7.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 294/74
Beroep ingesteld op 5 juni 2015 — European Union Copper Task Force/Commissie
(Zaak T-310/15)
(2015/C 294/89)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: European Union Copper Task Force (Essex, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: C. Fernández Vicién en I. Moreno-Tapia Rivas, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen, nietig verklaren zover zij van toepassing is op koperverbindingen;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert de verzoeker twee middelen aan.
1.
Eerste middel: uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen, is vastgesteld op basis een onrechtmatige grondslag, daar verordening nr. 1107/2009, in het bijzonder artikel 24 en bijlage II, punt 4, ervan, EU-recht schenden.
—
Verzoeker voert aan dat wetenschappelijk is bewezen dat criteria inzake persistentie, bioaccumulatie en toxiciteit („PBT-criteria”), in het bijzonder criteria inzake persistentie, niet geschikt zijn voor koper.
—
Verder stelt verzoeker dat de toepassing van PBT-criteria op anorganische stoffen niet spoort met andere regelgeving op het gebied van gereguleerde chemische stoffen.
—
Ten slotte stelt verzoeker dat, wat voor vervanging in aanmerking komende stoffen betreft, de toepassing van PBT-criteria op koperverbindingen, verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van de met verordening nr. 1107/2009 nagestreefde doelstellingen en dat verordening nr. 1107/2007 blijkt geeft van een onjuiste opvatting van het voorzorgsbeginsel.
2.
Tweede middel: subsidiair wordt aangevoerd dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door te bepalen dat uitvoeringsverordening nr. 2015/408 ook van toepassing is op koperverbindingen.
Full & Egal Universal Law Academy