11.5.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 155/32
Beroep ingesteld op 25 februari 2015 — Militos Symvouleftiki/Commissie
(Zaak T-104/15)
(2015/C 155/38)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Militos Symvouleftiki AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 december 2014, waarbij het bezwaar is verworpen dat verzoekster op 23 oktober 2014 tegen het besluit van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur van 23 september 2014 heeft aangetekend teneinde te wettigheid daarvan te laten nagaan, en waarbij dat besluit is gehandhaafd. Laatstgenoemd besluit betreft de niet-subsidiabiliteit van vergoedingen die als personeelskosten zijn betaald aan vennoten/aandeelhouders van verzoekster in het kader van twee door verzoekster met succes doorgevoerde projecten, te weten het project „Go Green — Green Business is smart Business” (overeenkomst nr. 510424-LLP-1-2010-1-GR-LEONARDO-LMP) en het project „LadybizIT” (overeenkomst nr. 2011-3052-518310-LLP-1-2011-1-GR-LEONARDO-LAM). Voorts bepalen dat de relevante kosten in verband met de „aanvullende diensten” zoals verleend door O. Stavropoulou, P. Aravantinos en F. Karamanlis, in het kader van het betrokken project subsidiabel zijn als personeelskosten, of, subsidiair, bepalen dat enkel de kosten in verband met de „aanvullende diensten” die in het kader van de twee projecten in kwestie zijn verleend door Stavropoulou en Aravantinos, subsidiabel zijn op grond van artikel II.14 van de subsidieovereenkomst en bijlage III daarbij, en aan verzoekster dienen te worden vergoed;
—
de Commissie verwijzen in haar eigen kosten en in de kosten van verzoekster in deze procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie.
—
De Commissie heeft geen rekening gehouden met de omstandigheid dat het onderscheid tussen „reguliere” en „aanvullende” diensten voor de diensten zoals verleend door de vennoten/aandeelhouders in het kader van de betrokken projecten had kunnen worden gebaseerd op de aard van dergelijke diensten, de bewoordingen en de geest van de bepalingen van verzoeksters destijds geldende statuten, en op de bepalingen van het besluit van 20 december 2010 zoals vastgesteld door verzoeksters algemene vergadering van vennoten/aandeelhouders.
2.
Tweede middel, ontleend aan een tweede kennelijke beoordelingsfout van de Commissie.
—
De overweging van de Commissie dat de hoedanigheid van bestuurder er als zodanig aan in de weg staat dat de betrokkene op basis van een arbeidsovereenkomst in een daadwerkelijke gezagsverhouding andere diensten verleent aan verzoekster, is in strijd met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In ieder geval heeft verzoekster het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en de Commissie voldoende bewijs verschaft om aan te tonen dat de projectmanager daadwerkelijk toezicht uitoefende op de bestuurder en dat dit toezicht voldeed aan de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld voor het bestaan van een daadwerkelijke gezagsverhouding.
Full & Egal Universal Law Academy