12.10.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 337/39
Beroep ingesteld op 19 augustus 2015 — KZ e.a./Commissie
(Zaak T-480/15)
(2015/C 337/44)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partijen: KZ (Polen), LA (Polen), LB (Oostenrijk), LC (Oostenrijk) (vertegenwoordigers: S. Dudzik, radca prawny, J. Budzik, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
Nietigverklaring van besluit C(2015) 4284 final van de Europese Commissie van 19 juni 2015 in zaak AT.39864 — BASF tot afwijzing van het verzoek van de verzoekende partijen krachtens artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 772/2004 (1);
—
verwijzing van de commissie in de proceskosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van het beginsel van een daadwerkelijke rechtsbescherming en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
—
Door de klacht van de verzoekende partijen krachtens artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie af te wijzen in een situatie waarin artikel 101 VWEU en 102 VWEU zijn geschonden ten nadele van de verzoekende partijen — terwijl de bevoegde nationale mededingingsautoriteit geen procedure kon inleiden met het oog op het verstrijken van de in het nationale recht neergelegde vervaltermijn voor het inleiden van een procedure betreffende schending van het mededingingsrecht en de verzoekende partijen bovendien niet beschikten over een doeltreffende mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen door middel van een beroep bij een nationale rechter — heeft de Commissie het recht van de verzoekende partijen op daadwerkelijke rechtsbescherming en hun recht op een doeltreffende bescherming in rechte geschonden.
2.
Tweede middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 102 VWEU in samenhang met artikel 17, lid 1, tweede volzin, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 7, lid 2, van verordening nr. 773/2004 en artikel 7, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (2)
—
Door aan te nemen dat het belang van de Europese Unie het niet rechtvaardigt om naar aanleiding van de klacht van de verzoekende partijen een procedure in te leiden, heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt.
—
De Commissie heeft het beginsel van de doeltreffendheid (effet utile) van artikel 101 VWEU en artikel 102 VWEU geschonden door de klacht van de verzoekende partijen af te wijzen en geen procedure in te leiden en daarbij uit te gaan van de ongegronde aanname dat de voorwaarden voor de vaststelling van schending van artikel 101 VWEU die zijn geformuleerd in het arrest van het Hof van 17 juli 1998 in zaak T-111/96, ITT Promedia NV/Commissie, geen toepassing vinden in geval van misbruik van een strafrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure.
(1) Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123, blz. 18).
(2) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy