ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
20 september 2017 ( *1 )
„Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniebeeldmerk BADTORO – Oudere Uniewoord- en beeldmerken TORO – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Overeenstemmende tekens – Soortgelijke waren en diensten – Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009” – Opschorting van de administratieve procedure – Regel 20, lid 7, onder c), van verordening (EG) nr. 2868/95”
In zaak T‑386/15,
Jordi Nogues, SL, gevestigd te Barcelona (Spanje), vertegenwoordigd door M. J. Sanmartín Sanmartín en E. López Parés, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door J. Crespo Carrillo als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:
Grupo Osborne, SA, gevestigd te El Puerto de Santa María (Spanje), vertegenwoordigd door J. M. Iglesias Monravá, advocaat,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 17 april 2015 (zaak R 2570/2013‑2) inzake een oppositieprocedure tussen Grupo Osborne en Jordi Nogues,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, I. Ulloa Rubio en A. Marcoulli (rapporteur), rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien het op 10 juli 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 30 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,
gezien de op 25 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,
na de terechtzitting op 15 december 2016,
gezien de beschikking van 15 februari 2017 tot heropening van de mondelinge behandeling,
gezien de schriftelijke vraag die het Gerecht op 16 februari 2017 partijen heeft gesteld, en de antwoorden op die vraag die ter griffie van het Gerecht zijn neergelegd door verzoekster, het EUIPO en interveniënte op 6, 1 en 6 maart 2017 respectievelijk,
gezien het besluit van 8 maart 2017 tot sluiting van de mondelinge behandeling,
het navolgende
Arrest ( 1 )
[omissis]
Conclusies van partijen
11
Verzoekster concludeert tot:
–
vernietiging van de bestreden beslissing;
–
verwijzing van het EUIPO in de kosten.
12
Het EUIPO en interveniënte verzoeken het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
[omissis]
14
Het onderzoek van de vraag of de kamer van beroep blijk van een onjuiste opvatting heeft gegeven door de bij haar aanhangige procedure niet op te schorten, gaat aan het onderzoek naar het bestaan van verwarringsgevaar van het aangevraagde merk met het oudere merk vooraf [arrest van 25 november 2014, Royalton Overseas/BHIM – S.C. Romarose Invest (KAISERHOFF), T‑556/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:985, punt 52]. Daarom dient eerst het eerste middel te worden onderzocht.
Eerste middel: onrechtmatigheid van de weigering van opschorting van de procedure bij de kamer van beroep
[omissis]
16
In dit stadium zij opgemerkt dat verzoekster zowel de oppositieafdeling als de kamer van beroep had verzocht om opschorting van de procedure in afwachting van de beslissing van de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante (eerste handelsrechter Alicante). Bij deze rechter, zijnde de rechter voor het Uniemerk, was een reconventionele vordering ingesteld tot nietigverklaring van de oudere Uniewoordmerken TORO, die op naam van interveniënte zijn ingeschreven onder de nummers 2844264 en 1722362. Verzoekster had deze reconventionele vordering ingediend naar aanleiding van het door interveniënte ingestelde beroep tot nietigverklaring van het Spaanse woordmerk BADTORO, dat onder nummer 2782026 is ingeschreven ter aanduiding van waren en diensten van de klassen 25 en 35.
17
Dienaangaande zij vastgesteld dat de door verzoekster ingestelde reconventionele vordering tot nietigverklaring geen betrekking had op een van de oudere merken op basis waarvan interveniënte oppositie had ingesteld tegen de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk voor de waren van klasse 32. Deze nationale procedure was dus van geen belang voor het onderzoek van de oppositie die interveniënte had ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de waren van klasse 32.
18
Bijgevolg zou de onrechtmatigheid van de weigering van opschorting, gesteld dat die zou zijn aangetoond, de bestreden beslissing niet kunnen aantasten voor zover zij betrekking heeft op de oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de waren van klasse 32. In zoverre kan het middel dus niet slagen.
19
Daarentegen moeten de verschillende onderdelen van het middel worden onderzocht voor zover die betrekking hebben op de beslissing inzake de oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de diensten van klasse 35. Het Gerecht is van oordeel dat allereerst moet worden ingegaan op het vierde onderdeel van het eerste middel inzake de onjuiste feitelijke opvattingen waarvan bij de weigering van opschorting blijk is gegeven.
20
Dienaangaande zij opgemerkt dat regel 20, lid 7, onder c), van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1), die overeenkomstig regel 50, lid 1, van deze verordening van toepassing is op de procedures bij de kamer van beroep, bepaalt dat het EUIPO de oppositieprocedure kan opschorten wanneer een opschorting in de gegeven omstandigheden passend is.
21
Volgens de rechtspraak beschikt de kamer van beroep over een ruime beoordelingsvrijheid om de beroepsprocedure al dan niet op te schorten. Opschorting blijft een mogelijkheid voor de kamer van beroep, die daarvan slechts gebruikmaakt wanneer dit haar passend lijkt. De procedure bij de kamer van beroep wordt dus niet automatisch opgeschort ingeval een partij deze kamer daarom verzoekt (arrest van 25 november 2014, KAISERHOFF, T‑556/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:985, punt 30).
22
Dat de kamer van beroep over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt om een bij haar aanhangige procedure al dan niet op te schorten, betekent niet dat haar beslissing niet aan het rechterlijke toezicht van de rechter van de Europese Unie is onderworpen. Wel is dit toezicht ten gronde beperkt tot het ontbreken van kennelijk onjuiste beoordelingen of misbruik van bevoegdheid [arresten van 25 november 2014, KAISERHOFF, T‑556/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:985, punt 31, en 21 oktober 2015, Petco Animal Supplies Stores/BHIM – Gutiérrez Ariza (PETCO), T‑664/13, EU:T:2015:791, punt 32].
23
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat, ook al zou bewezen zijn dat voor een nationale rechter beroep was ingesteld ter betwisting van het oudere merk waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, dit bewijs op zich niet volstaat om de weigering van de kamer van beroep om de procedure op te schorten, als een kennelijk onjuiste beoordeling te beschouwen. Bij de uitoefening van haar beoordelingsvrijheid tot opschorting van de procedure moet de kamer van beroep immers de algemene beginselen van een billijke procesvoering binnen een rechtsgemeenschap eerbiedigen. Bij de uitoefening van deze vrijheid moet zij dus niet alleen rekening houden met het belang van de partij wier Uniemerkaanvraag wordt betwist, maar ook met dat van de andere partijen. De beslissing om de procedure al dan niet op te schorten moet het resultaat zijn van een belangenafweging (zie arrest van 25 november 2014, KAISERHOFF, T‑556/12 R, niet gepubliceerd, EU:T:2014:985, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
In casu blijkt uit de bewoordingen van de bestreden beslissing dat de kamer van beroep heeft opgemerkt dat de oppositieafdeling het verzoek tot opschorting had afgewezen op grond dat de oppositie was gebaseerd op twee andere oudere Uniemerken en een ouder Spaans merk, die op nationaal niveau niet werden betwist. Bovendien heeft de kamer van beroep geoordeeld dat opschorting van de procedure niet langer hoefde, aangezien de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante de reconventionele vordering van verzoekster had afgewezen bij een definitief geworden arrest, volgens hetgeen interveniënte stelde zonder op dit punt te worden weersproken. Interveniënte had de kamer van beroep in haar opmerkingen van 30 mei 2014 op de hoogte gebracht van het bestaan van dat arrest, met de precisering dat zij naderhand het bewijs zou leveren dat dit arrest definitief was geworden.
25
Weliswaar heeft de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante bij arrest van 15 mei 2014 zowel de vordering tot nietigverklaring van het onder nummer 2782026 ingeschreven Spaanse woordmerk BADTORO als verzoeksters reconventionele vordering afgewezen, maar tegen dit arrest is hoger beroep ingesteld. Het arrest is bevestigd door de Audiencia Provincial de Alicante (gerechtshof Alicante, Spanje) bij arrest van 15 januari 2015, waartegen elke partij bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) hogere voorziening heeft ingesteld, die op de datum van de bestreden beslissing nog aanhangig was.
26
Hieruit volgt dat de kamer van beroep haar afwijzing van het verzoek tot opschorting heeft gebaseerd op het feit dat het arrest van de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante definitief was geworden, terwijl ertegen was opgekomen in hoger beroep.
27
Zoals het EUIPO stelt, was met verzoekster weliswaar overeengekomen, aangezien op haar initiatief was verzocht om opschorting van de procedure, dat zij het EUIPO op de hoogte zou houden van het verloop van de nationale procedure. Verzoeksters stilzwijgen op dit punt, hoe betreurenswaardig ook, kan evenwel het bestaan van een onjuiste feitelijke opvatting waarbij bij de weigering van opschorting blijk is gegeven, niet opnieuw ter discussie stellen en evenmin een fout harerzijds uitmaken die haar de mogelijkheid kan ontnemen zich op deze onrechtmatigheid te beroepen.
28
Gelet op deze omstandigheden kan verzoekster op goede grond aanvoeren dat de weigering van opschorting door de kamer van beroep op onjuiste feiten berust.
29
Het EUIPO en interveniënte voeren evenwel aan dat deze onjuiste feitelijke opvatting de bestreden beslissing niet aantast, aangezien zij geen enkele invloed op deze beslissing had. Zo stellen zij dat, aangezien de oppositie ook was gebaseerd op drie andere merken die in het kader van de reconventionele vordering niet werden betwist, de bestreden beslissing niet anders zou hebben geluid wanneer de vordering tot nietigverklaring van het betrokken Uniemerk zou zijn toegewezen.
30
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de kamer van beroep uit proceseconomische overwegingen het gevaar van verwarring van de conflicterende tekens ter aanduiding van de diensten van klasse 35 enkel heeft onderzocht uitgaande van het oudere Uniewoordmerk nr. 1722362. Tegen dat merk was echter een reconventionele vordering tot nietigverklaring ingesteld, die op de datum van de beslissing nog bij de Tribunal Supremo aanhangig was. Deze omstandigheid rechtvaardigde dat de kamer van beroep haar beoordelingsvrijheid op basis van een belangenafweging zou uitoefenen teneinde te beslissen om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om de procedure op te schorten. Aangezien zij ten onrechte heeft geoordeeld dat het arrest van de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante definitief was geworden, heeft zij dat onderzoek evenwel niet verricht.
31
Voor zover het Gerecht toezicht uitoefent op de rechtmatigheid van de beslissingen van de instanties van het EUIPO, kan het bovendien zijn eigen motivering niet in de plaats kan stellen van die van de bevoegde instantie van het EUIPO, die de auteur van de bestreden handeling is [arrest van 9 september 2010, Axis/BHIM – Etra Investigación y Desarrollo (ETRAX), T‑70/08, EU:T:2010:375, punt 29]. Bijgevolg kan het Gerecht het bestaan van verwarringsgevaar niet beoordelen uitgaande van een merk dat het EUIPO niet in aanmerking heeft genomen.
32
De omstandigheid dat de oppositie, voor de diensten van klasse 35, ook gebaseerd was op het oudere Spaanse beeldmerk nr. 2919417, kan, aangezien het verwarringsgevaar niet uitgaande van dat merk in de bestreden beslissing is onderzocht, derhalve niet bewijzen dat de onjuiste feitelijke opvatting waarvan de kamer van beroep blijk heeft gegeven, geen concrete invloed op die beslissing heeft gehad.
33
Zonder dat het Gerecht zich over de overige onderdelen van het eerste middel behoeft uit te spreken en aangezien – zoals in punt 14 supra is uiteengezet – het onderzoek van de rechtmatigheid van de opschorting van de procedure voorafgaat aan het onderzoek naar het bestaan van verwarringsgevaar van het aangevraagde merk met het oudere merk, dient het eerste middel derhalve te worden toegewezen en dient de bestreden beslissing inzake het aangevraagde merk dus te worden vernietigd voor zover dat merk de diensten van klasse 35 aanduidt.
[omissis]
HET GERECHT (Zevende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 17 april 2015 (zaak R 2570/2013‑2) wordt vernietigd.
2)
Het EUIPO zal zijn eigen kosten en die van Jordi Nogues, SL dragen.
3)
Grupo Osborne, SA zal haar eigen kosten dragen.
Van der Woude
Ulloa Rubio
Marcoulli
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 september 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy