” over te nemen, aangegeven dat het Duitse woord „Manufaktur” was ontstaan uit de Latijnse woorden „manus” (hand) en „facere” (maken) en een kleine industriële of handelsonderneming aanduidde waar hooggespecialiseerde waren volledig of gedeeltelijk met de hand werden vervaardigd, hetgeen tot een hoge kwaliteit leidde.
41
Hoewel vaststaat dat het Duitse woord „Manufaktur” betrekking heeft op een plaats waar waren worden vervaardigd, betwist verzoekster dat het op de relevante datum, ten eerste, ook een onderneming die diensten verricht kon aanduiden en, ten tweede, kon verwijzen naar geïndividualiseerde diensten van hoge kwaliteit.
42
In de eerste plaats heeft de kamer van beroep in punt 27 van de bestreden beslissing geoordeeld dat interveniënte overtuigend had bewezen dat het Duitse woord „Manufaktur” op de relevante datum kon worden gebruikt voor diensten, met name voor financiële diensten. Zo heeft zij de Duitse woordcombinaties „Finanzmanufaktur” en „Kreditmanufaktur” (hierna respectievelijk: „combinatie ‚Finanzmanufaktur’” en „combinatie ‚Kreditmanufaktur’”) vermeld.
43
Opgemerkt zij dat interveniënte, als bijlage bij de opmerkingen van 7 juni 2013, verschillende in punt 3 van de bestreden beslissing vermelde elementen heeft aangebracht, die aantonen dat het Duitse woord „Manufaktur” op de relevante datum werd gebruikt voor diensten, inzonderheid financiële diensten. Zo heeft interveniënte de bijlagen 10, 11, en 18 tot en met 21 overgelegd, waaruit blijkt dat de combinatie „Finanzmanufaktur” en de combinatie „Kreditmanufaktur” ruim vóór deze datum werden gebruikt.
44
Verzoekster voert nochtans aan dat rekening moet worden gehouden met het feit dat het relevante publiek bestaat uit het grote publiek, terwijl de bijlagen 10, 11 en 20 bij de opmerkingen van 7 juni 2013 afkomstig zijn uit de gespecialiseerde financiële pers en de bijlagen 18 en 19 uit in het Duits vertaalde Engelse gespecialiseerde werken komen. Dienaangaande moet ten eerste worden overwogen dat het feit dat het Duitse woord „Manufaktur” in de gespecialiseerde pers verschijnt, niet betekent dat het relevante publiek niet in staat zal zijn het verband tussen dit woord en diensten waar te nemen. Gelet op de bedoelde diensten, van de klassen 35 en 36, kan het relevante publiek immers, ook al bestaat het deels uit het grote publiek (zie punten 36 en 37 hierboven), de gespecialiseerde pers, inzonderheid de financiële pers, lezen. Ten tweede blijkt uit de bijlagen 18 en 19 bij de opmerkingen van 7 juni 2013 niet dat het vertalingen betreft. In ieder geval wordt het woord „Manufaktur” in deze in het Duits opgestelde documenten gebruikt in verband met diensten.
45
Bovendien is verzoeksters argument dat de combinatie „Finanzmanufaktur” in de bijlagen 11 en 17 bij de opmerkingen van 7 juni 2013 tussen aanhalingstekens of als ondernemingsnaam werd gebruikt, hetgeen het beschrijvende karakter ervan niet kan aantonen, niet relevant. De vraag is immers of het Duitse woord „Manufaktur” op de relevante datum kon worden gebruikt voor diensten. Uit deze bijlagen blijkt dat dit – bovendien voor financiële diensten – het geval was. Om dezelfde reden zijn het argument dat de Duitse woordcombinatie „Vermögensmanufaktur” (hierna: „combinatie ‚Vermögensmanufaktur’”) niet voorkomt in de vermelde voorbeelden en het argument dat de betekenis van de Duitse termen „Finanz” en „Kredit”, die samen met het Duitse woord „Manufaktur” worden gebruikt, concreter is dan de betekenis van het Duitse woord „Vermögen” dat samen met laatstgenoemde term wordt gebruikt, niet relevant.
46
Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de kamer van beroep in punt 27 van de bestreden beslissing terecht heeft kunnen oordelen dat het Duitse woord „Manufaktur” op de relevante datum met diensten kon worden geassocieerd.
47
In de tweede plaats heeft de kamer van beroep in punt 27 van de bestreden beslissing geoordeeld dat interveniënte overtuigend had bewezen dat op de relevante datum sprake was van gebruik van het Duitse woord „Manufaktur” als verband houdend met geïndividualiseerde diensten van hoge kwaliteit.
48
Volgens verzoekster is het echter niet bewezen dat het Duitse woord „Manufaktur” de belofte van geïndividualiseerde of hoogkwalitatieve waren inhoudt. Dit betoog moet evenwel worden afgewezen.
49
Ten eerste heeft de kamer van beroep, aangaande de verwijzing naar een hoge kwaliteit in punt 25 van de bestreden beslissing, onder verwijzing naar de online versie van het Duitse woordenboek Duden, in wezen aangegeven dat het Duitse woord „Manufaktur” een kleine onderneming aanduidde waar hooggespecialiseerde waren volledig of gedeeltelijk met de hand werden vervaardigd, hetgeen tot een hoge kwaliteit leidde (zie punt 40 hierboven). Verzoekster stelt deze omschrijving uit dit woordenboek niet ter discussie. De kamer van beroep heeft weliswaar niet aangegeven dat deze omschrijving op de relevante datum bestond, maar opgemerkt zij dat zowel verzoekster als interveniënte uittreksels uit de online versie van het Duitse woordenboek Duden van 2012 heeft overgelegd, die een omschrijving van het Duitse woord „Manufaktur” bevatten die identiek was aan de door de kamer van beroep in aanmerking genomen omschrijving, met de vermelding van de term „hoge”. Bovendien blijkt uit een vergelijking van de zesde en de zevende editie van de papieren versie van het Duitse woordenboek Duden, respectievelijk van 2006 en 2011, dat de verwijzing naar een hoge kwaliteit in laatstgenoemde versie is toegevoegd. Bijgevolg dient, wanneer net als het EUIPO rekening wordt gehouden met het feit dat de betekenis van een term in de loop van de tijd evolueert en dat een nieuwe editie van een woordenboek een voorbereidings- en redactietijd veronderstelt, te worden overwogen dat de evolutie van de betekenis van het Duitse woord „Manufaktur” noodzakelijkerwijze ruim vóór 2011 heeft plaatsgevonden.
50
Ten tweede, aangaande de verwijzing naar geïndividualiseerde producten, kwam in het Duitse woord „Manufaktur” – aangezien vaststaat dat het op de relevante datum verwees naar het idee van handarbeid – het idee tot uiting dat de productie meer geïndividualiseerd was dan bij een productie in een fabriek en aan de lopende band. In bijlage 10 bij de opmerkingen van 7 juni 2013, die bestond in een krantenartikel van 15 juni 2009, wordt de Duitse woordcombinatie „Finanzmanufakturen” bovendien vermeld met een connotatie die het verschil markeert tussen een productie in een fabriek en aan de lopende band enerzijds en een productie in een manufactuur anderzijds. Daarenboven blijkt het idee van een evolutie van een productie in een manufactuur naar een productie in een fabriek, en bijgevolg aan de lopende band en minder geïndividualiseerd, ook uit bijlage 21 bij de opmerkingen van 7 juni 2013, die dateert uit 2007, waarin melding wordt gemaakt van de Duitse uitdrukkingen „Industrialisierung der Kreditprozesse” (industrialisatie van de kredietprocessen), „Die Kreditmanufaktur als Ausgangbasis” (de kredietmanufactuur als uitgangspunt) en „Von der Kreditmanufaktur zur Kreditfabrik” (van kredietmanufactuur tot kredietfabriek). Ten slotte blijkt het idee van een meer geïndividualiseerde productie die de banken moeten aanbieden uit de bijlagen 18 en 19 bij de opmerkingen van 7 juni 2013, met informatie uit de jaren 1927 en 1981, volgens welke, in wezen, de banken geen centra voor financiële bemiddeling moeten zijn, maar kredietmanufacturen.
51
Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden geoordeeld dat er elementen bestaan van vóór en na de relevante datum die de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen definitie van het Duitse woord „Manufaktur” bevestigen. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat zonder onjuiste rechtsopvatting rekening kon worden gehouden met elementen die, hoewel zij dateren van na de datum van de indiening van de inschrijvingsaanvraag, een oordeel toelieten over de situatie zoals zij op die datum zelf bestond (zie arrest van 6 maart 2014, Pi-Design e.a./Yoshida Metal Industry, C‑337/12 P–C‑340/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:129, punt 60en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin beschikking van 5 oktober 2004, Alcon/BHIM, C‑192/03 P, EU:C:2004:587, punt 41).
52
Bijgevolg heeft de kamer van beroep geen blijk gegeven van een onjuiste beoordeling door, in wezen, te oordelen dat het Duitse woord „Manufaktur” in de oorspronkelijke betekenis ervan weliswaar een onderneming aanduidde waar producten met de hand werden vervaardigd, maar dit woord op de relevante datum ook verwees naar het idee van een geïndividualiseerde productie van hoge kwaliteit en kon worden gebruikt voor diensten.
[omissis]
HET GERECHT (Zesde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
VM Vermögens-Management GmbH zal haar eigen kosten dragen en die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).
3)
DAT Vermögensmanagement GmbH zal haar eigen kosten dragen.
Berardis
Papasavvas
Spineanu-Matei
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 september 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy