10.8.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 262/28
Beroep ingesteld op 13 april 2015 — Sopra Steria Group/Parlement
(Zaak T-181/15)
(2015/C 262/38)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Sopra Steria Group SA (Annecy-le-Vieux, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Verlinden, R. Martens en J. Joossen, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
het besluit van het Europees Parlement van onbekende datum om de procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht voor NPE-15.8 te starten, nietig te verklaren;
—
ieder besluit dat mogelijk door het Europees Parlement is genomen met betrekking tot het verdere verloop van deze procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking voor NPE-15.8, nietig te verklaren;
—
de overeenkomst(en) die mogelijk is (zijn) gesloten op basis van de procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht voor NPE-15.8, nietig te verklaren;
—
het Europees Parlement te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure, met inbegrip van de door de verzoekende partij gemaakte kosten voor juridisch advies.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, dat is gebaseerd op schending van artikel 102 van het Financieel Reglement, artikel 103 van het Financieel Reglement, artikel 104, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 134, lid 1, onder c), van de uitvoeringsvoorschriften, waardoor het besluit van onbekende datum om de procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht te starten, ongeldig is.
Volgens verzoeksters heeft het Europees Parlement ten onrechte en onrechtmatig gebruik gemaakt van de procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht, waarbij had moeten worden vermeld dat deze procedure een bijzondere procedure was die moest zijn gerechtvaardigd (mede gezien de verplichting van het Europees Parlement er in overeenstemming met artikel 102, lid 2, van het Financieel Reglement voor te zorgen dat alle overheidsopdrachten beginnen met een zo ruim mogelijke basis). Een dergelijke rechtvaardiging was volgens verzoekster door het Europees Parlement niet aangevoerd, noch bestond er enige dwingende spoed als gevolg van onvoorzienbare gebeurtenissen die niet aan het Europees Parlement te wijten waren (zoals vereist ingevolge artikel 134, lid 1, onder c), van de uitvoeringsvoorschriften).
Full & Egal Universal Law Academy