8.6.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 190/15
Beroep ingesteld op 24 maart 2015 — Parker Hannifin Manufacturing en Parker-Hannifin/Commissie
(Zaak T-137/15)
(2015/C 190/19)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Parker Hannifin Manufacturing Srl (Corsico, Italië), en Parker-Hannifin Corp. (Mayfield Heights, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: B. Amory, F. Marchini Camia en É. Barbier de La Serre, lawyers)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het beroep ontvankelijk verklaren;
—
het bestreden besluit nietig verklaren voor zover daarbij vertragingsrente ter hoogte van 1 8 59 949,04 EUR in rekening is gebracht;
—
subsidiair, de vertragingsrente op passende wijze verlagen, en
—
de Commissie verwijzen in haar eigen kosten en die van verzoeksters.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters één principaal middel en zeven subsidiaire middelen aan.
1.
Eerste middel, inhoudend dat het bestreden besluit in strijd is met het ultra-vires-verbod
—
Verzoeksters betogen dat er geen rechtsgrondslag is om vertragingsrente in rekening te brengen nu de boete binnen de in het boetebesluit gestelde termijn was betaald.
2.
Tweede middel, inhoudend dat het bestreden besluit niet dan wel ondeugdelijk is gemotiveerd
—
Verzoeksters betogen dat het bestreden besluit noch de feitelijke noch de rechtsgrondslag weergeeft voor het in rekening brengen van vertragingsrente in dit geval.
3.
Derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel
—
Verzoeksters betogen dat het in rekening brengen van vertragingsrente onevenredig is gelet op het doel van de vertragingsrente.
4.
Vierde middel, ontleend aan schending van het verbod van discriminatie
—
Verzoeksters betogen dat de Commissie in dit geval vertragingsrente van 6 % in rekening brengt terwijl zij bij terugbetaling van een deel van de boete aan verzoeksters 1,06 % aan rente heeft vergoed.
5.
Vijfde middel, ontleend aan schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel
—
Verzoeksters betogen dat zij op basis van het boetebesluit en de gedelegeerde verordening niet hadden kunnen voorzien dat in dit geval vertragingsrente in rekening zou worden gebracht. Zij stellen verder dat zij het gewettigd vertrouwen hadden kunnen hebben dat de Commissie in dit geval geen vertragingsrente in rekening zou hebben gebracht.
6.
Zesde middel, ontleend aan schending van artikel 266 VWEU en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
—
Verzoeksters betogen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 266 VWEU doordat het nuttig effect ervan met dat besluit teniet wordt gedaan, en in strijd is met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte doordat verzoeksters zich nu, als gevolg van de uitoefening van hun grondrecht om beroep in te stellen, geconfronteerd zien met het in rekening brengen van een kennelijk onevenredige rente.
7.
Zevende middel, ontleend aan ongerechtvaardigde verrijking
—
Verzoeksters betogen dat het in rekening brengen van vertragingsrente in dit geval ongerechtvaardigde verrijking van de Commissie oplevert.
8.
Achtste middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid
—
Verzoeksters betogen dat de omstandigheid dat er bij hen vertragingsrente in rekening is gebracht tot uitkomsten leidt die volledig haaks staan op de doelstellingen van de overdracht aan de Commissie van de bevoegdheid om de hoogte van de vertragingsrente vast te stellen.
Full & Egal Universal Law Academy