14.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 302/54
Beroep ingesteld op 15 mei 2015 — Klymenko/Raad
(Zaak T-245/15)
(2015/C 302/70)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoeker: Oleksandr Viktorovych Klymenko (Moskou, Rusland) (vertegenwoordigers: B. Kennelly en J. Pobjoy, barristers, en R. Gherson, solicitor)
Verweerder: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 62, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 62, blz. 1) nietig verklaren voor zover zij op verzoeker betrekking hebben;
—
subsidiair, artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) niet-toepasselijk verklaren voor zover zij op verzoeker betrekking hebben, omdat zij onrechtmatig zijn, en
—
de Raad verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.
1.
Eerste middel: De Raad heeft voor besluit 2015/364/GBVB van de Raad (hierna: „besluit”) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/357 (hierna: „verordening”) (hierna, tezamen: „bestreden handelingen”) geen geldige rechtsgrondslag gegeven. Artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vormt geen geldige rechtsgrondslag voor het besluit, omdat uit de tegen verzoeker aangevoerde klacht niet bleek dat hij de democratie in Oekraïne had ondermijnd of het Oekraïense volk de voordelen van de duurzame ontwikkeling van hun land (in de zin van artikel 23 VEU en de algemene bepalingen van artikel 21, lid 2, VEU) had ontzegd. Aangezien het besluit ongeldig was, kon de Raad zich voor de vaststelling van de verordening niet op artikel 215, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie baseren.
2.
Tweede middel: de Raad heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door vast te stellen dat was voldaan aan het criterium voor plaatsing van verzoeker op een lijst, vastgelegd in artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd). Tegen verzoeker is geen strafvervolging ingesteld „wegens het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva” noch is tegen hem strafvervolging ingesteld „wegens machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor zichzelf of een derde te verkrijgen”.
3.
Derde middel: de Raad heeft verzoekers rechten van verdediging en het recht op behoorlijk bestuur en op een doeltreffende voorziening in rechte geschonden. Meer in het bijzonder heeft de Raad niet zorgvuldig en onpartijdig onderzocht of de redenen die waren aangevoerd ter rechtvaardiging van de nieuwe plaatsing van verzoeker op een lijst, gegrond waren in het licht van de opmerkingen die verzoeker had gemaakt voordat hij opnieuw op een lijst werd geplaatst.
4.
Vierde middel: de Raad is tekortschoten in zijn verplichting om de nieuwe plaatsing van verzoeker op een lijst toereikend te motiveren.
5.
Vijfde middel: de Raad heeft, zonder rechtvaardiging of evenredigheid, verzoekers grondrechten geschonden, daaronder begrepen zijn recht op bescherming van zijn eigendom en zijn goede naam. De bestreden handelingen hebben vergaande gevolgen voor verzoeker, zowel wat zijn eigendom als zijn reputatie wereldwijd betreft. De Raad heeft niet aangetoond dat de bevriezing van verzoekers tegoeden en economische middelen verband houdt met of gerechtvaardigd is door een legitieme doelstelling en al helemaal niet dat die bevriezing evenredig is aan een dergelijke doelstelling.
6.
Zesde middel: ter staving van het verzoek tot onrechtmatigverklaring wordt aangevoerd dat, indien, anders dan in het tweede middel wordt betoogd, artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd), aldus moeten worden uitgelegd dat a) daarmee ieder onderzoek door een Oekraïense autoriteit, ongeacht of er een rechterlijke beslissing of procedure aan ten grondslag ligt, dan wel of met een dergelijke beslissing of procedure controle of toezicht op dat onderzoek wordt uitgeoefend en/of b) enig „machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen”, ongeacht of sprake is van een gestelde verduistering van overheidsmiddelen, wordt bedoeld, het criterium voor plaatsing op de lijst, gelet op de willekeurige omvang en strekking die uit een dergelijke ruime uitlegging zouden voortvloeien, geen geldige rechtsgrondslag zou hebben en/of onevenredig aan de doelstellingen van het besluit en de verordening zou zijn. Om die reden zou de bepaling onrechtmatig zijn.
Full & Egal Universal Law Academy