ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
16 mei 2017 ( *1 )
„Mededinging — Mededingingsregeling — Misbruik van machtspositie — Markt voor de distributie van gewasbeschermingsmiddelen — Besluit tot afwijzing van een klacht — Vermeend mededingingsbeperkend gedrag van producenten en distributeurs — Onderling afgestemde of gecoördineerde indiening door producenten en distributeurs van klachten bij de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke autoriteiten — Aangifte van vermeende schendingen van de toepasselijke regeling door parallelimporteurs — Daarop door de bestuursrechtelijke autoriteiten verrichte bestuursrechtelijke controles — Oplegging door de nationale autoriteiten van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties aan parellelimporteurs — Gelijkstelling van de indiening van klachten door de producenten en importeurs met een vexatoire handeling of misbruik van bestuursrechtelijke procedures — Geen belang van de Unie — Recht op een effectieve rechterlijke bescherming”
In zaak T‑480/15,
Agria Polska sp. z o.o., gevestigd te Sosnowiec (Polen),
Agria Chemicals Poland sp. z o.o., gevestigd te Sosnowiec,
Star Agro Analyse und Handels GmbH, gevestigd te Allerheiligen bei Wildon (Oostenrijk),
Agria Beteiligungsgesellschaft mbH, gevestigd te Allerheiligen bei Wildon,
aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Dudzik en J. Budzik, vervolgens door P. Graczyk en W. Rocławski, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Szczodrowski, A. Dawes en J. Norris-Usher als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2015) 4284 final van de Commissie van 19 juni 2015 [zaak AT.39864 – BASF (voordien AGRIA e.a./BASF e.a.)] houdende afwijzing van de door verzoeksters ingediende klacht betreffende schendingen van artikel 101 en/of artikel 102 VWEU die zouden zijn begaan door voornamelijk 13 ondernemingen voor de productie en distributie van gewasbeschermingsmiddelen, met hulp van of via bemiddeling door vier beroepsorganisaties en één advocatenkantoor,
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, P. Nihoul en J. Svenningsen (rapporteur), rechters,
griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 februari 2017,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoeksters, Agria Polska sp. z o.o., Agria Chemicals Poland sp. z o.o., Star Agro Analyse und Handels GmbH en Agria Beteiligungsgesellschaft mbH, zijn respectievelijk twee ondernemingen naar Pools recht, één onderneming naar Duits recht en één onderneming naar Oostenrijks recht, die actief zijn in de sector van de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen die gebeurt in het kader van parallelimport van die producten waardoor met name winst kan worden gemaakt op basis van de verschillen in de btw-tarieven die in de verschillende lidstaten op die producten van toepassing zijn. Die transacties houden in wezen in dat dit soort producten vanuit lidstaten, waar voor die producten reeds een vergunning is verleend, in Polen worden ingevoerd, in de opslagplaatsen van verzoeksters worden opgeslagen en vervolgens opnieuw worden uitgevoerd naar andere lidstaten, met inbegrip van die lidstaten waar voor die producten aanvankelijk een vergunning was verleend, in casu hoofdzakelijk Duitsland en Oostenrijk.
Procedure voor de UOKiK
2
Op 1 juli 2010 heeft Agria Polska bij de Urząd Ochrony Konkurencji i Konsumentów (dienst voor mededingings- en consumentenbescherming, Polen; hierna: „UOKiK”) een klacht ingediend (hierna: „nationale klacht”) betreffende schending van de Ustawa o ochronie konkurencji i konsumentów (wet betreffende de mededingings- en consumentenbescherming) van 16 februari 2007 (Dz. U. nr. 50, volgnummer 331) door 13 ondernemingen, te weten BASF SE, Bayer CropScience, RWA Raiffeisen Ware Austria AG (hierna: „RWA”), Deutscher Raiffeisenverband, Sumi-Agro, Monsanto, Nufarm, Rokita Agro, DuPont, Arysta, Syngenta, Dow en Makhteshim Agan, producenten of distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen, met hulp van of via bemiddeling door vier beroepsorganisaties – te weten Industrieverband Agrar (hierna: „IVA”), Fachverband der chemischen Industrie – Industriegruppe Pflanzenschutz (IGP), European Crop Protection Association en Polskie Stowarzyszenie Ochrony Roślin (PSOR), respectievelijk gevestigd in Duitsland, België en Polen – en één advocatenkantoor.
3
Bij brief van 10 augustus 2010 heeft de voorzitter van de UOKiK Agria Polska ingelicht dat, aangezien de in de klacht aangevoerde praktijken betrekking hadden op de jaren 2005‑2006, die dienst geen onderzoek naar die praktijken meer kon instellen. Krachtens artikel 93 van de wet betreffende de mededingings- en consumentenbescherming kan een procedure inzake mededingingsbeperkende praktijken namelijk niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een jaar, te rekenen vanaf het einde van het jaar waarin de betrokken schending was beëindigd.
4
Op 30 augustus 2010 heeft Agria Polska de UOKiK opnieuw verzocht een onderzoek in te stellen betreffende de vermeende mededingingsregeling tussen de producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen. Zij heeft aangevoerd dat de op 1 juli 2010 ingediende nationale klacht tevens betrekking had op de schending door laatstgenoemden van het mededingingsrecht van de Europese Unie.
5
In zijn brief van 22 november 2010 is de voorzitter van de UOKiK bij zijn standpunt gebleven en heeft hij gepreciseerd dat de in het Poolse recht vastgelegde verjaringstermijn van één jaar van toepassing was zelfs indien het onderzoek waarom was verzocht, bepalingen van het mededingingsrecht van de Unie betrof.
Procedure voor de Commissie
6
Op 30 november 2010 hebben verzoeksters en Agro Nova Polska sp. z o.o. krachtens artikel 7 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 WEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) een klacht ingediend bij de Europese Commissie (hierna: „klacht”). Die klacht had betrekking op dezelfde entiteiten als die welke in de bij de UOKiK ingediende nationale klacht waren genoemd. Agro Trade Handelsgesellschaft mbH en Cera Chem S.a.r.l., ondernemingen naar Duits, respectievelijk Luxemburgs recht, hebben zich bij die klacht aangesloten. De Commissie is daarvan op de hoogte gesteld in de aanvullende gemeenschappelijke conclusies die op 15 december 2010 door al die ondernemingen tezamen zijn ingediend (hierna: „de oorspronkelijke klagende ondernemingen”). Diezelfde ondernemingen hebben de Commissie op 27 april 2011 aanvullende informatie verstrekt.
7
Op 29 juli 2011 hebben de oorspronkelijke klagende ondernemingen de Commissie een samenvatting van de klacht bezorgd.
8
Uit de aldus door de oorspronkelijke klagende ondernemingen overgelegde documenten blijkt dat de klacht in wezen schending van artikel 101 VWEU betrof. In die klacht werd door RWA ook schending van artikel 102 VWEU aangevoerd.
9
Algemeen gesteld, hebben de oorspronkelijke klagende ondernemingen aangevoerd dat de in de klacht genoemde entiteiten ten aanzien van hen blijk hadden gegeven van feitelijke gedragingen die in strijd waren met het mededingingsrecht van de Unie. Die gedragingen namen hoofdzakelijk de vorm aan van een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen die entiteiten en hielden in dat zij op gecoördineerde wijze meerdere keren kennelijk ongegrond aangifte hebben gedaan bij de Oostenrijkse en de Poolse bestuursrechtelijke en strafrechtelijke autoriteiten, waarbij zij de rechtmatigheid van de commerciële activiteiten van de oorspronkelijke klagende ondernemingen in twijfel trokken, in het licht zowel van de vereisten die zijn gesteld in de op gewasbeschermingsmiddelen toepasselijke regelgeving als van de uitoefeningsvoorwaarden voor parallelhandel van dergelijke producten, daaronder begrepen op fiscaal vlak.
10
Volgens de oorspronkelijke klagende ondernemingen is het op basis van onjuiste, onvolledige of zelfs leugenachtige verklaringen die de in de klacht genoemde entiteiten hebben geuit om hen van de markt te verdrijven, dat zij ten onrechte zijn onderworpen aan talrijke controles door de Oostenrijkse en de Poolse bestuursrechtelijke, fiscale en strafrechtelijke autoriteiten, waaronder controles ter plaatse en inbeslagnemingen van gewasbeschermingsmiddelen in hun opslagplaatsen, en dat er strafprocedures tegen hen zijn ingesteld, daarenboven op een voor de seizoensgebonden handel in gewasbeschermingsmiddelen strategisch tijdstip van het jaar, te weten gedurende het eerste deel van het jaar.
11
Naar aanleiding van die bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures zijn aan de oorspronkelijke klagende ondernemingen zware boeten opgelegd, wat overigens heeft geleid tot het faillissement van een van hen, Agria Polska, en tot een verbod om gewasbeschermingsmiddelen in de handel te brengen op een sleutelmoment van het jaar voor de handel in dit soort producten. Dat heeft voor de oorspronkelijke klagende ondernemingen tot een aanzienlijk en moeilijk omkeerbaar verlies van hun marktaandeel geleid.
12
De oorspronkelijke klagende ondernemingen waaraan bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties zijn opgelegd, hebben in een aantal gevallen evenwel via beroepen voor de bevoegde nationale rechterlijke instanties verkregen dat die sancties nietig werden verklaard dan wel aanzienlijk werden verlaagd, wat aantoont dat de verklaringen van de in de klacht genoemde entiteiten bedrieglijk en leugenachtig zijn. Die verklaringen zijn volgens de oorspronkelijke klagende ondernemingen „vexatoire procedures” in de zin van de rechtspraak die volgt uit het arrest van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183).
13
De oorspronkelijke klagende ondernemingen hebben voorts aangevoerd dat de aangiften die door de in de klacht genoemde entiteiten waren gedaan, mede mogelijk waren gemaakt door het actieve optreden van zowel de Duitse autoriteiten, met name van een vertegenwoordiger van de ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Republiek Polen, als de Poolse autoriteiten. De producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen hebben in dat verband intensief gelobbyd bij die nationale autoriteiten.
14
Op 27 maart 2012 heeft de Commissie, met instemming van de oorspronkelijke klagende ondernemingen, een niet-vertrouwelijke en geconsolideerde versie van de klacht aan de in die klacht genoemde entiteiten gezonden, die hun opmerkingen hebben ingediend gedurende de maanden april tot en met juni 2012.
15
In hun respectievelijke opmerkingen hebben de in de klacht genoemde entiteiten de weergave van de in de klacht vermelde feiten betwist en in wezen aangevoerd dat de verschillende handelingen die een aantal onder hen bij de nationale bestuursrechtelijke autoriteiten of de nationale rechterlijke instanties hadden gesteld, rechtmatig waren, gelet met name op de inbreuken op hun intellectuele of industriële eigendomsrechten en met het oog op het voorkomen van reputatieschade. Voorts hebben zij uiteengezet dat hun handelingen helemaal niet gecoördineerd waren en dat het feit dat deze kort na elkaar hadden plaatsgevonden voornamelijk kon worden verklaard door het feit dat zij op diezelfde tijdstippen te maken hadden gekregen met de onrechtmatige activiteiten van de parallelimporteurs. De contacten die in dat verband plaatsvonden tussen een aantal producenten en/of distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen of tussen laatstgenoemden en de beroepsorganisaties of de nationale bestuursorganen, waren volkomen gerechtvaardigd. Dat gold overigens ook voor hun deelname aan de inspecties. Op basis van die rechtmatige contacten is dus niet bewezen dat sprake was van een mededingingsregeling in de zin van artikel 101 VWEU.
16
Bij brief van 8 december 2014 heeft de Commissie de oorspronkelijke klagende ondernemingen ingelicht dat zij voornemens was de klacht af te wijzen, hoofdzakelijk omdat de Unie geen voldoende belang had bij de voortzetting van de behandeling van de klacht op grond van de artikelen 101 of 102 VWEU.
17
Ter ondersteuning van haar voorlopige analyse heeft de Commissie in de eerste plaats uiteengezet dat het weinig waarschijnlijk was dat kon worden aangetoond dat inbreuk was gepleegd op artikel 101 en/of artikel 102 VWEU omdat ter ondersteuning van de klacht onvoldoende bewijzen waren verstrekt en in casu moeilijk kon worden bewezen dat RWA een machtspositie innam of dat er sprake was van een gemeenschappelijke machtspositie en vervolgens dat misbruik was gemaakt van een dergelijke positie. In dat verband heeft de Commissie erop gewezen dat volgens haar de rechtspraak die volgde uit de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266), bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 6 december 2012, AstraZeneca/Commissie (C‑457/10 P, EU:C:2012:770), niet kon worden toegepast op situaties waarin ondernemingen de nationale autoriteiten op de hoogte stelden van vermeend onrechtmatige gedragingen of handelingen van andere ondernemingen of trachtten te bewerkstelligen dat laatstgenoemde ondernemingen bestuursrechtelijk of strafrechtelijk werden vervolgd. In de tweede plaats was de Commissie van mening dat de middelen die vereist waren voor het gevraagde onderzoek waarschijnlijk onevenredig waren, daar het weinig waarschijnlijk was dat een inbreuk kon worden aangetoond. In de derde plaats waren volgens de Commissie in dit stadium de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties mogelijk beter geplaatst om de in de klacht aangevoerde problemen te behandelen.
18
In op 8 januari 2015 ingediende opmerkingen heeft de advocaat van de oorspronkelijke klagende ondernemingen, met uitzondering van Agro Nova Polska, de Commissie ingelicht dat Agro Trade Handelsgesellschaft en Cera Chem van de voortzetting van de procedure hadden afgezien en dus kon worden aangenomen dat zij „hun klacht hadden ingetrokken”. Hij heeft voorts uitgelegd dat verzoeksters het niet eens waren met de aangekondigde beslissing om de klacht niet verder te behandelen, met name omdat daardoor hun kans om voor de nationale rechterlijke instanties schadevergoeding te verkrijgen wegens de aan de orde zijnde schendingen van Unierecht, te weten de artikelen 101 en 102 VWEU, aanzienlijk werd verkleind.
19
Bij besluit C(2015) 4284 final van 19 juni 2015 [zaak AT.39864– BASF (voordien AGRIA e.a./BASF e.a.)] (hierna: „bestreden besluit”) heeft de Commissie de klacht afgewezen en in wezen de in de brief van 8 december 2014 uiteengezette elementen van de voorlopige analyse herhaald. Zij heeft daarbij benadrukt dat zij over beperkte middelen beschikte en dat in casu het grondige onderzoek dat zij had moeten verrichten en dat mogelijk betrekking had op de activiteiten die gedurende een periode van zeven jaar door 18 entiteiten in vier lidstaten waren verricht, te ingewikkeld en tijdrovend zou zijn geweest terwijl de kans dat daarmee een inbreuk kon worden bewezen in casu beperkt leek, wat ervoor pleitte om geen onderzoek te openen.
Procedure en conclusies van partijen
20
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 augustus 2015, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
21
Na een dubbele uitwisseling van memories en op voorstel van de rechter-rapporteur, heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Met het oog op die mondelinge behandeling is verzoeksters en de Commissie verzocht schriftelijk te antwoorden op de vragen die het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang had gesteld. Zij hebben op die vragen geantwoord binnen de gestelde termijn, respectievelijk op 16 en op 12 januari 2017 en, in antwoord op de uitnodiging een standpunt in te nemen op hun respectievelijke antwoorden, heeft de Commissie op 6 februari 2017 opmerkingen ingediend met betrekking tot het antwoord van verzoeksters van 16 januari 2017, terwijl verzoeksters dienaangaande enkel ter terechtzitting een standpunt hebben ingenomen.
22
Partijen zijn ter terechtzitting van 28 februari 2017 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord. In het kader van hun pleidooien hebben verzoeksters met name gewezen op de duur van de bestuursrechtelijke procedure voor de Commissie maar, toen zij daarover door het Gerecht werden ondervraagd, hebben zij te kennen gegeven dat zij geen nieuw middel wensten aan te voeren dat was ontleend aan schending van het beginsel van de redelijke termijn.
23
Verzoeksters verzoeken het Gerecht:
—
het bestreden besluit nietig te verklaren;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
24
De Commissie verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
25
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters twee middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het tweede middel betreft de schending van de artikelen 101 en 102 VWEU.
26
Het Gerecht acht het zinvol eerst het tweede middel te onderzoeken.
Tweede middel
27
Het tweede middel van verzoeksters bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel wordt aangevoerd dat de Commissie het belang van de Unie bij het instellen van een onderzoek kennelijk onjuist heeft beoordeeld en in dat verband blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren op de onderhavige zaak de beginselen toe te passen die zijn ontwikkeld in de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266). Het tweede onderdeel van dit middel betreft afbreuk aan de nuttige werking van de artikelen 101 en 102 VWEU, aangezien in de onderhavige zaak geen enkele nationale autoriteit of nationale rechterlijke instantie nuttige uitvoering kon geven aan die bepalingen van primair recht van de Unie bij ontbreken van een onderzoek door de Commissie.
28
De Commissie verzoekt dat het tweede middel ongegrond wordt verklaard.
Eerste onderdeel van het tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling van het belang van de Unie om een onderzoek in te stellen
29
Volgens verzoeksters heeft de Commissie blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door in het bestreden besluit vast te stellen dat de Unie geen voldoende belang had bij het instellen van een onderzoek. In dat verband voeren zij aan dat de klacht betrekking had op een belemmering van parallelhandel en dat de Commissie in dat besluit zelf heeft erkend dat, indien een onderzoek zou zijn ingesteld, dit betrekking had moeten hebben op de praktijk van 18 entiteiten in vier lidstaten gedurende een vermeende periode van zeven jaar. Op basis van de geografische en materiële omvang van het onderzoek, zoals gevraagd door verzoeksters in de klacht, blijkt dat het noodzakelijk was dit onderzoek op het niveau van de Unie te verrichten en dat de Commissie dus duidelijk beter geplaatst was om dit met de vereiste of verwachte doeltreffendheid te doen, dan de Poolse en/of de Oostenrijkse autoriteiten.
30
Verzoeksters zijn tevens van mening dat zij voldoende bewijzen hebben verstrekt ter ondersteuning van de in de klacht geformuleerde stellingen. Door te weigeren een onderzoek in te stellen heeft de Commissie de feitelijke en juridische gegevens van de betrokken zaak dus niet juist beoordeeld.
31
In dat verband verwijzen verzoeksters in de eerste plaats met name naar de briefwisseling tussen twee advocatenkantoren, een Pools en een Oostenrijks. Het Oostenrijkse kantoor was door ondernemingen, die anoniem wensen te blijven, gemachtigd om zelf dan wel via het Poolse advocatenkantoor tegen verzoeksters allerhande klachten in te dienen bij de Poolse en/of Oostenrijkse bestuursrechtelijke autoriteiten en strafrechtelijke instanties. Met die aangiften en die druk – waarnaar verzoeksters tevens verwijzen als „misbruik van procedure in strafrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken” en die volgens hen hoofdzakelijk toe te rekenen waren aan RWA – wilden die ondernemingen, door op een gecoördineerde manier onjuiste of leugenachtige informatie te verstrekken, in wezen bewerkstelligen dat aan drie verzoeksters een verbod werd opgelegd om hun activiteiten van parallelhandel uit te oefenen gedurende de drie komende jaren en dat verzoeksters aan strengere fiscale controles werden onderworpen zonder dat daarvoor een bijzondere reden bestond. RWA had tevens Poolse privédetectives ingezet om toezicht te houden op de activiteiten van verzoeksters.
32
In de tweede plaats verwijzen verzoeksters naar de getuigenissen van een aantal Poolse en Oostenrijkse ambtenaren die zijn overgenomen in de processen-verbaal van de verhoren, die zijn opgesteld in het kader van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures die op verzoek van de in de klacht genoemde entiteiten waren ingesteld. Zij voeren voorts aan dat een vertegenwoordiger van de ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Republiek Polen, samen met Poolse ambtenaren, op 14 en 15 juni 2005 heeft deelgenomen aan een bijeenkomst tussen PSOR en IVA, twee van de in de klacht genoemde verenigingen van producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen. Naar aanleiding van die ontmoeting is door de vertegenwoordiger van IVA een veelzeggend proces-verbaal opgesteld, zoals bleek uit de woorden van lof die volgens verzoeksters werden geuit door de opsteller van het proces-verbaal, die toejuichte dat hij erin was geslaagd te voorkomen dat Agria Polska haar handelsactiviteit uitoefende door „op het juiste moment” op te treden en de „juiste” gesprekspartners te kiezen.
33
In de derde plaats plaatsen betwijfelen verzoeksters of de ontmoetingen tussen de Duitse, de Oostenrijkse en de Poolse autoriteiten in verband met de activiteiten van de oorspronkelijke klagende ondernemingen rechtmatig waren en of daarvoor een reden bestond. Naar aanleiding van die ontmoetingen heeft, na een bezoek op 6 februari 2006 van Poolse ambtenaren aan hun Oostenrijkse collega’s van het Bundesamt für Ernährungssicherheit (federale dienst voor voedselveiligheid, Oostenrijk), de Poolse algemeen inspecteur van de gezondheid van planten en zaden op 22 februari 2006 met name opdracht gegeven aan de inspecteur van de gezondheid van planten en zaden van het regiobestuur van Silezië tot Katowice (Polen) om de activiteiten van Agria Polska opnieuw te controleren. Verzoeksters verklaren voorts in hun antwoord van 16 januari 2017 op de vragen van het Gerecht dat tijdens dit bezoek van Poolse ambtenaren in Oostenrijk een ontmoeting plaatsvond met de werkgroep die belast was met gewasbeschermingsmiddelen van IVA, wat aantoont dat die vereniging invloed had op het besluitvormingsproces van de Poolse autoriteiten.
– Algemene overwegingen
34
Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie, die ingevolge artikel 105, lid 1, VWEU over de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU dient te waken, het mededingingsbeleid van de Unie bepalen en uitvoeren, en beschikt zij daartoe over een discretionaire bevoegdheid bij de behandeling van klachten (arresten van 26 januari 2005, Piau/Commissie, T‑193/02, EU:T:2005:22, punt 80; 12 juli 2007, AEPI/Commissie, T‑229/05, niet gepubliceerd, EU:T:2007:224, punt 38, en 15 december 2010, CEAHR/Commissie, T‑427/08, EU:T:2010:517, punt 26). Om deze taak naar behoren te kunnen vervullen, mag zij inzake de bij haar ingediende klachten prioriteiten stellen (zie arrest van 4 maart 1999, Ufex e.a./Commissie, C‑119/97 P, EU:C:1999:116, punt 88en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
De Commissie mag, wanneer zij in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid beslist aan de bij haar ingediende klachten verschillende prioriteiten toe te kennen, niet alleen de volgorde bepalen waarin de klachten zullen worden onderzocht, maar eveneens een klacht afwijzen wegens ontoereikend belang van de Unie om het onderzoek van de zaak voort te zetten (arresten van 24 januari 1995, Tremblay e.a./Commissie, T‑5/93, EU:T:1995:12, punt 60, en 14 februari 2001, Sodima/Commissie, T‑62/99, EU:T:2001:53, punt 36). Aangezien de beoordeling van het belang voor de Unie van een klacht inzake mededinging afhangt van de feitelijke en juridische omstandigheden van elke zaak (arrest van 12 juli 2007, AEPI/Commissie, T‑229/05, niet gepubliceerd, EU:T:2007:224, punt 38), mogen geen beperkingen worden gesteld aan het aantal beoordelingscriteria dat de Commissie kan hanteren, en mag zij evenmin worden verplicht, uitsluitend bepaalde criteria te hanteren (arresten van 17 mei 2001, IECC/Commissie, C‑450/98 P, EU:C:2001:276, punt 58, en 16 januari 2008, Scippacercola en Terezakis/Commissie, T‑306/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:9, punt 189).
36
De discretionaire bevoegdheid waarover de Commissie beschikt, is echter niet onbeperkt (arrest van 4 maart 1999, Ufex e.a./Commissie, C‑119/97 P, EU:C:1999:116, punt 89). Zij moet immers alle relevante feitelijke en juridische elementen waarvan de klager haar op de hoogte heeft gesteld, aandachtig onderzoeken en in aanmerking nemen om over het aan de klacht te geven gevolg te beslissen (zie arrest van 17 mei 2001, IECC/Commissie, C‑450/98 P, EU:C:2001:276, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Indien de Commissie, zoals in de onderhavige zaak, besluit om geen onderzoek in te stellen, is zij niet verplicht om ter staving van dat besluit te bewijzen dat geen inbreuk werd gepleegd (zie in die zin arrest van 16 januari 2008, Scippacercola en Terezakis/Commissie, T‑306/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:9, punten 130 en 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
In een dergelijke situatie dient het Gerecht dus niet na te gaan of de klager in zijn klacht voldoende gegevens had verstrekt op basis waarvan kon worden vastgesteld dat het mededingingsrecht was geschonden, maar wel of uit het bestreden besluit blijkt dat de Commissie een afweging heeft gemaakt tussen het belang van de gestelde inbreuk voor de werking van de gemeenschappelijke markt, de waarschijnlijkheid dat zij het bestaan ervan kan aantonen en de reikwijdte van de onderzoeksmaatregelen die nodig zijn om onder optimale voorwaarden te waken over de eerbiediging van de artikelen 101 en 102 VWEU (arresten van 18 september 1992, Automec/Commissie, T‑24/90, EU:T:1992:97, punt 86; 24 januari 1995, Tremblay e.a./Commissie, T‑5/93, EU:T:1995:12, punt 62, en 12 juli 2007, AEPI/Commissie, T‑229/05, niet gepubliceerd, EU:T:2007:224, punt 41). Bovendien mag de rechter van de Unie bij de toetsing zijn beoordeling van het Uniebelang niet in de plaats stellen van die van de Commissie (zie arrest van 16 januari 2008, Scippacercola en Terezakis/Commissie, T‑306/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:9, punt 97en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Om het Gerecht in staat te stellen een daadwerkelijke controle uit te oefenen op de wijze waarop de Commissie gebruikmaakt van haar discretionaire bevoegdheid om prioriteiten te stellen, dient de Commissie, wanneer zij besluit het onderzoek van een klacht niet voort te zetten, dit besluit dus te motiveren en deze motivering moet voldoende nauwkeurig en gedetailleerd zijn (arresten van 4 maart 1999, Ufex e.a./Commissie, C‑119/97 P, EU:C:1999:116, punten 90 en 91, en 14 februari 2001, Sodima/Commissie, T‑62/99, EU:T:2001:53, punt 42).
40
In de onderhavige zaak heeft de Commissie zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de Unie geen voldoende belang had bij het instellen van een onderzoek omdat het weinig waarschijnlijk leek dat een inbreuk op artikel 101 en/of artikel 102 VWEU werd vastgesteld, de omvang van de noodzakelijke onderzoeken waarschijnlijk niet in verhouding stond tot die geringe waarschijnlijkheid en de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties beter geplaatst leken om de vastgestelde problemen te behandelen.
41
Het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden onderzocht tegen die achtergrond en in het licht van de in de punten 34 tot en met 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
– Waarschijnlijkheid dat een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld en omvang van het onderzoek
42
Aangaande het door de Commissie in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat het weinig waarschijnlijk was dat de gestelde inbreuk werd bewezen, stelt het Gerecht vast dat uit de door verzoeksters verstrekte feitelijke gegevens duidelijk bleek dat er, hoofdzakelijk in 2005 en 2006 maar ook later, in 2008 en van 2010 tot 2012, tegen hen gelijktijdige en onderling overeenstemmende aangiften waren gedaan bij de Oostenrijkse en de Poolse autoriteiten, vermoedelijk door een aantal in de klacht genoemde producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen, ook al zijn daarvoor geen vaststaande en nauwkeurige bewijzen.
43
In dat verband komt het Gerecht, net als de Commissie in het bestreden besluit, tot de vaststelling dat de bewijzen die door verzoeksters zijn overgelegd om aan te tonen dat het aannemelijk was dat er tussen de producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestonden, in wezen verband hielden met, ten eerste, het feit dat de verzoeksters betreffende aangiften bij de nationale autoriteiten gelijktijdig zijn gedaan, ten tweede, de omstandigheid dat die producenten en distributeurs in het kader van brancheverenigingen waarbij zij waren aangesloten, waren bijeengekomen, met name op 14 en 15 juni 2005 tijdens een gezamenlijke bijeenkomst van PSOR en IVA, en, ten derde, het feit dat twee advocatenkantoren waren gemachtigd om de verschillende nationale autoriteiten op de hoogte te brengen van vermeende inbreuken door de oorspronkelijke klagende ondernemingen op de wettelijke regelingen die van toepassing waren op de handel in gewasbeschermingsmiddelen.
44
Artikel 101 VWEU staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen marktdeelnemers direct of indirect opgenomen contact dat tot doel of tot gevolg heeft, hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent te beïnvloeden, hetzij aan een dergelijke concurrent het aangenomen of voorgenomen marktgedrag bekend te maken. Dit neemt niet weg dat marktdeelnemers gerechtigd zijn hun beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van hun concurrenten aan te passen (arresten van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, EU:C:1975:174, punt 174, en 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, EU:T:1999:80, punt 720). De ondernemingen mogen met name handelen ter verdediging van hun rechtmatige belangen in geval van een mogelijke schending door hun concurrenten van de toepasselijke bepalingen, zoals in casu, de regelingen betreffende de handel in gewasbeschermingsmiddelen. Vice versa kunnen ondernemingen, zoals verzoeksters, krachtens artikel 7 van verordening nr. 1/2003 bij de Commissie aangifte doen van eventuele inbreuken die hun concurrenten op de artikelen 101 en 102 VWEU hadden gepleegd.
45
In de onderhavige zaak had kunnen worden overwogen om de in de klacht van verzoeksters eenzijdig verstrekte gegevens op zich te beschouwen als aanwijzingen van een mogelijke coördinatie tussen de in de klacht genoemde entiteiten om een strategie te bepalen voor een gezamenlijke denunciatie van de inbreuken die verzoeksters zouden hebben gepleegd op de toepasselijke regelingen, die met name betrekking hadden op de parellelimport van gewasbeschermingsmiddelen.
46
In het licht van de toelichtingen die door een aantal van de in de klacht genoemde entiteiten zijn verstrekt, volgens welke zij werden geconfronteerd met inbreuken die waren begaan door de oorspronkelijke klagende ondernemingen in eenzelfde periode van het jaar, te weten die waarin de behoefte van landbouwers aan gewasbeschermingsmiddelen het hoogst is, heeft het Gerecht aangaande de waarschijnlijkheid dat kan worden aangetoond dat er sprake is van een mededingingsregeling of van onderling afgestemde feitelijke gedragingen, evenwel geoordeeld dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door zich in het bestreden besluit op het standpunt te stellen dat een dergelijk antwoord kon rechtvaardigen dat de producenten en distributeurs van die producten gelijktijdig aangifte deden bij de nationale autoriteiten.
47
Wat vervolgens de waarschijnlijkheid betreft dat die gelijktijdige aangiften er mogelijk toe strekten de mededinging te verstoren, is het Gerecht in het algemeen van oordeel dat, gelet met name op de risico’s op reputatieschade of op aantasting van de oorspronkelijke toestand van de in de handel gebrachte producten, het gerechtvaardigd kan zijn dat producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen de bevoegde nationale autoriteiten op de hoogte brengen van eventuele inbreuken die hun concurrenten op de geldende bepalingen hadden gemaakt, met name tegen de achtergrond van een parallelimport van dergelijke producten. Aangaande de deelname van een aantal van de in de klacht genoemde entiteiten aan de door de nationale autoriteiten in de lokalen van verzoeksters verrichte controles bepaalt de Unieregeling, met name verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (PB 2003, L 196, blz. 7) en verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van verordening nr. 1383/2003 (PB 2013, L 181, blz. 15), dat in bepaalde gevallen de houders van intellectuele-eigendomsrechten bij de controles aanwezig mogen zijn om te bepalen of al dan niet inbreuk op die rechten is gemaakt.
48
De Commissie heeft dus evenmin blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door in het bestreden besluit aan te nemen dat de in de klacht genoemde entiteiten gerechtigd waren om de nationale autoriteiten op de hoogte te brengen van inbreuken die verzoeksters zouden hebben gepleegd op de toepasselijke regelingen en om, in voorkomend geval, in het kader van de door die autoriteiten verrichte controles met hen samen te werken.
49
Wat ten slotte de stelling betreft dat de bestuursrechtelijke controles en de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke vervolging van verzoeksters verband hielden met gedragingen van de in de klacht genoemde entiteiten, stelt het Gerecht vast dat besluiten om controles te verrichten aan de hand van stukken of ter plaatse en om bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures in te stellen tegen verzoeksters, die aan de basis lagen van de problemen waaraan laatstgenoemde entiteiten het hoofd hadden moeten bieden om hun handelsactiviteiten onder dezelfde voorwaarden uit te oefenen, konden worden toegerekend aan die nationale autoriteiten, die, zoals verzoeksters erkennen, in het openbaar belang handelen en wier besluiten daarom onder hun beoordelingsbevoegdheid vallen. Hoewel zij in hun antwoord van 16 januari 2017 verwijzen naar een aantal bepalingen van Pools en Oostenrijks recht, die niet noodzakelijk hun standpunt ondersteunen, tonen verzoeksters immers niet aan dat die nationale autoriteiten een gebonden bevoegdheid hadden, in die zin dat zij krachtens die nationale wettelijke regelingen verplicht waren op te treden op grond van het enkele feit dat zij informatie van derden hadden ontvangen.
50
Het Gerecht is van mening dat het in de onderhavige zaak niet uitgesloten was dat die nationale autoriteiten krachtens hun nationale wettelijke regelingen tot de slotsom kwamen dat op basis van de aan hen – al dan niet anoniem – verstrekte gegevens niet kon worden bewezen of vermoed dat verzoeksters geldende bestuursrechtelijke, fiscale of strafrechtelijke bepalingen hadden geschonden en die gegevens dus niet rechtvaardigden dat tegen hen vervolging werd ingesteld. Voorts zijn, zoals de Commissie in punt 52 van het bestreden besluit heeft benadrukt, een aantal van de controles door de Poolse autoriteiten, met name in 2008, in ieder geval ambtshalve verricht en niet omdat een van de concurrenten van verzoeksters daarom had verzocht.
51
Los van de beoordeling door die Oostenrijkse en Poolse autoriteiten of het opportuun was controles te verrichten of vervolging tegen verzoeksters in te stellen, stelt het Gerecht vast dat volgens de door verzoeksters verstrekte gegevens in Oostenrijk 57 besluiten – ieder met betrekking tot een ander door verzoeksters in de handel gebracht product – zijn vastgesteld na bestuursrechtelijke controleprocedures aan de hand waarvan de nationale autoriteiten hebben kunnen vaststellen dat verzoeksters het toepasselijke recht hebben geschonden, en dat, wat Polen betreft, aan verzoeksters in wezen administratieve geldboeten zijn opgelegd van 21759969,92 Poolse zloty (PLN), 48247161,60 PLN en 375056,56 PLN. In dat verband zijn achteraf een aantal van voornoemde besluiten en geldboeten, geheel of gedeeltelijk nietig verklaard of ingetrokken door de bevoegde nationale rechterlijke instanties die uitspraak deden op de door verzoeksters ingestelde beroepen. Dit neemt evenwel niet weg dat de nationale autoriteiten zich in de krachtens het nationale recht vastgestelde besluiten aanvankelijk op het standpunt hadden gesteld dat verzoeksters de op de handel in gewasbeschermingsmiddelen toepasselijke bepalingen hadden geschonden en dat hoe dan ook eventuele door de nationale autoriteiten begane onrechtmatigheden niet konden worden toegerekend aan de in de klacht genoemde entiteiten.
52
Op basis van die vaststellingen van de Poolse en de Oostenrijkse autoriteiten kon – en ook de Commissie was in de onderhavige zaak die mening toegedaan – de stelling van verzoeksters worden gerelativeerd dat de verklaringen en aangiften van de in de klacht genoemde producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen misleidend of leugenachtig waren en pasten in een collectief plan om verzoeksters als concurrerende ondernemingen uit te schakelen. In dat verband merkt het Gerecht daarenboven op dat verzoeksters niet hebben uitgelegd waarom zij concreet niet hebben getracht om krachtens het nationale recht bij de Poolse en de Oostenrijkse rechterlijke instanties vorderingen wegens laster in te stellen tegen de ondernemingen die zij er in casu van beschuldigen misleidende of leugenachtige verklaringen tegen hen te hebben geuit.
53
In het licht van die overwegingen leek het op het eerste gezicht niet vanzelfsprekend dat in de huidige stand van het Unierecht de Commissie gemakkelijk had kunnen bewijzen dat de gedragingen van de in de klacht genoemde entiteiten, zoals beschreven en met stukken gestaafd door verzoeksters, als zodanig konden worden beschouwd als gedragingen in het kader van een mededingingsregeling in de zin van artikel 101 VWEU of een gemeenschappelijke machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU.
54
De Commissie kon dus, zonder blijk te geven van een kennelijk onjuiste beoordeling, in het bestreden besluit aannemen dat het weinig waarschijnlijk leek dat een inbreuk op artikel 101 VWEU of artikel 102 VWEU kon worden bewezen.
55
Voor zover verzoeksters met de klacht en het onderhavige beroep opkwamen tegen de handelwijze en de besluiten van de nationale autoriteiten – in casu de Duitse, de Oostenrijkse en de Poolse – met name het feit dat die autoriteiten hebben overlegd met het oog op het volbrengen van hun taak, te weten te controleren of de handelaars in gewasbeschermingsmiddelen de toepasselijke regelgeving naleven, moet worden vastgesteld dat dergelijke gedragingen en besluiten van de autoriteiten van de lidstaten niet binnen de werkingssfeer van de artikelen 101 en 102 VWEU vallen, aangezien die artikelen er enkel op gericht zijn de handelwijze van ondernemingen te regelen (zie in die zin arrest van 5 april 1984, Van de Haar en Kaveka de Meern, 177/82 en 178/82, EU:C:1984:144, punt 24). Dat die autoriteiten, zoals verzoeksters in hun antwoord van 16 januari 2017 aanvoeren, bij het nemen van hun besluit om controles te verrichten waren beïnvloed omdat gemachtigde advocatenkantoren zich tot hen hadden gewend, betekent niet dat de besluiten van die autoriteiten geen besluiten van nationale autoriteiten zijn.
56
Bovendien kon de Commissie terecht aannemen dat voor het in de klacht gevraagde onderzoek, dat nodig zou zijn geweest om vast te stellen of artikel 101 en/of artikel 102 VWEU al dan niet waren geschonden, aanzienlijke middelen vereist zouden zijn geweest. Hoewel verzoeksters slechts bewijzen overlegden voor een aantal van de in de klacht genoemde entiteiten, met name RWA, betrof hun klacht immers een groot aantal andere ondernemingen en beroepsorganisaties.
57
Anders dan verzoeksters stellen, is vervolgens het feit dat de Commissie heeft vastgesteld dat het in de klacht gevraagde onderzoek, indien het zou zijn ingesteld, omvangrijk zou zijn geweest, op zich geen beslissend criterium om haar te verplichten een dergelijk onderzoek in te stellen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de in de klacht bedoelde gedragingen in meerdere lidstaten zouden hebben plaatsgevonden.
58
Dienaangaande voert de Commissie aan dat de in de klacht aangevoerde gedragingen voornamelijk binnen één lidstaat plaatsvonden, te weten Polen, waar de voornaamste opslagplaatsen van Agria Polska zich bevonden.
59
Hoewel een aantal controles mogelijk zijn verricht in Oostenrijk en in die lidstaat tot sancties voor verzoeksters hebben geleid, volgt uit de stukken dat de meeste problemen van verzoeksters met de nationale autoriteiten betrekking hadden op hun activiteiten in Polen en slechts in mindere mate op hun activiteiten in Oostenrijk.
60
Het Gerecht merkt op dat verzoeksters enkel in Polen een nationale klacht hebben ingediend. In hun antwoord van 16 januari 2017 hebben zij namelijk bevestigd dat zij geen soortgelijke klacht bij de Bundeswettbewerbsbehörde (federale mededingingsautoriteit, Oostenrijk) hebben ingediend en zij hebben in dat verband ter terechtzitting uiteengezet dat zij geen klacht bij die autoriteiten hadden ingediend omdat de Luxemburgse onderneming Cera Chem had besloten de zaak aan de Commissie voor te leggen, die, na de weigering van de UOKiK om de nationale klacht te behandelen, volgens hen vanzelfsprekend beter geplaatst was om de klacht te behandelen.
61
Los van die toelichtingen, is het Gerecht van oordeel dat verzoeksters een klacht bij de federale mededingingsautoriteit hadden kunnen indienen aangezien zij, ten eerste, RWA ervan beschuldigen een Oostenrijks advocatenkantoor te hebben gemachtigd dat op zijn beurt een Pools advocatenkantoor zou hebben gemachtigd om bij de nationale bestuursrechtelijke en strafrechtelijke autoriteiten aangiften te doen tegen verzoeksters, en, ten tweede, zij in april 2012 zijn onderworpen aan inspecties van de federale dienst voor voedselveiligheid.
62
Dat verzoeksters enkel in Polen een klacht hebben ingediend, bevestigt bovendien dat zij ervan overtuigd waren – en ook de Commissie heeft zich in het bestreden besluit in wezen op dat standpunt gesteld – dat de UOKiK mogelijk het best geplaatst was om de in de klacht aangevoerde grieven te onderzoeken, net zoals overigens de Poolse of de Oostenrijkse rechterlijke instanties dat waren in het kader van beroepen die verzoeksters hadden kunnen instellen om vergoeding te verkrijgen van de schade die voortvloeide uit de gestelde schending door de producenten van gewasbeschermingsmiddelen van de artikelen 101 en 102 VWEU.
63
Zelfs indien wordt aangenomen dat de klacht betrekking had op gedragingen van verzoeksters’ concurrenten die zowel in Oostenrijk als in Polen hadden plaatsgevonden, of, ook al bestaan daarvoor geen relevante en substantiële bewijzen, in Duitsland en in Luxemburg, kan het feit dat de gestelde gedragingen in meerdere lidstaten zouden hebben plaatsgevonden, in de onderhavige zaak voornamelijk in twee van die lidstaten, slechts wijzen op een mogelijke grotere doelmatigheid van optreden op Unieniveau dan van optreden op diverse nationale niveaus (zie in die zin arrest van 15 december 2010, CEAHR/Commissie, T‑427/08, EU:T:2010:517, punt 176). Een dergelijke aanwijzing rechtvaardigt op zich echter niet dat de Commissie een onderzoek instelt.
64
Gesteld al dat de Commissie in zekere mate ook goed geplaatst was om de zaak te behandelen, aangezien de in de klacht aan de orde zijnde gedragingen betrekking hadden op meerdere lidstaten en gelet op het feit dat de UOKiK de soortgelijke nationale klacht heeft afgewezen op grond van een nationale verjaringsbepaling, hadden verzoeksters er hoe dan ook geen recht op dat de zaak door de Commissie werd behandeld (zie in die zin arrest van 17 december 2014, Si.mobil/Commissie, T‑201/11, EU:T:2014:1096, punt 40), aangezien uit de stukken blijkt dat in de onderhavige zaak die gedragingen voornamelijk slechts betrekking hadden op twee lidstaten en dat de Commissie, zonder dienaangaande blijk te geven van een kennelijk onjuiste beoordeling, heeft vastgesteld dat de kans dat een dergelijke schending kon worden bewezen, gering was. Op basis van die enkele vaststelling kon worden besloten dat de Unie geen belang had bij een verder onderzoek van de zaak (zie in die zin arrest van 17 december 2014, Si.mobil/Commissie, T‑201/11, EU:T:2014:1096, punt 100en aldaar aangehaalde rechtspraak).
– Toepasbaarheid op de onderhavige zaak van de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05)
65
Verzoeksters betwisten het door de Commissie in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de rechtspraak die volgt uit de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266), niet van toepassing was op de onderhavige zaak en op grond daarvan dus niet kon worden aangenomen dat de onderling afgestemde feitelijke gedragingen van de in de klacht genoemde entiteiten de mededinging verstoorden. Zij voerden voorts aan dat de in de klacht beschreven praktijken de Commissie de gelegenheid boden om het mededingingsrecht van de Unie te ontwikkelen, wat een van de gronden is die zijn erkend in de mededeling van de Commissie betreffende de behandeling van klachten door de Commissie op grond van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2004, C 101, blz. 65), zoals gerectificeerd (PB 2004, C 148, blz. 10).
66
In dat verband moet worden vastgesteld dat de Commissie in het bestreden besluit als reden voor haar stelling dat de in de klacht bedoelde inbreuk moeilijk kon worden bewezen, met name heeft opgegeven dat de omstandigheid dat ondernemingen de nationale autoriteiten op de hoogte brengen van eventuele inbreuken of, in de bewoordingen van verzoeksters, daarvan aangifte doen bij die nationale autoriteiten, niet onder het begrip „vexatoir beroep” of „misbruik van bestuursrechtelijke procedures” valt in de zin van de rechtspraak inzake het begrip „misbruik van machtspositie” die voortvloeit uit de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266). Bijgevolg moet worden nagegaan of die rechtspraak relevant is voor de onderhavige zaak.
67
In dat verband heeft het Gerecht in de punten 60 en 61 van het arrest van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), gelezen in samenhang met punt 55 van dat arrest, in herinnering gebracht dat de toegang tot de rechter – en dat geldt ook voor een onderneming die zich in een machtspositie bevindt – een fundamenteel recht was en een algemeen beginsel dat de naleving van het recht garandeert en dat het aanspannen, door een onderneming die zich in een machtspositie bevindt, van een rechtsgeding tegen een concurrent, dus slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen kon worden aangemerkt als misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU. Om tot de slotsom te komen dat een rechtsgeding in feite misbruik van een machtspositie oplevert, moeten twee cumulatieve voorwaarden zijn vervuld. Ten eerste mag het beroep namelijk redelijkerwijs niet kunnen worden beschouwd als bedoeld om de rechten van de betrokken onderneming te doen eerbiedigen en moet het dus uitsluitend dienen om de tegenpartij tegen te werken, en, ten tweede, moet dat beroep deel uitmaken van een plan dat ertoe strekt de mededinging uit te schakelen. Die twee voorwaarden dienen eng te worden uitgelegd en toegepast, zodat de toepassing van het algemene beginsel van toegang tot de rechter niet in het gedrang komt (arrest van 13 september 2012, Protégé International/Commissie, T‑119/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:421, punt 49).
68
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266), heeft de Unierechter geoordeeld dat een onderneming met een machtspositie de „wettelijke procedures” niet op zodanige wijze mag gebruiken dat het voor de concurrenten onmogelijk of moeilijker wordt gemaakt om de markt te betreden, wanneer er daarvoor geen redenen zijn die verband houden met de bescherming van de legitieme belangen van een onderneming die concurrentie voert op basis van kwaliteit, en elke objectieve rechtvaardiging daarvoor ontbreekt (arrest van 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie, T‑321/05, EU:T:2010:266, punten 672 en 817, bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 6 december 2012, AstraZeneca/Commissie, C‑457/10 P, EU:C:2012:770, punt 134). Volgens het Hof staat de vraag of in strijd met artikel 102 VWEU misbruik is gemaakt los van de vraag of het betrokken gedrag al dan niet in overeenstemming is met andere rechtsregels en bestaat misbruik van machtspositie in de meeste gevallen uit gedragingen die voor het overige, volgens andere rechtstakken dan het mededingingsrecht, rechtmatig zijn (arrest van 6 december 2012, AstraZeneca/Commissie, C‑457/10 P, EU:C:2012:770, punt 132).
69
In de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266), waren evenwel andere gedragingen aan de orde dan die waaraan de in de klacht genoemde entiteiten zich volgens verzoeksters schuldig hebben gemaakt.
70
In de twee zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266), beschikten de bestuursrechtelijke en gerechtelijke autoriteiten die door de betrokken ondernemingen met een machtspositie waren aangezocht, namelijk niet over een beoordelingsmarge bij hun keuze om de verzoeken van die ondernemingen al dan niet in te willigen, of het nu om een bij een nationale rechtelijke instantie ingediende reconventionele vordering ging dan wel om het besluit van een onderneming om haar aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel in te trekken. Wat het eerste geval betreft, was de rechter bij wie die reconventionele vordering aanhangig was gemaakt, verplicht om daarover uitspraak te doen. In het tweede geval kon de autoriteit die bevoegd was voor de afgifte van de vergunning voor het in de handel brengen, niet besluiten om die vergunning tegen de wil van de vergunninghouder te handhaven.
71
Zoals in de punten 49 en 50 van het onderhavige arrest is vastgesteld, hadden de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke autoriteiten die in de onderhavige zaak hebben besloten om verzoeksters te controleren, hen te vervolgen of hun een sanctie op te leggen, die besluiten daarentegen kunnen vaststellen los van de informatie die hun door de producenten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen zou zijn verstrekt. Omgekeerd hadden zij op basis van de informatie die hun was verstrekt, daaronder begrepen de anoniem verstrekte informatie, ook van mening kunnen zijn dat het niet nodig was controles te verrichten of vervolging tegen verzoeksters in te stellen.
72
Los van het feit dat het op basis van de in de klacht verstrekte gegevens niet evident was te bewijzen dat sprake was van een gemeenschappelijke machtspositie van de in de klacht genoemde ondernemingen dan wel van een machtspositie van een van hen, te weten RWA, heeft het Gerecht bijgevolg geoordeeld dat de Commissie, zonder blijk te geven van een kennelijk onjuiste beoordeling, zich op het standpunt kon stellen dat het weinig waarschijnlijk was dat in casu een inbreuk op de artikelen 101 en/of 102 VWEU kon worden bewezen, met name omdat het niet vanzelfsprekend was dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde gedragingen vielen onder het begrip „misbruik van een machtspositie” in de zin van de rechtspraak die volgt uit de arresten van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T‑321/05, EU:T:2010:266). Die vaststelling vindt steun in het feit dat de Unierechter in het arrest van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, EU:T:1998:183), heeft benadrukt dat in een situatie als die welke in die zaak aan de orde was slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van misbruik van een machtspositie.
73
Anders dan verzoeksters stellen, betekent ten slotte het feit dat een zaak mogelijk kan bijdragen tot de ontwikkeling van het mededingingsrecht van de Unie, op een nieuw punt, niet dat de Commissie verplicht is een onderzoek in te stellen, aangezien de Commissie bij het vastleggen van prioriteiten inzake de ontwikkeling van dat recht over een ruime beoordelingsvrijheid moet beschikken.
74
Gelet op de voorgaande overwegingen moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het tweede middel: nuttige werking van de artikelen 101 en 102 VWEU
75
In het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel voeren verzoeksters aan dat, door te weigeren een onderzoek in te stellen, de Commissie in casu iedere nuttige werking aan de artikelen 101 en 102 VWEU heeft ontnomen.
76
Ten gevolge van de vaststelling van het bestreden besluit en gelet op het feit dat de UOKiK had geweigerd een onderzoek in te stellen in Polen en dat het in de praktijk moeilijk of onmogelijk was om voor de nationale rechterlijke instanties schadevergoeding te verkrijgen, konden de schendingen van het mededingingsrecht door de in de klacht genoemde entiteiten namelijk noch door een mededingingsautoriteit, noch door een nationale rechterlijke instantie worden bestraft, hoewel ook het vrije verkeer van goederen aan de orde was, meer in het bijzonder de handel in gewasbeschermingsmiddelen, en de Commissie een goede gelegenheid had om het mededingingsrecht van de Unie op relevante wijze te ontwikkelen.
77
Wat om te beginnen het besluit van de UOKiK betreft om de nationale klacht niet te behandelen omdat in het Poolse recht een verjaringstermijn van één jaar geldt, die ingaat vanaf het einde van het jaar waarin de gestelde schending is beëindigd, moet worden vastgesteld dat dit besluit van de nationale mededingingsautoriteit waarin niet wordt beoordeeld of de artikelen 101 en 102 VWEU al dan niet zijn geschonden, niet tot gevolg kan hebben dat de Commissie verplicht is een onderzoek in te stellen (zie in die zin arrest van 21 januari 2015, easyJet Airline/Commissie, T‑355/13, EU:T:2015:36, punt 28).
78
Bovendien kan het doeltreffendheidsvereiste niet de verplichting voor de Commissie meebrengen om, wanneer zij vaststelt dat de Unie geen belang heeft bij het instellen van een onderzoek, na te gaan of de mededingingsautoriteit waarbij eerder een soortgelijke klacht was ingediend, over de institutionele, financiële en technische middelen beschikt om de haar bij verordening nr. 1/2003 toegewezen taak te vervullen (zie naar analogie arrest van 17 december 2014, Si.mobil/Commissie, T‑201/11, EU:T:2014:1096, punt 57).
79
Hoe dan ook bewijzen verzoeksters niet dat de UOKiK niet voornemens was de inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend te vervolgen en te bestraffen. Evenmin tonen zij aan hoe de in het Poolse recht gestelde verjaringstermijn waarop de weigering om de nationale klacht te behandelen was gebaseerd en die, bij gebreke van toepasselijke regelgeving van de Unie ratione temporis, onder de procedurele autonomie van de Republiek Polen viel, de uitoefening van de aan die bepalingen van het VWEU ontleende rechten onmogelijk of uiterst moeilijk maakte (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punten 77 en 78). Verzoeksters hebben overigens ter terechtzitting erkend dat zij in de nationale klacht en in de brief van 30 augustus 2010 geen feitelijke gegevens ter beoordeling van de UOKiK hebben gebracht die dateerden van ná 2008, ook al hadden de Poolse autoriteiten, zoals de Commissie met name in de opmerkingen van 6 februari 2017 heeft benadrukt, inspecties verricht bij de opslagplaatsen en de hoofdzetels van Agria Polska tijdens de maanden mei en juni 2010.
80
Bovendien brengt het Gerecht in herinnering dat, in de regel en zoals vermeld in artikel 6 van verordening nr. 1/2003, de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, die rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en rechten voor de justitiabelen doet ontstaan, de volle werking van die bepalingen dient te verzekeren en de daarin aan particulieren toegekende rechten dient te beschermen (arrest van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punten 23 en 25).
81
Bijgevolg stond het verzoeksters vrij om voor de Poolse of de Oostenrijkse rechterlijke instanties vergoeding van de schade te vorderen die zij stelden te hebben geleden wegens de gedragingen en de handelingen van de producenten en de distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen die volgens hen in strijd waren met de artikelen 101 en 102 VWEU. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan namelijk vergoeding van de geleden schade vorderen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door artikel 101 of 102 VWEU verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging (arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 61).
82
In dat verband moet worden benadrukt dat de eventuele weigering van een nationale mededingingsautoriteit of van de Commissie om een onderzoek in te stellen, op basis waarvan een van die bestuursrechtelijke autoriteiten kan besluiten dat de mededingingsregels zijn geschonden en, in voorkomend geval, geldboeten kan opleggen aan de ondernemingen waarop dat onderzoek betrekking heeft, niet mag leiden tot de beperking van het recht van verzoeksters om de nationale rechtelijke instanties te verzoeken om vergoeding van de schade die zij wegens de schending van de artikelen 101 en 102 VWEU hebben geleden.
83
In die omstandigheden kunnen verzoeksters niet met succes aanvoeren dat het bestreden besluit, waarbij de Commissie heeft geweigerd om een onderzoek in te stellen, iedere nuttige werking aan de artikelen 101 en 102 VWEU ontneemt, ook al had de nationale mededingingsautoriteit, in casu de UOKiK, de nationale klacht afgewezen op grond van een nationale verjaringsbepaling en ook al had een eventueel onderzoek van de Commissie de op verzoeksters rustende bewijslast in het kader van beroepen voor de nationale rechterlijke instanties mogelijk kunnen verlichten.
84
Het Gerecht brengt voorts in herinnering dat bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen, net als het optreden van de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten, wezenlijk kunnen bijdragen tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Unie (arrest van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 27) en dat, in het bijzonder wanneer de Commissie besluit aan een klacht geen gevolg te geven, het de onderneming vrijstaat om voor de nationale rechter de rechten geldend te maken die zij aan de artikelen 101 en 102 VWEU ontleent (arrest van 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C‑282/95 P, EU:C:1997:159, punt 39en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Gelet op een en ander moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden verworpen.
86
Uit de overwegingen van de punten 42 tot en met 84 van het onderhavige arrest volgt dat de Commissie in het bestreden besluit geen blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling bij de afweging tussen de omvang van de schade die de gestelde inbreuk kan toebrengen aan de werking van de gemeenschappelijke markt, de waarschijnlijkheid dat zij het bestaan ervan kan aantonen en de reikwijdte van de vereiste onderzoeksmaatregelen.
87
Het tweede middel moet dus ongegrond worden verklaard.
Eerste middel
88
In het kader van het eerste middel voeren verzoeksters aan dat de Commissie hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel heeft geschonden, als bedoeld in artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”) en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten. Dit zou aanzienlijke schade hebben toegebracht aan hun reputatie en aan de mogelijkheid om hun activiteiten van parallelimport te ontwikkelen. Volgens hen bedraagt die schade, althans wat Agria Polska betreft, 45868000 PLN.
89
Verzoeksters zijn van mening dat zij over een daadwerkelijk rechtsmiddel moeten beschikken in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin hun rechten zijn geschonden omdat de in de klacht genoemde entiteiten het mededingingsrecht van de Unie zouden hebben geschonden. Door te weigeren een onderzoek in te stellen, terwijl de UOKiK reeds had geweigerd om een nationaal onderzoek in te stellen bij een besluit waartegen naar Pools recht niet kon worden opgekomen, heeft de Commissie hun iedere mogelijkheid ontnomen om ten gronde op te komen tegen het besluit dat de Commissie had moeten nemen om vast te stellen dat artikel 101 of artikel 102 VWEU was geschonden. Alleen indien de Commissie ten gronde een dergelijk besluit had vastgesteld, hadden verzoeksters daartegen kunnen opkomen bij het Gerecht. Volgens verzoeksters was het enige daadwerkelijke rechtsmiddel waarbij de hun door het VWEU en het afgeleide recht van de Unie verleende bescherming kon worden gewaarborgd, juist het instellen van een onderzoek door de Commissie.
90
Anders dan de Commissie in het bestreden besluit heeft aangegeven, kunnen verzoeksters, door bij de nationale rechterlijke instanties beroepen in te stellen tegen de in de klacht en in de nationale klacht genoemde entiteiten, in voorkomend geval op civielrechtelijk, fiscaalrechtelijk, bestuursrechtelijk, handelsrechtelijk of strafrechtelijk vlak, met name wegens vervalsing van bewijzen, laster of schending van deontologische regels, geen vergoeding verkrijgen van de schade die rechtstreeks verband houdt met de in de klacht aangevoerde schending van de artikelen 101 en/of 102 VWEU. Ten eerste zijn een aantal vorderingen naar Pools recht verjaard omdat voor vorderingen betreffende de uitoefening van een handelsactiviteit een in het nationale recht vastgelegde verjaringstermijn van drie jaar wordt toegepast. Ten tweede zijn de Poolse rechterlijke instanties volgens verzoeksters nog niet bereid om een doeltreffende bescherming te verzekeren van de rechten die ondernemingen aan de artikelen 101 en 102 VWEU ontlenen.
91
De Commissie verzoekt dat het middel wordt verworpen.
92
Om te beginnen brengt het Gerecht in herinnering dat volgens artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. Dit beginsel vormt een algemeen beginsel van het Unierecht dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en dat is neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM. Volgens de toelichtingen op dit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, die overeenkomstig artikel 6, lid 1, derde alinea, VEU en artikel 52, lid 7, van het Handvest van de grondrechten voor de uitlegging daarvan in acht moeten worden genomen, correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten met artikel 6, lid 1, EVRM (arrest van 22 december 2010, DEB, C‑279/09, EU:C:2010:811, punten 29 en 32).
93
Wat in de eerste plaats het betoog van verzoeksters betreft dat hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor het Gerecht is geschonden, moet in herinnering worden gebracht dat natuurlijke en rechtspersonen die gerechtigd zijn een verzoek krachtens artikel 7 van verordening nr. 1/2003 in te dienen, ter bescherming van hun wettige belangen over een beroepsmogelijkheid beschikken wanneer hun verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen (arrest van 25 oktober 1977, Metro SB-Großmärkte/Commissie, 26/76, EU:C:1977:167, punt 13). In casu hebben verzoeksters juist gebruikgemaakt van dit rechtsmiddel door krachtens artikel 263 VWEU het onderhavige beroep in te stellen.
94
Wat in de tweede plaats de wens betreft van verzoeksters dat de Commissie bij besluit vaststelt of de artikelen 101 en/of 102 VWEU al dan niet waren geschonden om, in voorkomend geval, krachtens artikel 263 VWEU beroep in te stellen tegen een dergelijk besluit, moet in herinnering worden gebracht dat artikel 7 van verordening nr. 1/2003 de klager niet het recht verleent om van de Commissie een definitief besluit over het al dan niet bestaan van de gestelde inbreuk te verlangen en het de Commissie evenmin verplicht de procedure onder alle omstandigheden tot aan een definitieve beschikking voort te zetten (arrest van 18 oktober 1979, GEMA/Commissie, 125/78, EU:C:1979:237, punt 18, en beschikking van 31 maart 2011, EMC Development/Commissie, C‑367/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:203, punt 73).
95
Instemmen met het standpunt van verzoeksters dat de Commissie systematisch een onderzoek moet instellen wanneer een klacht, analoog aan een bij haar ingediende klacht, wegens verjaring reeds eerder, mogelijk ten onrechte, is afgewezen door een nationale mededingingsautoriteit, zou bovendien onverenigbaar zijn met de doelstelling van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1/2003, namelijk om redenen van doeltreffendheid te zorgen voor een optimale toewijzing van middelen binnen het Europees netwerk van mededingingsautoriteiten (zie in die zin arrest van 21 januari 2015, easyJet Airline/Commissie, T‑355/13, EU:T:2015:36, punt 37). In ieder geval kan een onderneming zich noch op basis van verordening nr. 1/2003 noch op basis van de mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten (PB 2004, C 101, blz. 43) gerechtigd achten of verwachten dat haar zaak door een bepaalde mededingingsautoriteit zal worden behandeld (zie arrest van 17 december 2014, Si.mobil/Commissie, T‑201/11, EU:T:2014:1096, punt 39en aldaar aangehaalde rechtspraak) teneinde, in voorkomend geval, voordeel te trekken uit de bewijzen die deze autoriteit dankzij haar onderzoeksbevoegdheden heeft vergaard.
96
In de derde plaats betreuren verzoeksters in wezen dat zij voor de nationale rechter geen vordering kunnen instellen tot daadwerkelijke vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden wegens de gedragingen van de in de klacht genoemde ondernemingen en die niet door de UOKiK zijn onderzocht. Voorts betreuren zij dat niet kan worden opgekomen tegen het besluit van de UOKiK om geen nationaal onderzoek in te stellen wegens verjaring, aangezien de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen) in beschikking II GSK 1035/11 van 12 juli 2011 in een analoge zaak heeft geoordeeld dat „informatie [van de voorzitter van de UOKiK] betreffende het ontbreken van een grondslag om een procedure inzake een mededingingsregeling in te stellen, niet kan worden beschouwd als een besluit houdende weigering om een procedure in te stellen” en dat „[d]e brief van de voorzitter van de UOKiK [in dat verband] informatief van aard [was] en niet kan worden aangemerkt als een handeling of een maatregel in de zin van artikel 3, lid 2, punt 4, van het [Poolse] wetboek bestuursrecht”.
97
Hoewel de Commissie ter terechtzitting heeft toegegeven dat het niet uitgesloten was dat die rechtspraak van de Naczelny Sąd Administracyjny een mogelijke schending van de artikelen 101 en 102 VWEU inhield en kon rechtvaardigen dat later daarover een procedure tegen de Republiek Polen zou worden ingesteld, brengt het Gerecht dienaangaande in herinnering dat de procedure van artikel 7 van verordening nr. 1/2003 niet voorziet in de vaststelling van eventuele niet-nakomingen van autoriteiten, daaronder rechterlijke instanties, van de lidstaten aangezien dat onder de niet-nakomingsprocedure van artikel 258 VWEU valt (zie in die zin beschikking van 29 september 1997, Sateba/Commissie,T‑83/97, EU:T:1997:140, punt 39) en dat de daadwerkelijk van toepassing zijnde voorschriften niet mogen worden omzeild door te trachten om een onder het Verdrag vallende procedure te onttrekken aan artikel 258 VWEU door die procedure met kunstgrepen aan de bepalingen van verordening nr. 1/2003 te onderwerpen (zie beschikking van 19 februari 1997, Intertronic/Commissie, T‑117/96, EU:T:1997:16, punt 24en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98
Het argument van verzoeksters betreffende de korte verjaringstermijn waarbinnen de UOKiK mededingingsverstorende gedragingen kan vervolgen en betreffende de verjaringstermijn van drie jaar die krachtens het Poolse recht geldt voor handelingen van ondernemingen alsmede het argument dat naar Pools recht geen beroep kan worden ingesteld tegen het besluit van de UOKiK om geen nationaal onderzoek in te stellen, moeten bijgevolg worden verworpen.
99
Los van de weigering van de UOKiK om een nationaal onderzoek in te stellen, stond het verzoeksters in ieder geval vrij om voor de nationale rechterlijke instanties en krachtens het nationale recht vorderingen in te stellen tot vergoeding van de schade die zij stelden te hebben geleden wegens de schendingen door de in de klacht genoemde entiteiten van de artikelen 101 en/of 102 VWEU. In dat verband is de omstandigheid dat, anders dan het Poolse recht dat ten tijde van de indiening van de nationale klacht ratione temporis van toepassing was, richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1) voor dergelijke vorderingen in een langere verjaringstermijn voorzag, in casu een termijn van vijf jaar, niet van belang omdat de termijn voor de omzetting van die richtlijn op het tijdstip van indiening van de klacht niet was verstreken. Hoe dan ook, zelfs indien komt vast te staan dat voor verzoeksters voor de nationale rechterlijke instanties geen passend rechtsmiddel openstond om uit hoofde van „private enforcement” van de mededingingsregels vergoeding te verkrijgen van die schade, kan een dergelijke situatie niet tot gevolg hebben dat de Commissie verplicht is uit hoofde van „public enforcement” van die regels op het niveau van de Unie een onderzoek in te stellen.
100
Bovendien hebben verzoeksters uiteengezet dat zij bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (regionale rechtbank te Warschau, Polen) een schadevordering op grond van het Poolse recht hebben ingediend, met het oog op de vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden omdat de ambtenaren van de Poolse toezichthoudende autoriteiten verkeerde besluiten hebben genomen en RWA bij die ambtenaren had aangedrongen op de vaststelling van dergelijke besluiten.
101
Ten slotte moet het argument dat de Commissie artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft geschonden, niet-ontvankelijk worden verklaard, zoals de Commissie aanvoert, omdat het betoog van verzoeksters dienaangaande niet voldoet aan de duidelijkheidsvereisten van artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
102
Gelet op een en ander moet het eerste middel en derhalve het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
103
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
104
Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Eerste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Agria Polska sp. z o.o., Agria Chemicals Poland sp. z o.o., Star Agro Analyse und Handels GmbH en Agria Beteiligungsgesellschaft mbH worden verwezen in de kosten.
Pelikánová
Nihoul
Svenningsen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 mei 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
Full & Egal Universal Law Academy