16.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 89/42
Beroep ingesteld op 27 januari 2015 — ASPLA en Armando Álvarez/Hof van Justitie van de Europese Unie
(Zaak T-40/15)
(2015/C 089/51)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Plásticos Españoles, SA (ASPLA) (Torrelavega, Spanje) en Armando Álvarez, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: M. Troncoso Ferrer, advocaat, en C. Ruixó Claramunt en S. Moya Izquierdo, advocaten)
Verwerende partij: Hof van Justitie van de Europese Unie
Conclusies
—
primair, het Hof van Justitie van de Europese Unie veroordelen tot betaling van een bedrag van 3 4 95 038,66 EUR ter vergoeding van de schade die verzoeksters hebben geleden doordat het Gerecht artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden, te vermeerderen met vergoedende en verwijlintresten tegen het percentage dat de Europese Centrale Bank toepast op haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten, te rekenen vanaf de dag waarop het beroep is ingesteld;
—
het Hof van Justitie van de Europese Unie dienvolgens verwijzen in de kosten van het geding;
—
subsidiair, de Europese Commissie veroordelen tot betaling van een bedrag van 3 4 95 038,66 EUR ter vergoeding van de schade die verzoeksters hebben geleden doordat het Gerecht artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden, te vermeerderen met vergoedende en verwijlintresten tegen het percentage dat de Europese Centrale Bank toepast op haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten, te rekenen vanaf de dag waarop het beroep is ingesteld, en
—
de Europese Commissie dienvolgens verwijzen in de kosten van het gedingverwijzen in de kosten van het geding.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters klagen over de vertraging waarmee uitspraak is gedaan op de beroepen die zij bij de gemeenschapsrechter hebben ingesteld in de zaken T-76/06, ASPLA/Commissie, en T-78/06, Armando Álvarez/Commissie, waarin arresten zijn gewezen op 16 december 2011 en, na hogere voorziening, op 22 mei 2014.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters aan dat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is geschonden, dat volgens hen een bevestiging vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, dat een algemeen beginsel van Unierecht is.
Zij zijn van mening dat de arresten van het Hof in de zaken C-58/12 P, Groupe Gascogne/Commissie, en C-50/12 P, Kendrion/Commissie, voldoende aantonen dat inbreuk is gemaakt op deze bepaling en dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming dus is geschonden. Dienaangaande merken zij op dat zij beide door dezelfde beschikking zijn bestraft als Kendrion en Groupe Gascogne. Evenals die ondernemingen hebben zij beroep ingesteld en zijn zij tijdens de procedure voor het Gerecht, die erg overeenstemde met — zo niet identiek was aan — die voor het Hof in de twee bovengenoemde zaken, geconfronteerd met het feit dat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan.
Full & Egal Universal Law Academy