11.5.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 155/30
Beroep ingesteld op 19 februari 2015 — Binca Seafoods/Commissie
(Zaak T-94/15)
(2015/C 155/35)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Binca Seafoods GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Schmidt, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekende partij verzoekt tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 van de Commissie van 18 december 2014 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft de herkomst van biologische aquacultuurdieren, aquacultuurhouderijpraktijken, voeder voor biologische aquacultuurdieren en voor gebruik in de biologische aquacultuur toegestane producten en stoffen (PB L 365, blz. 97).
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij drie middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 16 (waarborg van vrijheid van ondernemerschap), artikel 20 (beginsel van gelijke behandeling) en artikel 21 (non-discriminatie) van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie door willekeurige ongelijke behandeling
Verzoekende partij stelt, dat de Europese Commissie voor andere biologische aquaculturen in de uitvoeringsverordening heeft voorzien in overgangsmaatregelen en bijzondere regelingen, maar willekeurig heeft nagelaten de op 1 januari 2015 aflopende overgangsperiode van artikel 95, lid 11, van verordening nr. 889/2008 (1) te verlengen.
Het was de Europese Commissie bekend, dat pangasius weliswaar vanaf het moment van kuitschieten volledig biologisch gehouden wordt, maar dat het afzetten van de eitjes door moederdieren die in de biologische aquacultuur gehouden worden, door een toediening van hormonen moet worden opgewekt. Aangezien dit niet strookt met de algemene regels van het toekomstige Unierecht met betrekking tot aquacultuur, maar andere methoden voor het opwekken van het afzetten nog in ontwikkeling zijn, is het nodig dat de overgangsperiode wordt verlengd.
2.
Tweede middel: niet-nakoming van de uitvoeringsopdracht van de Raad
Verzoekende partij voert aan, dat de Commissie de opdracht van de Raad om het regulerende Unierechtelijke kader voor de biologische aquacultuur zodanig behoedzaam te ontwikkelen dat de in de biologische productietechniek geboekte vooruitgang zich vertaalt in het aflopen van overgangsbepalingen, maar zonder dat door het verlopen van dergelijke regels uit 2009 bestaande en volgens erkende regels bio-gecertificeerde aquaculturen uit de biologische markt worden gedrongen.
3.
Derde middel: schending van rechten op het gebied van de mondiale handelsvrijheid
De Europese Commissie heeft bewust er de voorkeur aan gegeven de in de Codex Alimentarius gemeenschappelijk ontwikkelde regels niet in acht te nemen, hoewel zij zich in het systeem van deze Codex niet heeft gekeerd tegen de toepassing van de algemene regel dat jongen uit de niet-biologische kweek in de biologische aquacultuur mogen worden ingezet, wanneer zij in een biologische kwekerij niet kunnen worden vermeerderd, maar deze formulering samen met de andere leden van de Codex Alimentarius heeft gesteund. De Europese Unie kan zich niet aan deze consensus onttrekken zonder haar verplichtingen uit de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen te schenden.
(1) Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PB L 250, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy