ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
19 april 2018 ( *1 )
„Dumping – Invoer van rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen – Uitbreiding van het op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China ingestelde definitieve antidumpingrecht tot die invoer – Verordening (EU) 2015/776 – Ontwijking – Overlading – Artikel 13, leden 1 en 2, en artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1225/2009 [thans artikel 13, leden 1 en 2, en artikel 18, lid 3, van verordening (EU) 2016/1036]”
In zaak T‑462/15,
Asia Leader International (Cambodia) Co. Ltd, gevestigd te Tai Seng SEZ (Cambodja), vertegenwoordigd door A. Bochon, advocaat, en R. MacLean, solicitor,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland, M. França en A. Demeneix als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van artikel 1, leden 1 en 3, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/776 van de Commissie van 18 mei 2015 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad is ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen (PB 2015, L 122, blz. 4), voor zover deze uitvoeringsverordening betrekking heeft op verzoekster,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: V. Tomljenović, president, A. Marcoulli en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
griffier: C. Heeren, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 november 2017,
het navolgende
Arrest ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1
Bij verordening (EEG) nr. 2474/93 van 8 september 1993 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer in de Gemeenschap van rijwielen van oorsprong uit China en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht (PB 1993, L 228, blz. 1) heeft de Raad van de Europese Unie een definitief antidumpingrecht van 30,6 % ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China.
2
Na afloop van een nieuw onderzoek dat in verband met het vervallen van de maatregelen was geopend overeenkomstig verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1) [vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificaties in PB 2010, L 7, blz. 22; PB 2011, L 36, blz. 20, en PB 2016, L 44, blz. 20; hierna: „basisverordening”), zelf vervangen door verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21)], in het bijzonder overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening nr. 384/96 (thans artikel 11, lid 2, van de basisverordening), heeft de Raad bij verordening (EG) nr. 1524/2000 van 10 juli 2000 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China (PB 2000, L 175, blz. 39) besloten bovengenoemd antidumpingrecht te handhaven.
3
Na een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 384/96 (thans artikel 11, lid 3, van de basisverordening) heeft de Raad bij verordening (EG) nr. 1095/2005 van 12 juli 2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen uit Vietnam en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1524/2000 (PB 2005, L 183, blz. 1) het antidumpingrecht op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China verhoogd tot 48,5 %.
4
Na afloop van een nieuw onderzoek dat in verband met het vervallen van de maatregelen was geopend overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening nr. 384/96, heeft de Raad bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 van 3 oktober 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit China (PB 2011, L 261, blz. 2) besloten het geldende antidumpingrecht van 48,5 % te handhaven.
5
De Raad heeft na afloop van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening (thans artikel 11, lid 3, van verordening 2016/1036) in mei 2013 verordening (EU) nr. 502/2013 van 29 mei 2013 tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 990/2011 (PB 2013, L 153, blz. 17) vastgesteld, en heeft besloten het geldende antidumpingrecht van 48,5 % te handhaven, behalve voor de rijwielen uitgevoerd door drie ondernemingen, waarvoor individuele tarieven zijn vastgesteld.
6
Na afloop van een antiontwijkingsonderzoek op grond van artikel 13 van de basisverordening (thans artikel 13 van verordening 2016/1036) heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van 29 mei 2013 vastgesteld, tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (PB 2013, L 153, blz. 1).
7
Nadat de Europese Commissie in 2014 een nieuwe klacht had ontvangen, die deze keer betrekking had op de eventuele ontwijking van de antidumpingrechten door in Cambodja, Pakistan en de Filipijnen gevestigde producenten-exporteurs van rijwielen, heeft zij uitvoeringsverordening (EU) nr. 938/2014 van 2 september 2014 vastgesteld, tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij verordening nr. 502/2013 van de Raad ingestelde antidumpingmaatregelen op rijwielen van oorsprong uit China, door de invoer van rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie (PB 2014, L 263, blz. 5, met rectificatie in PB 2014, L 341, blz. 31). In de loop van dit onderzoek, dat betrekking had op het tijdvak van 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2014, heeft verzoekster, Asia Leader International (Cambodia) Co. Ltd, van de Commissie een „[f]ormulier voor vennootschappen die om vrijstelling van een eventuele uitbreiding van de rechten verzoeken” (hierna: „formulier”) ontvangen, dat zij heeft ingevuld en op 10 oktober 2014 heeft teruggezonden.
8
Uit het dossier blijkt dat verzoekster een eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Cambodjaans recht is, die is opgericht in mei 2013 en in haar geheel in handen is van Cronus International Co. Ltd, een in Hongkong gevestigde vennootschap, die op haar beurt een 100 %‑dochtermaatschappij is van de Chinese rijwielfabrikant Guangzhou Cronus Bicycle Fashion Sports Co. Ltd. Deze laatste vennootschap is eveneens voor 100 % eigenaar van de Chinese vennootschap Guangzhou Cronus Bicycles Co. Ltd, een fabrikant van rijwielen, frames en geverfde frames, en is verbonden met een andere Chinese rijwielfabrikant, Shine Wheel Bicycle Co. Ltd, die haar productie op 1 juni 2014 heeft beëindigd. Verzoekster had in de tabellen D 5 en D 6 die bij het formulier waren gevoegd, aanvankelijk niet nader aangegeven dat zij eveneens verbonden was met Shine Wheel Bicycle. Pas op 27 oktober 2014 heeft zij gegevens over deze leverancier verstrekt, namelijk in antwoord op het verzoek van de Commissie van 16 oktober 2014 om aanvullende inlichtingen.
9
Verzoekster zet uiteen dat haar vermeldingen op het formulier en de erbij gevoegde tabellen, gezien haar oprichtingsdatum en de daadwerkelijke aanvang van haar werkzaamheden in januari 2014, eerder rechtstreeks betrekking hadden op de periode van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2014 (hierna: „referentietijdvak”) dan op het onderzoekstijdvak (zie punt 7 hierboven). Uit het formulier blijkt dat verzoekster haar activiteiten heeft omschreven als productie en verkoop van rijwielen en rijwielframes, in het bijzonder voor kleine bestellingen, onder de merknaam Cronus.
10
Verzoekster heeft in de bij het formulier gevoegde tabel F 2, waarin de verzoeker om vrijstelling alle door hem gekochte halffabrikaten dient te vermelden, „Shine Wheel Bicycle Co. Ltd (Guangzhou)” opgegeven als nagenoeg exclusieve leverancier, naast een Vietnamese vennootschap die verf voor de frames leverde en een andere Chinese vennootschap.
11
Verzoekster heeft bij haar antwoord van 27 oktober 2014 een herziene versie van tabel F 2 overgelegd. Hieruit blijkt dat Shine Wheel Bicycle een met verzoekster verbonden vennootschap is waarvan de verkopen aan verzoekster gedurende het referentietijdvak de grote meerderheid van verzoeksters aankopen tijdens deze periode vormen. Guangzhou Cronus Bicycles wordt hierin eveneens genoemd als een vennootschap die gedurende het referentietijdvak voor bepaalde transacties met verzoekster verbonden was.
12
Op basis van het onderzoek kon de Commissie zes vennootschappen aanwijzen die rijwielen uit Cambodja exporteerden. Een daarvan heeft dit land eind 2013 verlaten en ging naar Pakistan. De andere vijf rijwielproducenten, die 94 % van de uit Cambodja afkomstige EU‑import van dit product vertegenwoordigen, hebben hun medewerking verleend en een vrijstellingsverzoek ingediend.
13
De Commissie heeft de informatie onderzocht die deze vijf vennootschappen, waaronder verzoekster, hadden verstrekt. Op 11 november 2014 heeft de Commissie verzoekster medegedeeld dat zij van plan was ter plaatse een controle te verrichten. Op 8 en 9 december 2014 heeft deze controle bij verzoekster te Tai Seng (Cambodja) plaatsgevonden.
14
Na afloop van deze controle ter plaatse en de tevens uitgevoerde controles met betrekking tot de andere vier medewerkende producenten, was de Commissie van mening dat drie vennootschappen recht hadden op een vrijstelling ingevolge artikel 13, lid 4, van de basisverordening (thans artikel 13, lid 4, van verordening 2016/1036). Daarentegen konden twee andere, waaronder verzoekster, hier geen aanspraak op maken.
15
Tijdens haar controlebezoek heeft de Commissie diverse onregelmatigheden vastgesteld. Zij heeft kennisgenomen van de nadere toelichtingen die verzoekster dienaangaande heeft verstrekt en de door verzoekster overgelegde stukken onderzocht.
16
Allereerst heeft zij opgemerkt dat verzoekster geen boekhoudsoftware bezat en de boekhouding in Excelbestanden bijhield. Pas in oktober 2014 begon zij gedetailleerde productieverslagen op te stellen.
17
Vervolgens blijkt volgens de Commissie uit het formulier en de eraan toegevoegde tabellen dat verzoekster pas vanaf 1 januari 2014 in staat was in haar las‑ en verfwerkplaatsen rijwielen te produceren en dat zij aan het begin van deze periode geen frames produceerde. Dientengevolge vroeg de Commissie zich af waar de 1099 rijwielen vandaan kwamen die op 27 januari 2014 naar de Unie (in dit geval naar Griekenland) werden geëxporteerd en die in de door verzoekster ingediende factuur CI‑15295‑PM als volgt zijn beschreven: 380 rijwielen met aluminium frame van 26 inch, 240 rijwielen met stalen frame van eveneens 26 inch, 120 rijwielen met stalen frame van 24 inch, 119 rijwielen met stalen frame van het type „hi‑ten 700C”, 130 rijwielen met opvouwbaar stalen frame van 20 inch en 120 rijwielen met stalen frame van 20 inch. De Commissie heeft verzoekster over de omstandigheden van deze export ondervraagd, waarop deze factuur KYD‑CN‑F01 van 17 januari 2014 heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij 1098 stalen rijwielframes van 26 inch had gekocht van de Vietnamese vennootschap Kim Y Dinh Trading Service One Member Co. Ltd. De Commissie heeft opgemerkt dat deze laatste vennootschap zelf geen producent van rijwielen of rijwielframes, maar gewoon een handelaar was, en heeft bovendien blijk gegeven van haar verbazing over het feit dat slechts stalen rijwielframes waren gekocht, terwijl factuur CI‑15295‑PM melding maakte van verkoop van 380 aluminium rijwielen en dat de grootte van deze frames (26 inch) slechts gedeeltelijk overeenkwam met de grootte van de naar de Unie geëxporteerde rijwielen.
18
Verzoekster is verzocht om uitleg te geven over deze tegenstrijdigheden en heeft in de loop van het controlebezoek een door het Vietnamese ministerie van Handel afgegeven formulier A/certificaat van oorsprong overgelegd, dat op naam staat van de genoemde handelaar en betrekking had op de rijwielframes van factuur KYD‑CN‑F01. De Commissie heeft evenwel vastgesteld dat ook dit certificaat van oorsprong slechts melding maakte van stalen frames, terwijl de export naar de Unie bedoeld in punt 17 hierboven tevens betrekking had op aluminium frames. Verzoekster heeft dat uiteindelijk erkend, en heeft toegegeven dat in het genoemde certificaat ten onrechte enkel stalen frames werden vermeld. Bovendien kon verzoekster voor de naar de Unie geëxporteerde rijwielen van factuur CI‑15295‑PM geen formulier A/certificaat van oorsprong overleggen dat op haar eigen naam was gesteld.
19
Derhalve was de Commissie, gezien het feit dat verzoekster bij de aanvang van haar ondernemingsactiviteiten zelf geen rijwielframes produceerde, van mening dat de enige mogelijke uitleg hierin bestond dat de betreffende rijwielen niet door verzoekster waren geassembleerd, maar afkomstig waren van aan verzoekster gelieerde Chinese vennootschappen die ze eenvoudigweg hadden verscheept.
20
Voorts heeft de Commissie tijdens het controlebezoek vastgesteld dat bepaalde gegevens in het formulier onsamenhangend en onbetrouwbaar waren. Volgens deze instelling kwamen bepaalde aangegeven productiekosten niet overeen met een tijdens de assemblage‑ of voltooiingswerkzaamheden aan de gebruikte onderdelen toegevoegde waarde en waren deze kosten kunstmatig verhoogd teneinde te voldoen aan de twee drempelwaarden van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening [thans artikel 13, lid 2, onder b), van verordening 2016/1036]. Aldus kwamen bepaalde aan de productie van rijwielframes toegerekende kosten (afschrijvingen, huur, elektriciteitskosten) niet overeen met de hoeveelheid geproduceerde rijwielen, was het verbruik van de voor deze productie benodigde verf vergeleken met gegevens van echte rijwielproducenten te hoog ingeschat en was het arbeidsloon, steeds in vergelijking met de door werkelijke producenten uitbetaalde lonen, eveneens te hoog ten opzichte van de hoeveelheid geproduceerde rijwielframes en geassembleerde rijwielen. De Commissie heeft bijgevolg verzoeksters productiekosten op basis van deze gegevens herzien en heeft vastgesteld dat de uit China afkomstige rijwielonderdelen meer dan 60 % van de totale waarde van de onderdelen van het geassembleerde product (77 %) uitmaakten en, voorts, dat de waarde die in de loop van de assemblagewerkzaamheden aan de gebruikte onderdelen werd toegevoegd, veel lager was dan 25 % van de fabricagekosten (2 %).
21
Op 13 maart 2015 heeft de Commissie haar bevindingen aan verzoekster medegedeeld. Die betroffen, in de eerste plaats, het bestaan van ontwijkingspraktijken in Cambodja (algemene bevindingen) en, in de tweede plaats, de rol die verzoekster daarbij heeft gespeeld (specifieke bevindingen).
22
In antwoord op deze mededeling heeft verzoekster op 31 maart 2015 schriftelijk en tijdens een hoorzitting een aantal bezwaren geuit. Ten eerste heeft zij in het bijzonder de bevinding bestreden dat zij betrokken was bij overladingspraktijken. In dat verband volgde volgens haar uit de tijdens de controle ter plaatse verzamelde gegevens als meest aannemelijke uitleg dat de betreffende rijwielframes afkomstig waren uit Vietnam. Zij heeft aanvullende bewijsstukken inzake factuur CI‑15295‑PM overgelegd teneinde aan te tonen dat de rijwielframes van oorsprong uit Vietnam waren. Verzoekster wijst erop derhalve diverse facturen te hebben overgelegd, in het bijzonder die van de aankoop van het staal en aluminium waarmee de rijwielframes zijn vervaardigd, die van de Vietnamese vennootschap die uit het staal frames heeft vervaardigd, die van de leveranciers van de rijwielframes van 17 januari 2014 met referentie KYD‑CN‑F01 en voorts de pakbon van de betreffende frames met dezelfde dagtekening, het betalingsbewijs van deze factuur alsmede het bewijs van het totaalgewicht van de geleverde rijwielframes (ongeveer drie ton) dat overeenkwam met de in tabel F 2 verschafte gegevens. Het feit dat er één rijwielframe minder was dan het aantal geëxporteerde rijwielen (1098 tegenover 1099) heeft verzoekster aldus verklaard dat zij één rijwielframe als proefexemplaar bij haar leverancier had opgevraagd. Ten tweede was zij het oneens met de herberekening van haar productiekosten die de Commissie had gemaakt om de drempel van 25 % van de toegevoegde waarde bedoeld in artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening te bepalen.
23
Op 18 mei 2015 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2015/776 vastgesteld, tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad is ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen (PB 2015, L 122, blz. 4; hierna: „bestreden verordening”).
24
De Commissie heeft in de overwegingen 69, 71, 73 en 74 van de bestreden verordening in het bijzonder het volgende vastgesteld:
„(69)
Voor een van de vijf medewerkende ondernemingen konden de gegevens over het soort in [China] gekochte frames niet in overeenstemming worden gebracht met de gegevens over het soort naar de Unie uitgevoerde rijwielen, terwijl de onderneming in die periode geen frames fabriceerde. Daarom luidde de conclusie dat de rijwielen waren overgeladen.
[...]
(71)
Er zij aan herinnerd dat het de Commissie tijdens de controle ter plaatse niet mogelijk was aan de hand van de door de onderneming verstrekte informatie een verband te leggen tussen het soort gekochte frames en het soort naar de Unie uitgevoerde rijwielen, omdat de onderneming door haar gekochte frames van staal toonde, terwijl zij rijwielen met frames van staal en aluminium in verschillende maten uitvoerde. Dit zou betekenen dat de uitgevoerde rijwielen niet in Cambodja zijn geassembleerd. Bovendien was het enige bewijs dat de onderneming tijdens de controle ter plaatse had overgelegd om de oorsprong van deze frames aan te tonen, het door de Vietnamese autoriteiten namens een Vietnamese handelaar afgegeven formulier A/certificaat van oorsprong. Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de onderneming betoogd dat het formulier A/certificaat van oorsprong ten onrechte vermeldde dat alle frames van staal waren, terwijl zij in feite ook van aluminium waren. De nieuwe documenten die de onderneming na de mededeling van feiten en overwegingen in het Vietnamees en het Chinees, met gedeeltelijk vertaling in het Engels, heeft ingediend, bevatten meerdere tegenstrijdigheden (het aantal gekochte frames viel niet te rijmen met het aantal uitgevoerde rijwielen zoals dat tijdens de controle ter plaatse was vastgesteld; een als factuur overgelegd document vermeldde geen prijzen; er was geen bewijsmateriaal verstrekt met betrekking tot de overige fabricagestappen voor de frames zoals het snijden, vormgeven, stansen en lakken). Deze nieuwe documenten werden daarom als onvolledig beschouwd en ontoereikend geacht om aan te tonen dat de frames in kwestie in Vietnam waren vervaardigd.
[...]
(73)
Evenmin kon zij het door het ministerie van Handel van Cambodja voor de rijwielen in kwestie afgegeven formulier A/certificaat van oorsprong overleggen. Derhalve, en bij gebrek aan andere beschikbare informatie, wordt geconcludeerd dat de betrokken onderdelen van oorsprong uit [China] waren. [...]
(74)
Bijgevolg wordt op basis van het bovenstaande vastgesteld dat er in Cambodja sprake is van overladingspraktijken met betrekking tot producten van oorsprong uit [China] in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening.”
25
De Commissie heeft in de overwegingen 80 en volgende van de bestreden verordening tevens de bezwaren afgewezen die verzoekster had ingebracht tegen de aanpassing van haar productiekosten met het oog op de berekening van de drempel van 25 % van de toegevoegde waarde bedoeld in artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening.
26
De Commissie heeft verzoeksters vrijstellingsverzoek bijgevolg afgewezen (overweging 161 van de bestreden verordening). In artikel 1 van de bestreden verordening heeft zij haar besluit vastgelegd om het definitieve antidumpingrecht van 48,5 %, geldend voor de invoer van rijwielen van oorsprong uit China en vermeld in punt 3 hierboven, uit te breiden tot de import van met name vanuit Cambodja verzonden rijwielen en om verzoekster niet onder de van het recht vrijgestelde vennootschappen op te nemen. Overeenkomstig lid 3 van dit artikel wordt „[h]et bij lid 1 van dit artikel uitgebreide recht [...] geïnd op ingevoerde producten verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, die overeenkomstig artikel 2 van verordening (EU) nr. 938/2014 en artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van [de basisverordening] worden geregistreerd, met uitzondering van die welke door de in lid 1 vermelde ondernemingen worden geproduceerd”.
Procedure en conclusies van partijen
27
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 augustus 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
[omissis]
42
Partijen hebben ter terechtzitting van 9 november 2017 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
43
Ter terechtzitting hebben verzoekster en de Commissie enige opmerkingen gemaakt over het rapport ter terechtzitting, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
In rechte
[omissis]
Eerste middel: schending van artikel 13, lid 1, van de basisverordening doordat de Commissie het bestaan van ontwijking en de aard van de beschikbare gegevens „rechtens en feitelijk kennelijk onjuist heeft beoordeeld”
45
Met haar eerste middel stelt verzoekster dat de vaststelling dat er sprake is van een overladingspraktijk alsook de aan die vaststelling verbonden rechtsgevolgen onjuist zijn. Volgens haar zijn de betreffende rijwielen geproduceerd met frames en materiaal van Vietnamese oorsprong en beschikt de Commissie niet over bewijs dat dat niet zo is. De Commissie kan noch op grond van de basisverordening, noch op grond van de rechtspraak automatisch de conclusie trekken dat er sprake is van een overladingspraktijk. Verzoekster meent de Vietnamese oorsprong van de onderdelen rechtens genoegzaam te hebben aangetoond met bewijsmateriaal dat de Commissie niet had mogen afwijzen – anders dan zij heeft gedaan. Zij geeft nader aan dat in factuur CI‑15295‑PM voor elk model specifieke referentienummers waren opgenomen, waarmee kon worden vastgesteld uit welk materiaal het frame bestond. Zij voegt daaraan toe de aanvullende documenten genoemd in punt 22 hierboven te hebben overgelegd. Voorts is zij het oneens met de manier waarop de Commissie het door de Vietnamese autoriteiten afgegeven formulier A/certificaat van oorsprong heeft beoordeeld, aangezien dit formulier het nummer van de factuur van de leverancier en de datum daarvan bevatte, alsook het betrokken aantal stuks, het brutogewicht van de lading en de vermelding dat deze lading tijdens de passage van de Vietnamees-Cambodjaanse grens was onderzocht. Bijgevolg was in dit certificaat alleen de verwijzing naar „stalen rijwielframes” onjuist. Hiervoor had verzoekster al de verklaring gegeven dat het om een eenvoudige fout van de leverancier ging.
46
Verzoekster voegt daaraan toe dat het door haar overgelegde bewijsmateriaal alleen onsamenhangend was voor zover de beschrijving van de rijwielen in factuur CI‑15295‑PM verschilde van de beschrijving van de frames waarop aankoopfactuur KYD‑CN‑F01 en het formulier A/certificaat van oorsprong betrekking hadden. Alle andere gegevens tonen aan dat de door haar gekochte rijwielframes van oorsprong uit Vietnam waren. De analyse van de Commissie komt er dus op neer dat er los van de feiten van de zaak van wordt uitgegaan dat elke niet-Chinese producent die banden heeft met Chinese rijwielproducenten zich schuldig maakt aan overladingspraktijken.
47
De Commissie heeft bij de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening dus „feitelijk en rechtens” een beoordelingsfout gemaakt.
48
De Commissie concludeert tot afwijzing van het eerste middel.
Overwegingen vooraf
[omissis]
53
Volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening is het bestaan van ontwijking van de antidumpingmaatregelen aangetoond wanneer aan vier voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet er sprake zijn van een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen een derde land en de Unie of tussen individuele vennootschappen in het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en de Unie. Ten tweede moet die verandering het gevolg zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. Ten derde moeten er elementen zijn die aannemelijk maken dat de bedrijfstak van de Unie schade lijdt of dat de corrigerende werking van het antidumpingrecht wordt ondermijnd. Ten vierde moeten er bewijzen zijn voor het bestaan van dumping (arresten van 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia, C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 55, en van 26 januari 2017, Maxcom/City Cycle Industries, C‑248/15 P, C‑254/15 P en C‑260/15 P, EU:C:2017:62, punt 57).
54
Uit de bewoordingen en de opzet van artikel 13 van de basisverordening volgt dat de betrokken instellingen, om het bestaan van ontwijking te bewijzen, een globale analyse dienen te maken betreffende het derde land waarop het ontwijkingsonderzoek in zijn geheel betrekking heeft. Het is daarentegen niet hun taak om ten bewijze van een dergelijke ontwijking een analyse te maken van de situatie van iedere individuele producent-exporteur; het staat immers aan die individuele producenten-exporteurs om een dergelijke analyse te maken in het kader van hun op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening geformuleerde verzoeken (arresten van 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia, C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 57, en van 26 januari 2017, Maxcom/City Cycle Industries, C‑248/15 P, C‑254/15 P en C‑260/15 P, EU:C:2017:62, punt 59).
55
Volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening moeten de instellingen van de Unie het bestaan van ontwijking van de antidumpingmaatregelen dus aantonen voor het gehele derde land en staat het aan iedere individuele producent-exporteur, aan te tonen dat zijn specifieke situatie de toekenning van vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening rechtvaardigt (arresten van 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia, C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 59, en van 26 januari 2017, Maxcom/City Cycle Industries, C‑248/15 P, C‑254/15 P en C‑260/15 P, EU:C:2017:62, punt 61).
56
Zoals advocaat-generaal Mengozzi in zijn conclusie in de gevoegde zaken Maxcom e.a./Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2016:712, punten 7 en 67) heeft aangegeven, bevat artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening (thans artikel 13, lid 1, vierde alinea, van verordening 2016/1036) een niet-uitputtende lijst van de in de eerste alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden, die met name „het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen” en „in de in lid 2 beschreven situatie, de assemblage van delen in de [Unie] of een derde land” omvatten. Zoals de Commissie in haar antwoord van 13 oktober 2017 op de maatregel tot organisatie van de procesgang van 22 september 2017 (zie punten 38 en 39 hierboven) terecht aangeeft, dienen de verschillende soorten ontwijkingspraktijken die in artikel 13, lid 1, tweede alinea, zijn opgesomd, slechts als voorbeeld, zoals wordt uitgedrukt door het woord „onder andere”.
57
Hieruit vloeit voort dat aan de tweede van de in punt 53 hierboven weergegeven voorwaarden reeds is voldaan als een enkele soort ontwijkingspraktijk wordt vastgesteld – wat de betrokken instellingen evenwel niet belet om ook andere soorten ontwijkingspraktijken aan te tonen indien zij deze aanwezig achten.
Toepassing op het onderhavige geval
58
Uit de bestreden verordening volgt dat de Commissie de vier in punt 53 hierboven genoemde voorwaarden op het niveau van Cambodja heeft onderzocht alvorens enerzijds te bewilligen in het individuele verzoek om vrijstelling dat was ingediend door drie van de vijf medewerkende Cambodjaanse vennootschappen en anderzijds dat van de twee overige vennootschappen, waaronder verzoekster, af te wijzen.
59
Om te beginnen heeft de Commissie vastgesteld dat de eerste, de derde en de vierde voorwaarde waren vervuld, wat verzoekster niet bestrijdt.
60
Vervolgens heeft de Commissie omtrent de tweede voorwaarde – namelijk het bestaan van ontwijkingspraktijken in Cambodja, dat wil zeggen praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat – vastgesteld dat er sprake is van zowel overladingspraktijken als assemblagewerkzaamheden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.
61
Het is juist dat blijkens de overwegingen 69 tot en met 74 van de bestreden verordening de vaststelling dat in Cambodja overladingspraktijken plaatsvonden alleen gebaseerd is op de individuele situatie van verzoekster. De Commissie heeft echter ook opgemerkt dat in Cambodja sprake was van assemblagewerkzaamheden die niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening bij twee Cambodjaanse vennootschappen, waaronder verzoekster, zoals volgt uit de overwegingen 75 tot en met 88 van de bestreden verordening.
62
Dit betekent dat zelfs indien verzoekster niet betrokken is bij overladingspraktijken – wat het bestaan van dergelijke praktijken op het niveau van Cambodja zou ontkrachten – de vaststelling over ontwijkingspraktijken in dit land op basis van de gronden van de bestreden verordening inzake assemblagewerkzaamheden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening op zijn minst geldig blijft voor de andere Cambodjaanse vennootschap, aangezien de vaststellingen die in de bestreden verordening ten aanzien van deze vennootschap zijn opgenomen, niet aan de orde zijn in het onderhavige geding.
63
Het eerste middel kan dus niet leiden tot ongeldigheid van de vaststelling waartoe de Commissie in de bestreden verordening is gekomen dat op het niveau van Cambodja ontwijkingspraktijken plaatsvinden in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening.
64
Nu dient te worden onderzocht of het eerste middel gegrond is voor zover hiermee wordt beoogd aan te tonen dat verzoekster zich niet schuldig heeft gemaakt aan overladingspraktijken.
65
In dat verband volgt uit de bestreden verordening dat de Commissie verzoeksters vrijstellingsverzoek heeft afgewezen op grond dat sprake was van zowel overladingspraktijken als assemblagewerkzaamheden die niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.
66
Benadrukt moet worden dat iedere individuele producent-exporteur blijkens de in punt 55 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak zelf moet aantonen dat zijn specifieke situatie rechtvaardigt dat hem een vrijstelling krachtens artikel 13, lid 4, van de basisverordening wordt verleend. Volgens deze bepaling moeten verzoeken tot vrijstelling „voldoende door bewijsmateriaal gestaafd” zijn en dienen, wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontwijking buiten de Unie geschieden, belanghebbenden met dergelijke verzoeken te „kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en [een] producent waarop maatregelen van toepassing zijn” alsook dat „zij niet betrokken zijn bij enige [ontwijking] zoals beschreven in de leden 1 en 2 van dit artikel”.
67
Bijgevolg kan de Commissie een vrijstelling met recht weigeren indien de verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat zijn specifieke situatie toekenning van de vrijstelling rechtvaardigt, bijvoorbeeld omdat er bewijs van overladingspraktijken is.
68
In de onderhavige zaak heeft de Commissie ten eerste vastgesteld dat verzoekster in januari 2014 slechts in de opstartfase van haar productieproces was en dat zij de in factuur CI‑15295‑PM vermelde rijwielframes, die op 27 januari 2014 naar de Unie zijn geëxporteerd, niet zelf had geproduceerd, wat verzoekster niet bestrijdt.
69
Ten tweede heeft de Commissie op basis van een vergelijking van factuur CI‑15295‑PM, waarin het aantal en het type rijwielen dat op 27 januari 2014 naar de Unie is geëxporteerd, is vermeld, en de aankoopfactuur met referentie KYD‑CN‑F01 van de rijwielframes die zouden zijn gebruikt om de naar de Unie geëxporteerde rijwielen te produceren, vastgesteld dat zich op twee punten een gebrek aan samenhang voordoet. Om te beginnen werden volgens factuur KYD‑CN‑F01 bij de Vietnamese handelaar stalen rijwielframes gekocht, terwijl volgens factuur CI‑15295‑PM sommige van de naar de Unie geëxporteerde rijwielen uitgerust waren met een frame van staal en andere met een frame van aluminium. Voorts is in factuur KYD‑CN‑F01 aangegeven dat het ging om rijwielframes van 26 inch, terwijl de in de Unie verkochte rijwielen die in factuur CI‑15295‑PM zijn vermeld drie verschillende groottes hadden, namelijk 26, 24 en 20 inch. Verzoekster betwist niet dat hier sprake is van een gebrek aan samenhang.
70
Ten derde blijkt het eerstbedoelde gebrek aan samenhang eveneens uit het formulier A/certificaat van oorsprong dat de Vietnamese autoriteiten voor die rijwielframes hadden afgegeven, aangezien hierin enkel stalen frames worden vermeld.
71
Aldus dient te worden vastgesteld dat verzoekster met de overgelegde bewijzen niet kan aantonen dat zij uit de zogezegd in Vietnam gekochte rijwielframes de rijwielen kon produceren die vermeld staan op factuur CI‑15295‑PM en naar de Unie zijn geëxporteerd.
72
Verzoekster probeert het aldus vastgestelde gebrek aan samenhang te verklaren door gewag te maken van een eenvoudige „fout” van haar Vietnamese leverancier. Dit argument faalt evenwel.
73
Immers moet worden opgemerkt dat het bedoelde gebrek aan samenhang betrekking heeft op zowel het materiaal als de grootte van de frames. Deze twee punten vormen de wezenlijke kenmerken van elk rijwiel en zijn bepalend voor type, kwaliteit en prijs ervan. Derhalve kan niet met succes worden gesteld dat zo belangrijke verschillen kunnen worden verklaard door een eenvoudige „fout” van de leverancier, temeer daar de aangevoerde „fout” meermaals aan het licht komt, namelijk niet alleen met betrekking tot het materiaal (staal of aluminium), maar ook met betrekking tot drie verschillende framematen.
74
Bovendien doen bepaalde documenten en gegevens die verzoekster heeft overgelegd nadat de Commissie haar bevindingen had meegedeeld en andere die zij in de loop van de onderhavige procedure heeft verstrekt, nog meer twijfels rijzen over de omstandigheden waarin de rijwielen vermeld in factuur CI‑15295‑PM naar de Unie zijn geëxporteerd.
75
In de eerste plaats heeft het Gerecht aldus in navolging van de Commissie vastgesteld dat factuur CI‑15295‑PM, zoals die tijdens de controle ter plaatse is overgelegd, onderzocht en gekopieerd en in bijlage B 5 is weergegeven, niet overeenkomt met de factuur die verzoekster in het kader van deze procedure in bijlage A 11 (blz. 200) heeft ingediend. Hetzelfde geldt voor de pakbon die is opgenomen in dezelfde bijlage A 11 (blz. 201). Dit is geen exacte kopie van de bon die tijdens de controle ter plaatse is overgelegd.
76
In de tweede plaats verklaart verzoekster dat de douaneautoriteiten de betrokken lading rijwielframes tijdens de passage van de Vietnamees-Cambodjaanse grens hebben onderzocht. Het betoog dat die autoriteiten niet hebben opgemerkt dat deze lading niet overeenkwam met de desbetreffende productomschrijving in het formulier A/certificaat van oorsprong of met die in factuur KYD‑CN‑F01 heeft echter geen kans van slagen, vooral omdat het betreffende gebrek aan samenhang betrekking had op essentiële kenmerken van deze goederen, namelijk het materiaal en de grootte van de frames.
77
In de derde plaats moet met de Commissie worden opgemerkt dat de bestelbon die verzoekster in antwoord op de mededeling van de bevindingen heeft overgelegd (zie bijlage A 12, blz. 231), geen prijs bevat, wat leidt tot twijfels over de betrouwbaarheid ervan. Verzoekster zet in dit verband uiteen dat een prijs ontbreekt omdat zij op het moment waarop zij de bestelling heeft geplaatst nog met haar Vietnamese leverancier onderhandelde over de definitieve prijs (punt 43 van de repliek). Tegelijkertijd beweert verzoekster echter deze leverancier juist te hebben gekozen omdat hij „het goedkoopste aanbod” deed (punt 45 van de repliek). Deze verklaringen lijken dus tegenstrijdig.
78
In de vierde plaats heeft de Commissie in overweging 71 van de bestreden verordening geconstateerd dat er „geen bewijsmateriaal [was] verstrekt met betrekking tot de overige fabricagestappen voor de frames zoals het snijden, vormgeven, stansen en lakken”. Hoewel verzoekster in haar verzoekschrift stelt dat in haar fabriek uit de gekochte frames afgewerkte fietsen werden vervaardigd die klaar waren voor de export, heeft zij geen bewijsmateriaal overgelegd omtrent de verschillende fabricagestappen voor de desbetreffende frames. Verzoekster heeft, nadat zij hier tijdens de hoorzitting vragen over had gekregen, bevestigd dat zij dergelijke bewijzen niet heeft verstrekt, zoals de Commissie in overweging 71 van de bestreden verordening heeft uiteengezet.
79
In de vijfde plaats staat vast dat verzoekster geen formulier A/certificaat van oorsprong heeft overgelegd inzake de naar de Unie geëxporteerde rijwielen waarop factuur CI‑15295‑PM betrekking heeft.
80
In deze omstandigheden dient te worden overwogen dat de Commissie, rekening houdend met de staat van verzoeksters fabriek in januari 2014, het ontbreken van bewijsmateriaal over de andere fabricagestappen voor de rijwielframes en het gebrek aan iedere andere aannemelijke uitleg, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken tot de slotsom kon komen dat bij de 1099 naar Griekenland geëxporteerde rijwielen overlading vanuit China heeft plaatsgevonden, aangezien deze niet konden zijn vervaardigd uit rijwielframes waarvan de wezenlijke kenmerken niet overeenkwamen met die van de rijwielen.
81
In dat verband kan verzoekster de Commissie niet tegenwerpen „automatisch” tot de slotsom te zijn gekomen dat bij de naar de Unie geëxporteerde rijwielen van factuur CI‑15295‑PM sprake was van overlading vanuit China.
82
Immers dient iedere individuele producent-exporteur volgens de in punt 55 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak zelf aan te tonen dat zijn specifieke situatie rechtvaardigt dat hem een vrijstelling krachtens artikel 13, lid 4, van de basisverordening wordt verleend. Gezien de beschouwingen in de punten 68 tot en met 80 hierboven dient te worden vastgesteld dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat zij die rijwielen heeft geproduceerd uit frames die van oorsprong uit Vietnam waren.
83
Bovendien volgt uit overweging 72 van de bestreden verordening en de door verzoekster in tabel F 2 verstrekte informatie dat verzoekster in het referentietijdvak het grootste deel van de rijwielonderdelen heeft geïmporteerd van Chinese producenten van rijwielen en rijwielonderdelen waarmee zij kapitaalbanden had (zie punt 11 hierboven). In deze omstandigheden en bij gebrek aan iedere andere aannemelijke verklaring die gestaafd wordt door betrouwbaar bewijsmateriaal, kon de Commissie zonder het recht verkeerd toe te passen tot de slotsom komen dat de naar de Unie geëxporteerde rijwielen die waren vermeld in factuur CI‑15295‑PM, vanuit China waren overgeladen.
84
Deze constatering is voldoende als bewijs dat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 13, lid 4, van de basisverordening en dat de Commissie dientengevolge haar verzoek om vrijstelling terecht heeft afgewezen.
85
Ten eerste volstaat immers, zoals volgt uit punt 57 hierboven, één enkele vorm van ontwijkingspraktijken om aan te tonen dat de verzoeker om vrijstelling zich met dergelijke praktijken inlaat in de zin van deze bepaling.
86
Ten tweede stelt het Gerecht vast dat de overlading waarom het gaat enkel betrekking heeft op de export naar de Unie van de 1099 rijwielen vermeld in factuur CI‑15295‑PM, zoals partijen in hun antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben bevestigd. Evenwel moet de betrokken producent volgens artikel 13, lid 4, van de basisverordening aantonen dat hij „zich niet inlaat met ontwijkingspraktijken”. In deze bepaling worden noch kwantitatieve voorwaarden noch kwalitatieve vereisten met betrekking tot deze praktijken gesteld. In het bijzonder verlangt deze bepaling niet dat de genoemde praktijken voor alle exporten naar de Unie tijdens het referentietijdvak worden vastgesteld.
87
Bovendien moet in casu worden geconstateerd dat deze export, die verre van onbeduidend is, 18 % vormde van verzoeksters totale export naar de Unie tijdens het referentietijdvak, zoals de Commissie heeft aangegeven.
88
Aangezien de Commissie terecht heeft vastgesteld dat verzoekster zich had ingelaten met een dergelijke overladingspraktijk – al was het slechts in het kader van de in punt 86 hierboven vermelde export – kon zij het verzoek om vrijstelling afwijzen zonder het recht verkeerd toe te passen. Het eerste middel moet bijgevolg ongegrond worden verklaard.
[omissis]
99
Uit een en ander volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
100
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
101
Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Zevende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Asia Leader International (Cambodia) Co. Ltd wordt verwezen in de kosten.
Tomljenović
Marcoulli
Kornezov
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 april 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy