21.12.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 429/27
Beroep ingesteld op 29 mei 2015 — Ezz e.a./Raad
(Zaak T-288/15)
(2015/C 429/35)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Ahmed Abdelaziz Ezz (Giza, Egypte), Abla Mohammed Fawzi Ali Ahmed Salama (Caïro, Egypte), Khadiga Ahmed Ahmed Kamel Yassin (Giza, Egypte), Shahinaz Abdel Azizabdel Wahab Al Naggar (Giza, Egypte) (vertegenwoordigers: J. Lewis, QC, B. Kennelly en J. Pobjoy, Barristers, J. Binns, Solicitor, J. Bellis en S. Rowe, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
besluit (GBVB) 2015/486 van de Raad van 20 maart 2015 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB L 77, blz. 16) nietig verklaren, voor zover het verzoekers betreft;
—
verweerder verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekende partijen vijf middelen aan.
1.
De Raad heeft geen passende rechtsgrondslag voor het bestreden besluit genoemd. Volgens verzoekers vormt artikel 29 VEU geen passende rechtsgrondslag voor het bestreden besluit.
2.
De Raad heeft de rechten geschonden die verzoekende partijen genieten uit hoofde van artikel 6 VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 2 VEU en 3 VEU, en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, door te vooronderstellen dat gerechtelijke procedures in Egypte de fundamentele mensenrechten eerbiedigen.
3.
De Raad heeft niet voldaan aan het criterium voor de vaststelling van beperkende maatregelen jegens verzoekers als bedoeld in artikel 1 van besluit 2011/172/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB L 76, blz. 63) (zoals gewijzigd) en artikel 2 van verordening (EU) nr. 270/2011 van de Raad van 21 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Egypte (PB L 76, blz. 4) (zoals gewijzigd). Verzoekende partijen voeren aan dat zij niet „zijn geïdentificeerd als zijnde verantwoordelijk” voor het verduisteren van Egyptische overheidsmiddelen of mensenrechtenschendingen in Egypte of als een persoon die banden heeft met iemand die als zodanig is geïdentificeerd.
4.
De Raad heeft verzoekers’ rechten van de verdediging, het recht op goed bestuur en op daadwerkelijk rechterlijk toezicht geschonden. Meer in het bijzonder voeren verzoekende partijen aan dat de Raad niet zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht of de redenen die zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van een nieuwe opname op een lijst, gegrond waren in het licht van de opmerkingen die zij daaraan voorafgaand hadden geformuleerd.
5.
De Raad heeft zonder rechtvaardiging of evenredigheid de grondrechten van verzoekers geschonden, daaronder begrepen hun recht op bescherming van hun eigendom en reputatie. Verzoekers voeren aan dat de Raad niet heeft aangetoond dat de bevriezing van hun tegoeden en economische middelen verband houdt met of gerechtvaardigd is door een legitiem doel, en al helemaal niet dat die bevriezing evenredig aan dat doel is.
Full & Egal Universal Law Academy