15.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 59/23
Beroep ingesteld op 19 november 2015 — Guardian Europe/Europese Unie
(Zaak T-673/15)
(2016/C 059/26)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Guardian Europe Sàrl (Bertrange, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. Louis, lawyer, en C. O’Daly, Solicitor)
Verwerende partijen: Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie en het Hof van Justitie van de Europese Unie
Conclusies
—
(1) gelasten dat aan verzoekster een vergoeding wordt toegekend voor de volgende schade die is veroorzaakt door het verzuim van het Gerecht om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen: (a) kosten voor een garantie van 936 000 EUR; (b) kosten van gemiste kansen/gederfde winst van 1 671 000 EUR, en (c) immaterieel verlies van 14,8 miljoen EUR;
—
(2) toekennen van rente over de in punt (1) gevorderde bedragen, voor zover relevant, tegen de gemiddelde rentevoet die de Europese Centrale Bank in de relevante periode heeft toegepast voor haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten;
—
(3) gelasten dat aan verzoekster een vergoeding wordt toegekend voor de schade die is veroorzaakt door de schending van het beginsel van gelijke behandeling door de Commissie en het Gerecht, namelijk de volgende bedragen: (a) kosten voor een garantie van 1 547 000 EUR; (b) kosten van gemiste kansen/gederfde winst van 9 292 000 EUR, en (c) immaterieel verlies van 14,8 miljoen EUR;
—
(4) toekennen van rente over de in punt (3) gevorderde bedragen, voor zover relevant, tegen de gemiddelde rentevoet die de Europese Centrale Bank in de relevante periode heeft toegepast voor haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten;
—
(5) verweerders verwijzen in verzoeksters kosten in verband met haar verzoekschrift.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1.
Met het eerste middel stelt verzoekster dat zij jegens de Europese Unie krachtens de artikelen 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU aanspraak kan maken op schadevergoeding als gevolg van de schending door het Gerecht van de rechten die zij aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele rechten ontleent op het punt van een uitspraak binnen redelijke termijn. Het verzuim om binnen redelijke termijn uitspraak te doen, heeft voor verzoekster tussen 12 februari 2010 en 27 september 2012 tot drie soorten schade geleid: (1) hogere kosten voor een bankgarantie voor het bedrag van de geldboete dat verzoekster niet meteen na de vaststelling van beschikking C(2007) 5791 definitief van 28 november 2007 in zaak COMP/39165 — Vlakglas aan de Commissie heeft betaald; (2) kosten van gemiste kansen als gevolg van het feit dat de rente over het bedrag van de geldboete dat verzoekster met vertraging is terugbetaald na het arrest van het Hof van Justitie in 2014 veel lager was dan het rendement dat verzoekster had kunnen behalen indien zij dit geld in haar bedrijf zou hebben geïnvesteerd in plaats van het in 2008 aan de Commissie te betalen, en (3) immateriële schade als gevolg van het onterechte besluit om aan verzoekster in november 2007 de hoogste geldboete op te leggen en het feit dat dit, als gevolg van het verzuim van het Gerecht om de zaak binnen redelijke termijn af te doen, slechts met vertraging door het Hof van Justitie is rechtgezet in november 2014.
2.
Met het tweede middel stelt verzoekster dat zij jegens de Europese Unie krachtens de artikelen 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU aanspraak kan maken op schadevergoeding als gevolg van het feit dat de Europese Commissie en het Gerecht kennelijk het beginsel van gelijke behandeling hebben geschonden en jegens verzoekster hebben gediscrimineerd. In beschikking C(2007) 5791 definitief van 28 november 2007 in zaak COMP/39165 — Vlakglas zijn ten onrechte interne verkopen uitgesloten van de berekening van de geldboeten die aan de andere adressaten van de beschikking zijn opgelegd en ook is daarin de daaruit voortvloeiende discriminatie jegens verzoekster, een niet-geïntegreerde producent zonder interne verkopen, niet verholpen. Het Gerecht heeft de vergissing van de Commissie bekrachtigd door de beslissing over het uitsluiten van deze interne verkopen in stand te laten. Deze vergissing is pas in november 2014 door het Hof van Justitie rechtgezet, toen het de bij de beschikking opgelegde geldboete met 44,4 miljoen EUR heeft verlaagd. Deze verlaging heeft echter de schade die verzoekster tussen november 2007 en november 2014 heeft geleden niet gecompenseerd, welke schade was veroorzaakt door het feit dat haar ten onrechte een te hoge geldboete was opgelegd, waarmee werd gesuggereerd dat zij bijzondere verantwoordelijkheid voor het vlakglaskartel droeg en zij ook bijkomend financieel verlies heeft geleden. Het onrechtmatige handelen van de Commissie en het Gerecht heeft voor verzoekster tot dezelfde drie soorten schade geleid als bij het eerste middel is uiteengezet, maar dan over de langere periode van november 2007 tot november 2014.
Full & Egal Universal Law Academy