20.4.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 127/36
Beroep ingesteld op 20 februari 2015 — Printeos e.a./Commissie
(Zaak T-95/15)
(2015/C 127/49)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Printeos, SA (Alcalá de Henares, Spanje), Tompla Sobre Exprés, SL (Alcalá de Henares, Spanje), Tompla Scandinavia AB (Stockholm, Zweden), Tompla France SARL (Fleury Mérogis, Frankrijk), Tompla Druckererzeugnisse Vertriebs GmbH (Leonberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Brokelmann, advocaat, P. Martínez-Lage Sobredo, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
artikel 2 van besluit C(2014) 9295 final van de Commissie van 10 december 2014 in een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (AT.39780 — Enveloppen) nietig verklaren krachtens artikel 263 VWEU, aangezien de vaststelling van de geldboeten (met name de aanpassing op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten) daarin, anders dan voorgeschreven, niet wordt gemotiveerd; of
—
subsidiair, artikel 2 van dat besluit op grond van de volledige rechtsmacht die krachtens artikel 261 VWEU in artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 aan het Gerecht wordt verleend in die zin wijzigen dat (i) de aan TOMPLA opgelegde geldboete ten minste 55 % — dan wel het percentage dat het Gerecht passend oordeelt — minder dan het wettelijke maximum komt te bedragen (artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003) om die geldboete zo in evenwicht te brengen met de boeten die aan Bong en Hamelin zijn opgelegd, en (ii) de aanvullende geldboete wordt verlaagd met ten minste 33 % of met het percentage dat het Gerecht passend oordeelt, om zo rekening te houden met de boete die door de Comisión Nacional de la Competencia (CNC; Spaanse mededingingsautoriteit) is opgelegd bij besluit van 25 maart 2013 in zaak 5/0316/10, Papieren enveloppen, alsook
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens het besluit dat in deze zaak wordt aangevochten hebben verzoeksters artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst geschonden doordat zij tussen 8 oktober 2003 en 22 april 2008 in de sector standaardenveloppen en bijzondere enveloppen hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk die het grondgebied van Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk bestreek en bestond in de onderlinge afstemming van de prijzen, de verdeling van de clientèle en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan.
1.
De Commissie is haar motiveringsplicht niet nagekomen, aangezien zij geen redenen geeft waarom het noodzakelijk was dat het basisbedrag van de boeten overeenkomstig punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten werd aangepast, noch de concreet op elke onderneming toegepaste procentuele verlaging verantwoordt.
2.
De Commissie heeft bij de bepaling van het boetebedrag inbreuk gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling, voor zover zij het basisbedrag van de geldboeten heeft aangepast op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten.
3.
De Commissie heeft bij de bepaling van het boetebedrag inbreuk gemaakt op het evenredigheids- en het non-discriminatiebeginsel, aangezien zij geen rekening heeft gehouden met de boete die reeds door de Spaanse mededingingsautoriteit was opgelegd.
Full & Egal Universal Law Academy