ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
20 november 2017 ( *1 )
„Lid van het Europees Parlement – Weigering van toegang tot de gebouwen van het Parlement – Onderdaan van een derde staat – Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten – Discriminatie op grond van etnische afkomst – Discriminatie op grond van nationaliteit – Ontvankelijkheid van een middel – Discriminatie op grond van politieke denkbeelden – Gelijke behandeling – Misbruik van bevoegdheid”
In zaak T‑452/15,
Andrei Petrov, wonende te Sint-Petersburg (Rusland),
Fedor Biryukov, wonende te Moskou (Rusland),
Alexander Sotnichenko, wonende te Sint-Petersburg,
allen vertegenwoordigd door P. Richter, advocaat,
verzoekers,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door N. Görlitz en M. Windisch als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 16 juni 2015 houdende weigering om verzoekers toegang tot zijn gebouwen te verlenen,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, L. Calvo-Sotelo Ibáñez-Martín (rapporteur) en I. Reine, rechters,
griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 januari 2017,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Bij de verkiezingen van 25 mei 2014 is de heer Udo Voigt, verzoeker in de onder nummer T‑618/15 bij de griffie van het Gerecht ingeschreven zaak, gekozen tot lid van het Europees Parlement. Hij stond op de lijst van een Duitse partij, de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD). Sindsdien heeft hij als niet-fractiegebonden lid zitting in het Parlement.
2
Op 22 maart 2015 heeft te Sint-Petersburg (Rusland) onder de naam „Russisch nationaal forum” een politiek symposium plaatsgevonden. De Russische partij Rodina heeft Voigt hiervoor uitgenodigd en de drie verzoekers, Andrei Petrov, Fedor Biryukov en Alexander Sotnichenko, hebben hieraan deelgenomen.
3
In het verlengde van dit symposium heeft een medewerker van Voigt per e-mail van 3 juni 2015 de persdienst van het Parlement geïnformeerd over het voornemen van de afgevaardigde om op 16 juni 2015 een persconferentie te houden met als titel „Ons optreden om een koude en warme oorlog in Europa te voorkomen” (hierna: „persconferentie”). Deze persconferentie moest plaatsvinden in aanwezigheid van zes deelnemers, te weten Voigt, een Grieks Parlementslid, een Italiaans en een Brits oud-lid alsmede Petrov en Biryukov, allebei Russisch onderdaan en lid van de Russische partij Rodina. Ten behoeve van deze persconferentie heeft deze medewerker van Voigt verzocht dat een zaal van het Parlement alsmede voorzieningen voor vertolking ter beschikking zouden worden gesteld.
4
Nog steeds in het verlengde van het symposium „Russisch nationaal forum” heeft de medewerker van Voigt op 9 juni 2015 het directoraat-generaal (DG) Veiligheid van het Parlement, dat verantwoordelijk is voor accreditaties, verzocht om toegangspasjes voor 21 personen, onder wie vijf Russische onderdanen, te weten de drie verzoekers alsmede E. N. en P. E., ter voorbereiding op een tweede evenement, namelijk een werkbijeenkomst met als titel „Bijeenkomst over de Europese samenwerking”, die eveneens voor 16 juni 2015 gepland stond (hierna: „werkbijeenkomst”).
5
Eveneens op 9 juni 2015 heeft DG Veiligheid per e-mail de ontvangst van het accreditatieverzoek bevestigd. Deze ontvangstbevestiging bevatte een referentienummer waarmee de toegangspasjes op 16 juni 2015 konden worden afgehaald en een bijlage waarin werd bevestigd dat het evenement in overeenstemming was met de veiligheidsvoorschriften, maar waarin ook kenbaar werd gemaakt dat de organisator niet was vrijgesteld van de gebruikelijke autorisatieprocedure.
6
Op nog altijd 9 juni 2015 heeft de persdienst de medewerker van Voigt per e-mail geïnformeerd dat de politieke autoriteiten opdracht hadden gegeven Voigt de ten behoeve van de persconferentie gevraagde voorzieningen niet ter beschikking te stellen (hierna: „e-mail van de persdienst”). In deze e-mail werd verwezen naar de toegangsbeperkingen die de instelling Russische politici en diplomaten had opgelegd en naar het risico dat de aanwezigheid van Petrov en Biryukov de werkzaamheden van de instelling zou ontregelen.
7
Op 10 juni 2015 heeft het Parlement een resolutie aangenomen over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland [2015/2001 (INI)] (PB 2016, C 407, blz. 35; hierna: „resolutie van 10 juni 2015”), waarover sinds 15 januari daaraan voorafgaande werd gedebatteerd.
8
Op 16 juni 2015 heeft de medewerker van Voigt de toegangspasjes voor de aan de werkbijeenkomst deelnemende genodigden opgehaald. In de loop van de ochtend heeft de afdeling Accreditatie van DG Veiligheid Voigt er evenwel per e-mail kennis van gegeven dat, gezien de lijst van deelnemers aan deze bijeenkomst en op grond van de instructies van het kabinet van de voorzitter van het Parlement, aan de vijf Russische onderdanen, onder wie verzoekers, de toegang tot de gebouwen van de instelling werd geweigerd (hierna: „bestreden besluit”).
Procedure en conclusies van partijen
9
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 augustus 2015 hebben verzoekers het onderhavige beroep tegen het Parlement en zijn voorzitter ingesteld.
10
Bij beschikking van 18 september 2015, Petrov e.a./Parlement en voorzitter van het Parlement (T‑452/15, niet gepubliceerd, EU:T:2015:709), heeft het Gerecht het beroep verworpen voor zover het was gericht tegen de voorzitter van het Parlement.
11
Op 12 januari 2016 hebben verzoekers een repliek neergelegd en op 25 februari daaropvolgend heeft het Parlement een dupliek ingediend.
12
Verzoekers verzoeken het Gerecht:
– het bestreden besluit nietig te verklaren;
– het Parlement te verwijzen in de kosten.
13
Het Parlement verzoekt het Gerecht:
– het beroep ongegrond te verklaren;
– verzoekers te verwijzen in de kosten.
14
Het Gerecht heeft bij brief van 7 december 2016 het Parlement maatregelen tot organisatie van de procesgang betekend, waarop het Parlement op 21 december daaropvolgend heeft geantwoord.
In rechte
Ontvankelijkheid van de repliek
15
In de dupliek heeft het Parlement twijfels geuit over de ontvankelijkheid van de repliek omdat deze weinig samenhangende overwegingen en verwijzingen bevatte en het verband tussen de repliek en de middelen van het verzoekschrift onduidelijk was.
16
Op grond van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het verzoekschrift met een repliek worden aangevuld. Uit punt 142 van de praktische uitvoeringsbepalingen voor dit Reglement volgt bovendien dat „[a]angezien het kader en de middelen of grieven die in het geschil centraal staan reeds uitgebreid zullen zijn uiteengezet […] in het verzoekschrift […], de repliek […] tot doel [heeft] om de verzoeker […] de gelegenheid te bieden [zijn] standpunt nader te omschrijven of [zijn] betoog ten aanzien van een belangrijke vraag aan te scherpen en om te antwoorden op nieuwe punten in het verweerschrift […].”
17
In het onderhavige geval bevat de repliek weliswaar dubbelzinnigheden, maar zij voldoet over het geheel genomen aan de bovenbeschreven doelstellingen. Bovendien zou, gesteld al dat zij aanvullende grieven bevat die als nieuwe middelen moeten worden beschouwd, deze omstandigheid niet rechtvaardigen dat deze memorie in haar geheel buiten beschouwing moet worden gelaten. Deze omstandigheid zou enkel ertoe leiden dat de ontvankelijkheid van de grieven in kwestie ter discussie wordt gesteld, wat in het kader van het onderzoek van elk betrokken middel moet worden getoetst.
18
Bijgevolg moet de repliek als ontvankelijk worden aangemerkt.
Ten gronde
Opmerkingen vooraf
19
In het verzoekschrift voeren verzoekers twee middelen aan, het eerste ontleend aan „schending van de Verdragen” en het tweede aan misbruik van bevoegdheid.
20
Op grond van artikel 263, tweede alinea, VWEU juncto artikel 256, lid 1, eerste alinea, van dat Verdrag is het Gerecht bevoegd uitspraak te doen over beroepen wegens schending van de Verdragen.
21
In artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering wordt evenwel bepaald dat het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, moeten volgens vaste rechtspraak met name de wezenlijke aspecten van het recht op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken [arrest van 29 september 2016, Bach Flower Remedies/EUIPO – Durapharma (RESCUE), T‑337/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:578, punten 50 en 51]. Derhalve hoeft de verzoekende partij weliswaar niet expliciet aan te geven welk specifiek rechtsvoorschrift aan haar grief ten grondslag ligt, maar haar betoog moet voldoende duidelijk zijn opdat de tegenpartij en de rechter van de Unie daaruit zonder meer kunnen opmaken om welk voorschrift het gaat (zie in die zin arresten van 10 mei 2006, Galileo International Technology e.a./Commissie,T‑279/03, EU:T:2006:121, punt 47, en van 13 november 2008, SPM/Raad en Commissie, T‑128/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:494, punt 65).
22
Uit bovengenoemde bepalingen volgt dat „schending van de Verdragen” slechts een algemeen geval is van instelling van een beroep tot nietigverklaring waarvan het Gerecht kennis kan nemen, maar niet de rechtsgrondslag van een middel kan vormen (zie in die zin arrest van 27 november 1997, Tremblay e.a./Commissie, T‑224/95, EU:T:1997:187, punten 80 en 81).
23
Onderzocht moet dus worden of het eerste middel berust op een rechtsgrondslag die nauwkeuriger is dan het enkele inroepen van „schending van de Verdragen”.
24
In de onderhavige zaak volgt uit de inhoud van het verzoekschrift en de bijgevoegde samenvatting, die bij de beoordeling van het verzoekschrift in aanmerking kan worden genomen (arresten van 25 oktober 2007, Komninou e.a./Commissie, C‑167/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:633, punten 25 en 26, en van 12 april 2016, CP/Parlement, F‑98/15, EU:F:2016:76, punt 16), dat verzoekers hun eerste middel in werkelijkheid baseren op schending van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Meer bepaald voeren zij daarin discriminatie op grond van hun etnische afkomst alsmede niet-naleving van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit aan.
25
In de repliek beweren verzoekers bovendien dat zij het slachtoffer zijn van discriminatie op grond van hun politieke denkbeelden. Zij stellen bovendien dat het algemene gelijkheidsbeginsel is geschonden aangezien zij anders zijn behandeld dan de overige bezoekers en gasten van het Parlement.
26
Ten slotte wordt zowel in het verzoekschrift als in de repliek erop gezinspeeld dat het bestreden besluit onevenredig is. Meteen al dient te worden vastgesteld of dit een autonoom middel is.
27
Anders dan het Parlement suggereert, leidt het evenredigheidsbeginsel weliswaar een zelfstandig bestaan, maar het kan ook een bestanddeel van het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel zijn. Zo is geoordeeld dat op grond van het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel een verschil in behandeling gerechtvaardigd moet zijn op basis van een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen verband moet houden met een rechtens toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding moet staan tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (arresten van 17 oktober 2013, Schaible, C‑101/12, EU:C:2013:661, punt 77; van 23 maart 1994, Huet/Rekenkamer, T‑8/93, EU:T:1994:35, punt 45, en van 30 januari 2003, C/Commissie, T‑307/00, EU:T:2003:21, punt 49). Verzoekers hebben, nadat hun hierover ter terechtzitting vragen waren gesteld, bevestigd dat in de onderhavige zaak de bewering dat het bestreden besluit onevenredig is geen afzonderlijk middel vormt.
28
Gelet op een en ander moeten worden onderzocht:
– in de eerste plaats het middel dat artikel 21 van het Handvest is geschonden doordat het bestreden besluit discriminatie van verzoekers op grond van hun etnische afkomst of nationaliteit inhoudt;
– in de tweede plaats het middel dat artikel 21, lid 1, van het Handvest is geschonden doordat verzoekers door het bestreden besluit worden gediscrimineerd op grond van hun politieke denkbeelden, en dat het algemene gelijkheidsbeginsel is geschonden;
– in de derde plaats het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid.
29
Verder hebben verzoekers in antwoord op een vraag van het Gerecht uiteengezet dat zij in wezen bekend waren met de politieke context zoals die bestond toen zij bij het Parlement aankwamen en dat Voigt hun opheldering had gegeven over het bestreden besluit. Overigens hebben verzoekers als bijlage bij het verzoekschrift een kopie van dit besluit gevoegd alsmede de e-mail waarmee de persdienst de medewerker van Voigt informeerde dat de ten behoeve van de persconferentie gevraagde voorzieningen hem niet ter beschikking zouden worden gesteld wegens de toegangsbeperkingen die de instelling Russische politici en diplomaten had opgelegd alsmede wegens het risico dat de aanwezigheid van Petrov en Biryukov de werkzaamheden van de instelling zou ontregelen.
30
Tegen de achtergrond van een en ander dient het beroep te worden onderzocht.
Het middel dat artikel 21 van het Handvest is geschonden doordat het bestreden besluit discriminatie van verzoekers op grond van hun etnische afkomst of nationaliteit inhoudt
31
Verzoekers stellen dat zij geen enkel risico vormden voor het normale verloop van de werkzaamheden van het Parlement noch voor de veiligheid van deze instelling. Bij gebreke van een objectief doel vormt het bestreden besluit discriminatie op grond van hun nationaliteit of etnische afkomst en is bijgevolg artikel 21 van het Handvest geschonden. Zelfs al zouden sommige Russische onderdanen wel degelijk een risico voor de goede werking van het Parlement vormen, dan zou het bovendien voldoende zijn geweest om het toegangsverbod tot hen te beperken.
32
Het Parlement betoogt dat het middel ongegrond is.
33
Krachtens artikel 21, lid 1, van het Handvest is iedere discriminatie, onder meer op grond van etnische afkomst, verboden. Volgens lid 2 van hetzelfde artikel is binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit eveneens verboden.
34
Aangezien verzoekers geen duidelijk onderscheid maken tussen de twee door hen ingeroepen vormen van discriminatie, moet eraan worden herinnerd dat indien in een tekst met algemene strekking twee verschillende begrippen worden gebruikt, redenen die verband houden met samenhang en rechtszekerheid zich ertegen verzetten dat deze begrippen dezelfde strekking krijgen. Dit geldt des te meer indien de begrippen, zoals in het onderhavige geval, in het normale taalgebruik een verschillende betekenis hebben (arresten van 25 september 2013, Marques/Commissie, F‑158/12, EU:F:2013:135, punt 28, en van 14 mei 2014, Cocco/Commissie, F‑17/13, EU:F:2014:92, punt 33).
35
Zo heeft nationaliteit betrekking op een juridische en politieke band tussen een individu en een soevereine staat, terwijl het begrip etnische afkomst voortspruit uit de gedachte dat maatschappelijke groepen het gevoel delen dat zij tot dezelfde natie behoren of een gemeenschappelijke religie, taal, culturele en traditionele achtergrond en leefomgeving delen (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria, C‑83/14, EU:C:2015:480, punt 46).
36
Aangaande het verbod van discriminatie op grond van etnische afkomst stelt het Parlement dat Rusland meer dan 185 verschillende etnische groepen kent. Verzoekers, die zich uitsluitend beroepen op hun Russische nationaliteit, hebben niet aangegeven dat zij tot een specifieke etnische groep behoren. Zij hebben al helemaal niet gesteld dat het bestreden besluit is vastgesteld op grond van het behoren tot een bepaalde etnische groep.
37
Hieruit volgt dat verzoekers niet hebben aangetoond dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 21, lid 1, van het Handvest en dat zij dus niet kunnen stellen te zijn gediscrimineerd op grond van een specifieke etnische afkomst.
38
Aangaande het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit moet eraan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, derde alinea, VEU en artikel 52, lid 7, van het Handvest bij de uitlegging van dit laatste de toelichtingen hierbij (PB 2007, C 303, blz. 17) in acht moeten worden genomen.
39
Artikel 21, lid 2, van het Handvest „stemt overeen met artikel 18, eerste alinea, [VWEU] en moet in overeenstemming daarmee worden toegepast”, zo volgt uit de toelichtingen bij het Handvest. Voorts worden volgens artikel 52, lid 2, van het Handvest de hierin erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld. Hieruit volgt dat artikel 21, lid 2, van het Handvest aldus dient te worden gelezen dat het dezelfde strekking heeft als artikel 18, eerste alinea, VWEU.
40
Artikel 18, eerste alinea, VWEU bepaalt dat „[b]innen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, […] elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden [is]”. Deze bepaling is opgenomen in het tweede deel van het Verdrag, met als opschrift „Non-discriminatie en burgerschap van de Unie”. Zij ziet op onder de werkingssfeer van het Unierecht vallende situaties waarin een onderdaan van een lidstaat enkel op grond van zijn nationaliteit discriminerend wordt behandeld ten opzichte van onderdanen van een andere lidstaat. Dit artikel vindt dientengevolge geen toepassing in het geval van een eventueel verschil in behandeling tussen onderdanen van de lidstaten en onderdanen van derde landen (zie in die zin arresten van 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze, C‑22/08 en C‑23/08, EU:C:2009:344, punten 51 en 52, en van 7 april 2011, Francesco Guarnieri & Cie, C‑291/09, EU:C:2011:217, punt 20).
41
Derhalve kunnen verzoekers, die de Russische nationaliteit hebben, zich niet beroepen op artikel 21, lid 2, van het Handvest.
42
Gelet op een en ander moet het middel dat artikel 21 van het Handvest is geschonden doordat het bestreden besluit discriminatie op grond van verzoekers’ etnische afkomst of hun nationaliteit inhoudt, worden afgewezen. Aangaande de bewering dat het bestreden besluit onevenredig is doordat tussen de Russische onderdanen geen onderscheid zou zijn gemaakt naargelang het risico dat zij vormden, moet hoe dan ook worden verwezen naar de punten 75 tot en met 78 hieronder.
Het middel dat artikel 21, lid 1, van het Handvest is geschonden doordat verzoekers door het bestreden besluit worden gediscrimineerd op grond van hun politieke denkbeelden, en dat het algemene gelijkheidsbeginsel is geschonden
43
In de repliek bevestigen verzoekers dat zij gediscrimineerd zijn op grond van hun politieke denkbeelden. Zij zetten eveneens uiteen dat „[het bestreden besluit] uiteindelijk in ieder geval aan het algemene gelijkheidsbeginsel getoetst moet worden”. Zij zijn door dit besluit immers anders behandeld dan overige bezoekers en gasten van het Parlement. Verzoekers zetten in wezen uiteen dat het bestreden besluit ertoe strekte hen te beletten, in het Parlement een politiek denkbeeld weer te geven dat de voorzitter van de instelling afkeurde en dat inging tegen de resolutie van 10 juni 2015.
44
Het Parlement bestrijdt de ontvankelijkheid van deze grieven op de grond dat het hier gaat om middelen die in de repliek voor het eerst, en dus te laat, zijn ingediend.
45
Verzoekers betogen evenwel dat zij pas na lezing van het verweerschrift op de hoogte waren van de politieke grondslag van de discriminatie die zij hebben ondergaan.
46
Volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat een uitwerking is van een eerder in het verzoekschrift uitdrukkelijk of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, moet echter ontvankelijk worden verklaard. Om een nieuw argument te kunnen aanmerken als een uitwerking van een reeds eerder ingeroepen middel of grief, moet het met de aanvankelijk in het verzoekschrift uitgewerkte middelen of grieven een zodanig verband vertonen dat het kan worden beschouwd als voortvloeiend uit een normale ontwikkeling van het debat in een contentieuze procedure (zie in die zin arrest van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie, T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671, punten 23 en 27).
47
Wat in de eerste plaats het verbod van iedere discriminatie op grond van politieke denkbeelden betreft, dit verbod staat in artikel 21, lid 1, van het Handvest, dat verzoekers in hun verzoekschrift hebben ingeroepen in het kader van hun middel ontleend aan „schending van de Verdragen”. Desalniettemin hebben verzoekers hun op deze bepaling gebaseerde argumentatie in dit verzoekschrift beperkt tot beweerde schending van het verbod van iedere discriminatie op grond van etnische afkomst. Bovendien hebben zij onder verwijzing naar artikel 21, lid 2, van het Handvest discriminatie op grond van nationaliteit aangevoerd. Nergens in hun gedinginleidend stuk hebben zij schending van het verbod van discriminatie op grond van hun politieke denkbeelden aangevoerd.
48
Aan het feit dat verzoekers in het verzoekschrift een dergelijke discriminatie niet hebben aangevoerd, komt in de onderhavige zaak bijzondere betekenis toe. Het bestreden besluit kan immers niet los van zijn context worden gezien. In het bijzonder blijkt uit het dossier dat verzoekers, toen zij het beroep instelden, in het bezit waren van de e-mail van de persdienst waarin het Parlement weigerde om Voigt de nodige voorzieningen voor de eveneens op 16 juni 2015 te houden persconferentie ter beschikking te stellen. Deze weigering berustte op twee gronden. In de eerste plaats volgt uit de antwoorden van het Parlement op de maatregelen tot organisatie van de procesgang bedoeld in punt 14 hierboven, dat de e-mail van de persdienst herinnert aan de toegangsbeperkingen die de instelling had opgelegd aan zowel Russische diplomaten als Russische politici, namelijk meer bepaald aan leden van de Gosudarstvennaya Duma Federal’nogo Sobrania Rossiskoï Federatsii (Doema van de Federale Vergadering van de Russische Federatie) en de Soviet Federatsii Federal’nogo Sobrania Rossiskoï Federatsii (Federale Raad van de Federale Vergadering van de Russische Federatie). In de tweede plaats werd in dezelfde e-mail opgemerkt dat door de aanwezigheid van Petrov en Biryukov een risico op ontregeling van de werkzaamheden van de instelling zou ontstaan. Verder had het bestreden besluit tot doel verzoekers te verbieden de gebouwen van het Parlement, en dus van een politieke instelling, te betreden om daar op uitnodiging van een lid deel te nemen aan een bijeenkomst over een politiek onderwerp, namelijk de „Europese samenwerking”. Bovendien beschikken de eerste twee verzoekers over belangrijke verantwoordelijkheden in de Russische politieke partij Rodina en wordt de derde verzoeker gepresenteerd als hoogleraar internationale betrekkingen. Voorts was de bijeenkomst in kwestie bedoeld als voortzetting van een politiek symposium, het „Russisch nationaal forum”, waaraan de drie verzoekers hadden deelgenomen en dat het Parlement kort tevoren in zijn resolutie van 10 juni 2015 had bekritiseerd. Ten slotte hebben verzoekers ter terechtzitting bevestigd dat de evenementen van 16 juni 2015 waarvoor zij waren uitgenodigd bedoeld waren om hen in staat te stellen hun politieke denkbeelden omtrent de „Europese samenwerking” uiteen te zetten, teneinde het „Russisch nationaal forum” vanuit een ander gezichtspunt te bezien dan het geval was in de resolutie van 10 juni 2015 en de daar aangevangen werkzaamheden voort te zetten. In die omstandigheden moest een met de politiek vertrouwde en met de gemiddelde doortastendheid handelende verzoeker aandacht hebben voor de politieke context van het bestreden besluit.
49
Derhalve moet worden vastgesteld dat de in de repliek aangevoerde schending van het verbod van discriminatie op grond van de politieke denkbeelden van verzoekers niet de uitwerking van een reeds in het verzoekschrift opgenomen middel vormt die voortvloeit uit het normale verloop van het debat in de contentieuze procedure, maar een nieuw middel. Bijgevolg moet dit middel als niet-ontvankelijk worden aangemerkt aangezien het niet steunt op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
50
Aangaande in de tweede plaats het – eveneens in de repliek – aan schending van het algemene gelijkheidsbeginsel ontleende argument moet worden opgemerkt dat verzoekers in het kader van het middel inzake misbruik van bevoegdheid in hun verzoekschrift met name hebben gesteld dat het bestreden besluit „volstrekt willekeurig [was] en diametraal indruiste tegen het in het primaire recht neergelegde verbod van discriminatie”. Deze bewering verwees evenwel naar de „hierboven weergegeven redenen”, dat wil zeggen naar de uiteenzettingen over vermeende discriminatie op grond van nationaliteit of etnische afkomst. Verzoekers hebben bij de instelling van hun beroep nooit als zodanig gesteld dat er gezien de wijze waarop alle andere bezoekers en gasten van het Parlement werden behandeld sprake was van schending van het algemene gelijkheidsbeginsel.
51
Zo verzoekers dan ook in de repliek hebben geprobeerd de strekking van hun eerste middel een groter bereik te geven dan de grieven die zich enkel uitstrekten tot schending van het verbod van iedere discriminatie op grond van hun nationaliteit of etnische afkomst, door met het oog op de wijze waarop andere bezoekers en gasten van het Parlement werden behandeld algemeen het algemene gelijkheidsbeginsel in te roepen, moet het middel ontleend aan schending van dat beginsel als een nieuw middel worden beschouwd dat niet voortvloeit uit het normale verloop van het debat voor de rechter. In zoverre, en aangezien dit middel niet steunt op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan in de loop van de behandeling is gebleken, moet het eveneens als niet-ontvankelijk worden aangemerkt.
52
Het is juist dat het Parlement, teneinde zijn rechten van verweer veilig te stellen, in het verweerschrift subsidiair de mogelijkheid heeft overwogen dat het Gerecht het middel ontleend aan het verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit of etnische afkomst zou beschouwen als een middel ontleend aan schending van het algemene gelijkheidsbeginsel. Deze omstandigheid is evenwel onvoldoende om te oordelen dat van de gegevens die rechtvaardigden dat dit beginsel in de repliek aan de orde werd gesteld, pas in de loop van de procedure is gebleken. Gezien de hierboven in punt 48 in herinnering gebrachte context zijn verzoekers met dit verweer van het Parlement geen redenen voor het bestreden besluit ter kennis gebracht waarvan zij tot dan op goede gronden geen weet hoefden te hebben.
53
Toegevoegd moet worden dat artikel 21 van het Handvest, op basis waarvan het middel ontleend aan het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit of etnische afkomst is aangevoerd, een bijzondere uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling vormt (zie in die zin arrest van 29 april 2015, Léger, C‑528/13, EU:C:2015:288, punt 48) en dat dit beginsel en het verbod van iedere discriminatie twee aanduidingen zijn voor eenzelfde algemeen rechtsbeginsel, dat enerzijds verbiedt om vergelijkbare situaties verschillend te behandelen en anderzijds om verschillende situaties op gelijke wijze te behandelen, tenzij objectieve redenen een dergelijke behandeling rechtvaardigen [arrest van 27 januari 2005, Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad, C‑422/02 P, EU:C:2005:56, punt 33].
54
Voor zover gelet op deze rechtspraak de in de repliek aangevoerde schending van het algemene gelijkheidsbeginsel moet worden beschouwd als weergave in andere bewoordingen van het middel dat in het verzoekschrift wordt ontleend aan het verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit of etnische afkomst, is de grief in kwestie dan ook om de redenen die in de punten 33 en volgende hierboven reeds uiteen zijn gezet, ongegrond.
55
Hoe dan ook is het middel dat artikel 21, lid 1, van het Handvest is geschonden doordat verzoekers door het bestreden besluit op grond van politieke denkbeelden worden gediscrimineerd en dat het algemene gelijkheidsbeginsel is geschonden, ongegrond, aangezien uit de punten 63 tot en met 78 hieronder volgt dat het bestreden besluit berust op een objectieve en redelijke motivering die verband houdt met een rechtens toelaatbaar doel, en dat het in verhouding staat tot het nagestreefde doel.
Het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid
56
Verzoekers stellen dat bij het bestreden besluit sprake is van misbruik van bevoegdheid, wat het Parlement bestrijdt.
57
Volgens vaste rechtspraak heeft het begrip misbruik van bevoegdheid een welbepaalde betekenis en verwijst het naar het geval waarin een bestuurlijke instantie haar bevoegdheden gebruikt voor een ander doel dan dat waarvoor deze haar zijn gegeven. Een besluit berust slechts op misbruik van bevoegdheid indien het op basis van objectieve, ter zake dienende en eensluidende aanwijzingen blijkt te zijn gegeven om andere dan de aangevoerde doelstellingen te bereiken. In dit verband volstaat het niet om ter staving van vorderingen bepaalde feiten aan te voeren, maar moeten veeleer voldoende nauwkeurige, objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen worden verstrekt waaruit blijkt dat die feiten juist of althans aannemelijk zijn. Bij gebreke daarvan kan de materiële juistheid van de beweringen van de betrokken instelling niet ter discussie worden gesteld. Derhalve kan de globale beoordeling van de aanwijzingen voor misbruik van bevoegdheid niet enkel berusten op veronderstellingen, noch op onvoldoende nauwkeurige, niet-objectieve of irrelevante aanwijzingen (zie beschikking van 19 december 2013, da Silva Tenreiro/Commissie, T‑32/13 P, EU:T:2013:721, punten 31‑33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
In de eerste plaats stellen verzoekers dat het bestreden besluit om de „hierboven weergegeven redenen” op misbruik van bevoegdheid berust, aangezien het „volstrekt willekeurig [is] en diametraal indruist tegen het verbod van discriminatie”.
59
Voor zover verzoekers zich echter baseren op de beweerde onregelmatigheden die zij in de middelen ontleend aan „schending van de Verdragen” al hebben aangevoerd, moet eraan worden herinnerd dat deze middelen hierboven al zijn verworpen, zodat deze verwijzing niet kan slagen.
60
In de tweede plaats erkennen verzoekers dat de veiligheid en de goede werking van het Parlement rechtens toelaatbare doelstellingen vormen die een besluit om derden toegang tot de gebouwen van de instelling te weigeren, kunnen rechtvaardigen. Daarentegen bestrijden zij dat met het bestreden besluit daadwerkelijk dergelijke doelstellingen zijn nagestreefd.
61
Verzoekers stellen immers dat zij geen gevaar vormden voor de veiligheid en de goede werking van het Parlement. Ook al is het Parlement een plek voor politieke gedachtewisseling, toch was het doel van het bestreden besluit in werkelijkheid hen afzijdig te houden, aangezien de meerderheid zich stoorde aan hun politieke denkbeelden en partijlidmaatschap.
62
Met dit argument trachten verzoekers uit de onjuistheid van de motivering van het bestreden besluit bewijs voor misbruik van bevoegdheid af te leiden.
63
Blijkens punt 48 hierboven was het bestreden besluit, ook al waren verzoekers geen lid van de Doema van de Federale Vergadering van de Russische Federatie of van de Federale Raad van de Federale Vergadering van de Russische Federatie, gemotiveerd met de mogelijke schadelijke gevolgen van verzoekers’ aanwezigheid voor de orde en veiligheid van de instelling alsmede voor het goede functioneren ervan in de algemene context van de gebeurtenissen die ten grondslag lagen aan de genoemde toegangsbeperkingen.
64
Meer specifiek heeft het Parlement gelet op de resolutie van 10 juni 2015 de bijzondere context van de politieke betrekkingen tussen de Russische Federatie en de Unie op het moment van de feiten aangevoerd. Zo heeft het verwezen naar de situatie in Oekraïne en naar een door de Russische Federatie gepubliceerde zwarte lijst met namen van huidige en voormalige Parlementsleden en ambtenaren van de Unie, die hem ertoe heeft gebracht Russische politici en diplomaten de toegang tot zijn infrastructuurvoorzieningen te ontzeggen.
65
In het licht van de bijzondere context waarin de politieke betrekkingen tussen de Russische Federatie en de Unie zich destijds bevonden en gezien de volgens het Parlement steeds hechter wordende betrekkingen tussen de als populistisch aangemerkte Europese partijen en de als nationalistisch omschreven Russische krachten, heeft het Parlement benadrukt dat verzoekers hadden deelgenomen aan het symposium „Russisch nationaal forum”, dat de vergadering kort tevoren krachtig had veroordeeld. Het Parlement heeft tevens benadrukt dat de eerste twee verzoekers actieve leden waren van een als nationalistisch aangemerkte Russische partij. Het voegt hieraan toe dat de drie verzoekers uiteindelijk hoofdrolspelers waren die waren uitgenodigd om in het gebouw van de instelling het „Russisch nationaal forum” te presenteren vanuit een ander gezichtspunt dan het geval was in de resolutie van 10 juni 2015 en om er de op het symposium aangevangen werkzaamheden voort te zetten, hetgeen verzoekers ter terechtzitting hebben bevestigd (zie punt 48 hierboven).
66
Verzoekers hebben desalniettemin opgemerkt dat het door het Parlement ingeroepen „recht van de heer des huizes” waarover de voorzitter beschikt, niet mag worden gebruikt om te verhinderen dat er bijeenkomsten worden gehouden over een onderwerp waar de meerderheid zich aan stoort, omdat parlementen juist de plaats voor politieke gedachtewisseling vormen.
67
Volgens artikel 22 van het Reglement van het Europees Parlement beschikt de voorzitter van deze instelling over de noodzakelijke bevoegdheden om ten eerste de algemene beveiliging van de gebouwen van het Parlement te verzekeren, ten tweede elke verstoring van het goede verloop van de parlementaire werkzaamheden te voorkomen of te beëindigen en ten derde de waardigheid van de instelling te beschermen. Het Parlement heeft bovendien terecht opgemerkt dat het niet gehouden is om met zijn infrastructuurvoorzieningen de politieke activiteiten van een partij uit een derde land te bevorderen. Verzoekers hebben dit in hun processtukken erkend. Derhalve is het Parlement niet verplicht om de leden of sympathisanten van een dergelijke partij te ontvangen opdat zij zich in zijn gebouwen kunnen uitspreken. Meer algemeen volgt uit artikel 14 VEU dat het recht om in het gebouw van het Parlement deel te nemen aan de wetgevingstaak, de begrotingstaak, politieke controle en adviserende taken, voorbehouden is aan vertegenwoordigers van de burgers van de Unie die gekozen zijn door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen, terwijl in bijzondere bepalingen zoals artikel 15, lid 6, onder d), VEU en artikel 230, eerste alinea, VWEU het recht van de voorzitter van de Europese Raad en de Europese Commissie om op deze plaats te worden gehoord specifiek is gewaarborgd. Bovendien bepaalt artikel 115 van het Reglement van het Europees Parlement weliswaar dat de debatten openbaar zijn en dat ook de vergaderingen van de commissies in de regel openbaar zijn, maar in artikel 157 van het genoemde reglement wordt verduidelijkt dat het publiek dat tot de tribune is toegelaten, moet blijven zitten en stil moet zijn. Derhalve volgt uit de opzet van de Verdragen en van de teksten ter uitvoering daarvan, alsmede uit de noodzaak de vrije uitoefening van de aan het Parlement toegekende macht te waarborgen, dat het Parlement niet de plaats is waar het algemene publiek van rechtswege de mogelijkheid heeft zich uit te spreken.
68
Verzoekers stellen eveneens dat het Parlement verplicht is om het werk van de afgevaardigden, onder wie Voigt, niet te belemmeren. Dit argument is in deze zaak evenwel irrelevant, aangezien verzoekers er geen rechtstreeks en persoonlijk belang bij hebben het aan te voeren. Ter terechtzitting hebben verzoekers in antwoord op een vraag van het Gerecht overigens bevestigd dat deze bewering geen grief als zodanig vormt.
69
Verzoekers voeren voorts aan dat voor hen toegangspasjes waren afgegeven waardoor Voigt in de veronderstelling verkeerde dat ook zonder de persconferentie de werkbijeenkomst in hun aanwezigheid in de gebouwen van de instelling kon worden gehouden. De afgifte van deze pasjes zou laten zien dat verzoekers geen bijzonder gevaar vormden, terwijl uit de ommezwaai in de opstelling van het Parlement zou blijken dat het bestreden besluit als een chicane is te beschouwen.
70
Het is weliswaar juist dat het Parlement de ontvangst van het accreditatieverzoek bij e-mail van DG Veiligheid van 9 juni 2015 heeft bevestigd en dat deze e-mail een referentienummer bevatte waarmee de toegangspasjes voor verzoekers konden worden afgehaald, maar hierbij moet in herinnering worden gebracht dat deze e-mail afkomstig was van DG Veiligheid, terwijl het besluit waarbij verzoekers de toegang tot de gebouwen werd ontzegd, gebaseerd was op een beoordeling van de politieke context, die de bevoegdheden van de administratieve diensten van het Parlement te buiten ging en voorbehouden was aan de politieke organen van de instelling. Bovendien bevatte de e-mail van DG Veiligheid van 9 juni 2015 een bijlage waarin nader werd aangegeven dat de organisator van de bijeenkomst niet was vrijgesteld van een gebruikelijke autorisatieprocedure zoals die binnen de instelling werd gevolgd. De schijnbare contradictie tussen de afgifte van een referentienummer waarmee toegangspasjes afgehaald konden worden en de uiteindelijke weigering om verzoekers het Parlement binnen te laten, vindt dus zijn verklaring in de verschillende rollen die de administratieve diensten en de politieke organen ten deel vallen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat het Parlement louter om chicanes te maken de indruk heeft gewekt dat de bestreden bijeenkomst met gebruikmaking van haar infrastructuurvoorzieningen kon plaatsvinden.
71
Gelet op een en ander, en aangezien maatregelen zoals de weigering om personen het Parlement binnen te laten teneinde verstoringen van de werkzaamheden van de instelling te voorkomen, een prospectieve risicobeoordeling op basis van de beschikbare gegevens vooronderstelt waarmee noodzakelijkerwijze een onzekerheidsfactor gepaard gaat, is het niet zo dat de doelstelling om de veiligheid en de goede werking van het Parlement te verzekeren niet in een redelijke verhouding tot de door het Parlement aangevoerde redenen stond.
72
Ten slotte menen verzoekers een aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid gevonden te hebben in het feit dat het bestreden besluit in ieder geval verder ging dan noodzakelijk was. Zij wijzen erop dat de voorzitter van het Parlement beschikt over een veiligheidsdienst die iedere vorm van provocatie kan beteugelen. Bovendien blijkt volgens hen uit de omstandigheid dat het bestreden besluit alle Russische genodigden betrof, terwijl volgens de e-mail van de persdienst alleen de eerste twee verzoekers een gevaar voor de veiligheid en de goede werking van de instelling vormden, dat het bestreden besluit een soort „collectieve straf” betrof.
73
Verzoekers hebben echter niet aangetoond of ook maar beweerd dat iedereen ten behoeve van politieke propaganda of bespreking van de beleidsvoornemens van de vergadering over onvoorwaardelijke toegang tot de faciliteiten van het Parlement beschikt. Integendeel, het Parlement heeft, zoals in punt 67 hierboven is uiteengezet, onweersproken verklaard dat het Unierecht het publiek niet van rechtswege de bevoegdheid geeft, de gebouwen van het Parlement te betreden en deze te gebruiken om er zijn meningen te uiten.
74
Derhalve kan de omstandigheid dat de voorzitter van het Parlement verzoekers heeft verhinderd de gebouwen van de instelling te betreden om tijdens een politieke bijeenkomst hun mening te uiten, in plaats van te vertrouwen op het vermogen van de veiligheidsdiensten om in te grijpen, in de internationale context zoals die in de punten 64 en 65 hierboven is weergegeven, niet worden beschouwd als een aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid. Dit geldt te meer aangezien het Parlement ter terechtzitting heeft bevestigd dat het bestreden besluit samenhing met de betrokken context en dus slechts van tijdelijke aard was.
75
Om te bewijzen dat het bestreden besluit in feite een onevenredige collectieve straf vormt, kunnen verzoekers evenmin aanvoeren dat het bestreden besluit voor „de hele groep Russische bezoekers” gold, dus eveneens voor E. N. en P. E. Aan deze twee personen is de toegang tot het Parlement namelijk geweigerd omdat het ging om begeleidsters, de ene als echtgenote van de tweede verzoeker en de andere als tolk, zoals ter terechtzitting is gebleken.
76
Ten slotte hebben verzoekers eveneens tevergeefs aangevoerd dat het bestreden besluit een collectief besluit is omdat uit de e-mail van de persdienst a contrario volgt dat de derde verzoeker, Sotnichenko, volgens het Parlement geen bijzonder gevaar vormde.
77
Er kan echter geen argument worden ontleend aan de omstandigheid dat het Parlement in de e-mail van de persdienst waarbij werd geweigerd Voigt een zaal voor zijn persconferentie ter beschikking te stellen, van mening was dat de aanwezigheid van de eerste twee verzoekers een risico vormde voor de goede werking van de instelling zonder dat Sotnichenko daarbij werd genoemd. Uit de e-mail over de organisatie van deze persconferentie die de medewerker van Voigt op 3 juni 2015 aan de persdienst van het Parlement stuurde, blijkt immers dat de betrokkene daaraan niet zou deelnemen.
78
Bovendien heeft het Parlement uiteengezet dat Sotnichenko net als de eerste twee verzoekers had deelgenomen aan het symposium „Russisch nationaal forum”, wat niet wordt bestreden, en dat die deelneming had gerechtvaardigd om ook hem in de context zoals die in de punten 64 en 65 hierboven is beschreven, de toegang tot de gebouwen van de instelling om aan de werkbijeenkomst deel te nemen, te ontzeggen.
79
Uit een en ander volgt dat verzoekers geen voldoende nauwkeurige, objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen hebben verstrekt waaruit kan worden opgemaakt dat de veiligheid en het goede functioneren van het Parlement bij de vaststelling van het bestreden besluit niet het daadwerkelijk nagestreefde doel van de voorzitter hebben gevormd. Het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid moet dan ook worden afgewezen.
80
Aangezien geen van de middelen gegrond is, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
81
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
82
Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van het Parlement worden verwezen in alle kosten.
HET GERECHT (Vierde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Andrei Petrov, Fedor Biryukov en Alexander Sotnichenko worden verwezen in hun eigen kosten en in die van het Europees Parlement.
Kanninen
Calvo-Sotelo Ibáñez-Martín
Reine
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 november 2017.
Ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy